De Nacht. Als jij niet bij me bent dan is de nacht lang, dan moet ik alsmaar aan je denken en aan die keren dat je in mijn armen lag. O, de warmte van jouw hartje, de zachtheid van je wang. Dát, keer op keer maakt dat ik naar jou verlang. En dan, tegen de morgen, de verlossing! Weg ermee, weg met die gedachten! Mijn wereld op zijn kop, weg met die lange nachten! Zon, kom nu maar op! Peterdw.,
|