Kapitein Rob - Pieter J. Kuhn

Communities

ZeelandNet

Kapitein Rob - Pieter J. Kuhn

243.411 bezoekers 11 leden Log in

301.001 Interview met Evert Werkman


Het ging Kuhn om het verhaal zonder meer

 

door

Evert Werkman.

Bron: Stripschrift nummer 107/108 januari/februari 1978

Wanneer Pieter Kuhn voor het eerst de geïmproviseerde redactievertrekken van het zich nog in alle denkbare chaotische staten bevindende dagblad Het Parool betrad om zijn diensten aan te bieden als striptekenaar, weet ik niet meer. Het zal wel in de hectische zomermaanden van 1945 zijn geweest, toen we weliswaar nog dagbladen van postzegelformaat maakten omdat de geringe papiervoorraad moest worden verdeeld over honderden gegadigden, maar iedere zich zelf respecterende krant er op uit was medewerkers op allerlei gebied aan te trekken 'voor straks'. De meeste van die medewerkers (en dat gold ook voor de redacteuren) hoefden practisch niets te doen, sterker nog, grote ijver werd niemand in dank afgenomen, want waar moest ie heen met al die kopij, die foto’s, die tekeningen?

Onder de velen, die zo de revue passeerden, moet zich ook Kuhn hebben bevonden. Had Het Parool een strip nodig? Zo ja, kon je je die niet beter via een persbureau uit het buitenland aantrekken? Voor zover ik mij kan herinneren is over die eerste vraag niet lang gepraat: een krant had een strip nodig. Eén strip, want je moest zoiets niet overdrijven en we zouden bepaald niet de Amerikaanse kranten willen navolgen met hun comic-bijlagen vol plaatjes, want een krant – vonden wij – was een serieuze zaak voor volwassen mensen en het was al mooi als je daarin op de zaterdag een hoekje in ruimde voor de kinderen. Niemand haalde het in zijn hoofd om met het argument aan te komen dragen, dat ook volwassenen die strips wel eens zouden willen bekijken. De stripcultuur uit de vooroorlogse jaren was trouwens toch al magertjes geweest. Jopie Slim en Dikkie Bigmans, BuIlet je en Boonestaak, Pijpje Drop (van de Automaat) hadden misschien een bepaalde nationale status bereikt maar 't bleef kinderwerk, ook al waren tekenaars van naam en schrijvers van formaat bereid er hun aandacht aan te besteden. Bruintje Beer mocht er ook zijn, maar dat was Engels werk van huis uit, maar dat makke beertje met zijn geruite broek was er op de een of andere manier toch maar in geslaagd mede het handelsmerk te worden van het altijd nog vrij deftige en uit dien hoofde vrij vervelende Handelsblad, zoals dat ook gold voor Jopie Slim en Dikkie Bigmans (De Telegraaf) en Bulletje en Boonestaak (Het Volk). Nee, ofwel een strip zouden moeten hebben was nauwelijks een vraag, ja, er moest zelfs voorrang aan worden gegeven vond iedereen. Nu had het buitenland in die dagen direct na de bevrijding wel het een en ander aan te bieden -toen het communistische dag blad De Waarheid met Rip Kirby kwam, aangekocht uit het superkapitalistische Amerika zei iedereen dat we onze kans voorbij hadden laten gaan -maar ik vermoed, dat ook budgettaire overwegingenwel een rol zullen hebben gespeeld om met Pieter Kuhn in zee te gaan. Zijn prijs weet ik echt niet meer uit die beginjaren, maar hij zal er niet veel voor hebben gevraagd. Wat had hij aan te bieden? Een avontuurlijk verhaal, uiteraard. Hoofd- persoon was een zekere Rob van Stoerum -die achterman raakte hij gelukkig gauw kwijt -die niets beters te doen had dan met zijn zeilboot op avontuur te gaan. Nou, daar kon je je nooit een buil aan vallen en wat was er Nederlandser, nationaler, dan zo’n eenzame man aan het roer van zijn ranke boot, die hij ook nog De Vrijheid had gedoopt? Pieter Kuhn werd het dus voor Het Parool. En hij hoefde niet te wachten zoals al die andere medewerkers, die maar moesten duimen draaien tot de kleine krant een grote krant werd. Kapitein Rob mocht direct uitvaren. Aldus geschiedde: op 11 december 1945 koos De Vrijheid zee. Er was één klein probleem. Kuhn tekende weliswaar uitstekend, maar hij miste nu eenmaal de gave om zijn voorstellingen van een pakkende tekst te voorzien. Dat was echter geen bezwaar: voor dat eenvoudige handwerk huurden we eenvoudig een juffrouw, Kuhn vertelde haar wat hij bedoeld had en zij schreef dat in voor kinderen begrijpelijk Nederlands op. Maar ook dat karwei bleek lastiger dan het op het eerste gezicht scheen. Niet elke aflevering leverde voldoende avontuurlijke situaties op om daar op voort te borduren en de gehuurde kracht had te weinig fantasie om een aanschietend zeetje, een donkere lucht of een onheilspellend zwerk in een afgepast aantal regels uit te werken.

Toen Kuhns eerste verhaal ten einde liep -het telde honderd afleveringen -kreeg ik het verzoek de taak van die gehuurde kracht over te nemen. Het zou volstrekt overdreven zijn om nu te stellen, dat ik die opdracht met beide handen aanvaardde. Ik had geen enkele ervaring op dit gebied, ik was helemaal niet zo dol op strips en het verhaaltje van Pieter Kuhn vond ik niet Zo geweldig. Maar we waren nu eenmaal met hem in zee gegaan, we moesten het toch wel een poosje zien vol te houden en bovendien leek het mij ook niet zo’n heidens karwei om die onderschriften te erzorgen.

En nog altijd was de situatie op de krant zo, dat niemand van de redacteuren zich kon verschuilen achter het excuus, dat hij het toch al zo druk had. Kuhn vond het best, ook al omdat hij nu op de redactie een man had, met wie hij geregeld kon overleggen over de voortgang van het verhaal.

Eén ding hadden we gelukkig wel gemeen: onze hartstocht voor de zee en voor het varen. Enkele weken vóór de Tweede Wereldoorlog uitbrak had ik met één der schepen van de Holland-Ierlandlijn een vakantietocht gemaakt (Rotterdam-Dublin-Belfast-Fowey-Amsterdam), die nogal spannend was verlopen omdat er in het Kanaal vlootmanoeuvres werden gehouden. van de Britse marine, waarbij opeens het Duitse passagiersschip Horst Wessel (van de nazi-organisatie Kraf t durch Freude) ook aan de horizon opdook. Vooral in de haven van Fowey, waar de Theano klei ging laden voor de aardewerkindustrie -de vracht voor Ierland had voornamelijk bestaan uit Egyptische uien! -heerste een nerveuze stemming: de oorlog zat duidelijk in de lucht. Tijdens mijn vrijwillige werkloosheid als journalist gedurende vier van de vijfoorlogsjaren heb ik naar aanleiding van deze tocht een verhaal geschreven met een tot Duitse spion verheven medepassagier - het is kort na de oorlog nog als feuilleton in een inmiddels al weer verdwenen krant verschenen -en ik had mijn krachten ook nog beproefd op een jongensboek ('Klaas Rol valt naar boven', geen meesterwerk, maar direct na de bevrijding stond iedere uitgever te springen om manuscripten, het verscheen en was in een paar weken uitverkocht). Mede op grond van die ervaringen dacht ik mijn taak wel aan te kunnen.

Vanaf het tweede verhaal van Kuhn ('Het scheepsjournaal van Peer den Schuymer') dateert dus mijn samenwerking met Pieter Kuhn en ik heb er nooit spijt van gehad. Eén ding mag daarbij wel voorop staan: kapitein Rob was en bleef de vrucht van Kuhns ongebreidelde fantasie, zoals hij ook de geestelijke vader was en bleef van alle. wonderlijke figuren, die in zijn strips optreden. We hebben zeer zeker in die eerste jaren wel voortdurend overleg gepleegd over de draad van het verhaal, over de aard van het onderwerp, over het aanboren van geheel nieuwe gebieden, maar mijn bijdrage daarin bleef verre in de minderheid bij die van Kuhn, voor wie letterlijk geen zee te hoog ging. Ik betwijfelde wel eens of hij op de goede weg was als hij bijvoorbeeld - dat was in het tweede verhaal al het geval - opeens in de historie dook of wanneer hij de vertrouwde zee geheel verliet en zich in de ruimtevaart stortte, die toen in werkelijkheid nog niets voorstelde. Maat Kuhn was nuchter genoeg om Rob zeeman te laten blijven De gang van zaken bij elke nieuwe aflevering was nu ongeveer als volgt: tegen de tijd dat het lopende verhaal ten einde liep staken we de koppen bij elkaar en opperden we beiden mogelijkheden voor een vervolg. Konden we iets maken met gebruikmaking van de bestaande hoofdpersonen, of moesten we nieuwe figuren introduceren? Wat zou de locatie worden van het nieuwe verhaal; de Waddenzee, de Pacific, de Zuidpool, de Noordafrikaanse kust, een totaal onbekend eiland? Kuhn was nooit wereldreiziger geweest en is het ook nooit geworden, maar hij beschikte over voldoende materiaal om de sfeer van welk land dan ook goed te treffen. Waren we het in grote lijnen eens, dan ging Kuhn naar huis en kwam twee weken later terug met een stapel tekeningen. Hier en daar in de marge had hij wat aantekeningen gekrabbeld en aan de hand daarvan was het voor mij betrekkelijk gemakkelijk het verhaal op te schrijven.

Later werd het nog gemakkelijker. We raak ten zo op elkaar ingespeeld, dat tijdrovende voorbereidingen voor een nieuwe aflevering nauwelijks meer nodig waren en als er helemaal geen tijd was voor overleg door vakantie, ziekte of uitstedigheid -inmiddels maakten we een echte, grote krant en ik was vaak weg -dan wachtte ik maar af wat ik van hem te zien zou krijgen. Het is altijd redelijk goed verlopen, hoewel ik ook wel eens ontspoord ben door het verhaal een wending te geven, die Kuhn niet had bedoeld of door iemand te laten optreden, die enkele strips tevoren al definitief was verdronken, maar in de latere bewerking van de strips voor de boekjesuitgave konden die rimpels wel worden glad gestreken.

Alleen zat ik dan wel met de correspondentie van oplettende lezers. Trouwens, Kuhn zelf wist soms ook niet wat hij precies wilde: professor Lupardi meende hij slechts voor één verhaal nodig te hebben en de ge leerde moest met kunst- en vliegwerk weer tot de levenden worden teruggeroepen, toen zijn onmisbaarheid bleek.

Die samenwerking tussen ons duurde zo'n negen jaar. Het werd routinewerk. Kuhn bleef de grote inspirator en hij draaide onverstoorbaar in hetzelfde tempo door. De populariteit van kapitein Rob steeg, de boekjesuitgaven gingen vlot weg en we zouden nog jaren door hebben kunnen gaan. Toen besloot Pieter Kuhn opeens er mee op te houden. Het was 1955, hij had het stripwerk voor Het Parool nu tien jaar gedaan en hij vond het welletjes. Wie zou het hem kwalijk nemen? Want het is natuurlijk ook een enorme geestelijke belasting, iedere dag opnieuw met een drieluikje te moeten opdraven, altijd iets nieuws te moeten verzinnen, iedere dag weer boven je tekentafel zitten te turen .op de potloodlijntjes. De omstandigheden waaronder hij in zijn huis te Hilversum moest werken waren ook niet ideaal: hij had er niet genoeg ruimte. Maar ik moet achteraf wel vaststellen, dat zijn besluit om er mee te stoppen, ook andere, en misschien belang rijker oorzaken had: hij wilde zijn vleugels wel eens verder uitslaan en vreesde dat hij tot zijn dood toe striptekenaar zou zijn en blijven. De wereld rondom hem heen was groter dan de beperkte horizon van het zeilschip De Vrijheid.

We hebben afscheid genomen. Zonder tranen, zonder sentimentaliteit. 't Was gewoon afgelopen.

Goed, maar een krant kan niet zonderstrip.En dus zochten wij naarstig naar iemand, die een waardige opvolger zou kunnen zijn voor Pieter Kuhn én voor kapitein Rob. Die speurtocht heeft maanden geduurd, tenslotte meenden we te zijn geslaagd en in hetzelfde hoekje van de krant, dat zo vele jaren in beslag was genomen door kapitein Rob verscheen nu Frank, de Vliegende Hollander. De strip is geen succes geworden. Dat lag niet aan de tekenaar, die zijn métier uitstekend verstond. 't Lag hem gewoon aan het feit dat Rob onvervangbaar was. We hadden er, achteraf gezien, betera aan gedaan gewoon iets geheel anders te beginnen. Nu deden we een poging Rob min of meer voort te zetten onder een andere naam en in een ander kader. Ook alweer achteraf kun je alleen constateren dat de mislukking van Frank het succes van Rob aantoonde.

Degene, die dat natuurlijk het beste in de gaten had, was Pieter Kuhn zelf. Hij heeft er met geen woord over gerept, want hij wilde zeker een collega-tekenaar niet in zijn hemd zetten, maar wat mij betreft had hij best mogen zeggen, dat Frank een slechte Frank een slechte imitatie was van zijn schepping. Gelukkig bleek, dat Kuhn zelf niet meer zonder Rob kon en het is geen schande om dat mede te verklaren uit materiële overwegingen. De strip liep uitstekend, niet alleen in Het Parool, maar ook in verscheidene buitenlandse kranten en zijn reputatie was bovendien nu wel zo gevestigd, dat hij er een wel niet overdadig, maar toch een behoorlijk inkomen aan had. Rob kwam terug en we gingen in dezelfde harmonie van voorheen door vanaf het punt waarop we waren blijven steken. Helaas, er zou weer een onderbreking komen in de reeks.

In 1959 werd Pieter Kuhn getroffen door een hartaanval en dat was nu wel het laatste wat je zou kunnen. denken van zo'n uiterlijk sterke, sportieve man. Hij werd op genomen in het ziekenhuis in Hilversum, knapte weliswaar spoedig op, maar het duurde toch nog geruime tijd voor hij zijn werk kon hervatten. Tot de dood op een koude januaridag in 1966 toesloeg, plotseling, ongenadig en rampzalig. Het was afgelopen met kapitein Rob.

Maar zie, dat laatste bleek een onjuiste conclusie.

Met de voor menigeen zo verrassende opleving van de belangstelling voor de strip werd ook deze stoere zeeman tot nieuw leven gewekt. Zelf mag ik mij wel rekenen tot degenen, die het meest verrast waren. Ik had de strip nooit anders gezien dan als een vorm van lichte verstrooiing zonder veel diepgang, knap bedacht, knap getekend, maar gold dat niet voor zoveel andere soortgelijke series? Hoe het zij, die nieuwe belangstelling was er, zonneklaar. Het is alleen jammer, dat Kuhn zelf deze niet heeft beleefd.

Voor mij zelf betekende de plotselinge dood van Kuhn een even abrupt einde aan mijn medewerking aan het Nederlandse stripwezen. Enkele malen ben ik benaderd door uitgevers om hetzelfde werk voor andere tekenaars te doen, maar ik ben er nooit op ingegaan. Het genre lag mij toch minder dan voor een geregelde medewerking vereist is en trouwens, evenals Kuhn, had ik ook de dagelijkse spanning meegemaakt om alles op tijd te produceren en dat doet wel eens een beroep op je zenuwen. Er zijn met kapitein Rob nooit ongelukken gebeurd, maar herhaalde malen bleken toch cliché's of teksten te zijn zoek geraakt en zoiets wordt op een krant altijd op het laatste moment ontdekt. Mede daardoor zijn er wel eens teksten tussen doordoor geglipt, die niet helemaal puntgaaf waren. Kuhn zelf heeft onder die nooit aflatende druk iedere dag weer met een tekening te komen ongetwijfeld het meest geleden, hoewel hij aan de andere kant die spanning ook weer niet kon missen.

Waren ze nou zo geweldig goed, die strips van Kuhn, die verhalen van Rob?

Misschien ben ik wel de laatste om daarover een oordeel te geven, maar sinds ik de laatste teksten schreef zijn er nu bijna twaalf jaar verstreken en ook omdat ik er maar een bijrol in heb gespeeld meen ik toch er wel iets over te kunnen zeggen.

Kuhns fantasie is wel vergeleken bij die van Jules Verne en in menig verhaal benadert hij deze Fransman ongetwijfeld, maar de .'boodschap', die de laatste vaak in zijn romans meegaf, was Kuhn vreemd. Het ging hem om het spannende verhaal, het avontuur zonder meer. Daarvoor had hij niet al te gecompliceerde figuren nodig: nobele kerels, gemene schurken, dappere mannen, onverschrokken vrouwen. Hij kon ze, bij wijze van spreken, bij het dozijn leveren in telkens gevarieerde opstelling tegenover een steeds wisselend decor. Je zou zijn fantasie, geloof ik, beter kunnen vergelijken bij die van Karl May: herhalingen op hetzelfde thema met soortgelijke zwart-wit getekende figuren. Wie alle boeken van Karl May achter elkaar zou uitlezen houdt de overheersende indruk over dat hij voortdurend hetzelfde meemaakt. Dat is bij Kuhn ook het geval, al was hij knap genoeg om steeds nieuwe variaties te bedenken. Zoekt men niet meer achter zijn werk dan hij er mee heeft bedoeld, namelijk het scheppen van onderhoudende, spannende verhalen, dan verdient hij zeer zeker alle waardering. Hij tekende zeer gewetensvol. Elk detail was verantwoord. Hij heeft wel eens een complete aflevering helemaal over getekend omdat een onderdeel aan een schip niet helemaal goed was geschetst, een onderdeel, dat alleen een ingewijde, een deskundige misschien zou opvallen. Eens, herinner ik mij, heb ik een enthousiaste brief gekregen van een lezer, die had geconstateerd dat de registratieletters op een boei ergens in de Nederlandse wateren, die Kuhn had getekend, precies klopten. Ja, uiteraard klopten die, want zo precies was Kuhn wel.

Hij zou ook niet zo maar een (gefantaseerd) voorwereldlijk monster tekenen, zonder zich eerst te verdiepen in de anatomie van soortgelijke wezens, die echt hebben bestaan. Ik kan mijzelf moeilijk een strip-expert noemen, maar als ik het werk van andere tekenaars wel eens zie en moet constateren hoe ze soms te werk gaan juist wat de details betreft, geloof ik wel te mogen zeggen, dat er weinigen waren (en zijn? ) die zo consciëntieus de tekenpen hanteerden als hij.

Er is Kuhn wel eens het verwijt gemaakt, dat hij zich aan racisme schuldig maakte; zijn smeerlappen waren meestal mannen met Aziatische gelaatstrekken of ze droegen Slavische namen. Het verwijt is, dunkt mij, niet terecht. Van enige vorm van racisme heb ik bij Kuhn nooit iets ontdekt, maar het is natuurlijk wel zo, dat hij een kind van zijn tijd was, hij had, net als zijn leeftijdsgenoten, de oorlog net achter 'de rug toen hij met zijn strip begon en hij was niet vrij van de vooroordelen, die toen nog bestonden. Trouwens, mocht het verwijt juist zijn, dan treft dit niet hém alleen .

Dat voor kapitein Rob Kuhn zelf model stond is zo langzamerhand wel algemeen bekend en uit zijn onmiddellijke omgeving koos hij ook wel eens modéllen, zoals zijn dochtertje, die een opmerkelijke gelijkenis vertoonden met de figuren Marga en Willy. Hij kon goed gelijkend tekenen. In 'Het Mysterie van het Zevengesternte' bijvoorbeeld treden burgemeester d' Ailly van Amsterdam op, de toenmalige hoofdcommissaris van politie, Kaasjager en de commandant van de vrijwillige politie, Henk van Laar. Je herkent ze onmiddellijk. Hij heeft mij afgebeeld in het eerste plaatje van deze serie en enkele afleveringen later (no.739) houdt Rob een toespraak tot een aantal redacteuren van het toenmalige Parool, waarvan nu nog herkenbaar zijn de hoofdredacteur mr G.J. van Heuven Goedhart, de adjunct-hoofdredacteur Johan WinkIer (kaal en geweldige wenkbrauwen), Sirnon Carmiggelt, Henri Knap en Jeanne Roos. Ook direkteur W. van Norden en de portiers Eylers en Almer treden er in op.

En ja, één keer heeft hij enorm geblunderd hij liet Rob in het huwelijk treden. Laathet een waarschuwing zijn voor alle striptekenaars. Een eenmaal gevestigde held moet solitair blijven, hoogstens mag hij de indruk achterlaten dat hij met allerlei vrouwen affaires heeft, maar het burgerlijke huwelijk is voor hem taboe. We hebben het geweten: er kwamen stapels brieven binnen, de meeste van vrouwen, maar ook wel van manlijke lezers, die ons de heftigste verwijten deden. Het huwelijk hebben we dan ook maar als een nachtkaars laten uitgaan en als ze nog leeft, die vrouw van kapitein Rob, dan moet zij zich nu wel erg eenzaam voelen, want niemand kijkt ooit meer naar haar om.

'Het Smokkelnest van Kid Blauwneus', 'De Schatten van Esmaralda', Avontuur op Pampus', 'Het Mexicaanse Afgodsbeeld', 'De geheimzinnige baron Himota', 'De Ontdekking van Krijn Storm' -ik heb ze allëmaal nog eens doorgebladerd en na al die jaren waren het voor mij weer nieuwe ontdekkingen. Het zijn doodgewoon goede verhalen en de herleving van de belangstelling voor het werk van Pieter Kuhn is alleszins verdiend.

We hebben rondom kapitein Rob nog wel eens plannen gesmeed, die niet allemaal zijn geslaagd. We hebben een blad uitgegeven onder de titel Kapitein Robs vrienden. Na enkele jaren is het ter ziele gegaan, hoewel ik niet meer zou weten waar dat aan te wijten was. Samen hebben we ook nog vergaande plannen gemaakt om een musical op te bouwen rondom kapitein Rob en de besprekingen daarover (het zou een dure produktie worden, maar we stelden ons al vast voor, dat we Carré in Amsterdam wekenlang vol zouden krijgen) waren al in een veelbelovend stadium. Het is niet doorgegaan. Ergens in een donkereen lade moet ik een eerste aanzet voor het draaiboek nog hebben liggen.

Zie: 004.001 Kapitein Rob Musical

Omhoog