Kaloot Defenders

Communities

ZeelandNet

Kaloot Defenders

Welkom op de community Kaloot Defenders!

118.158 bezoekers 17 leden Log in

Haalbaarheid WCT plan?


            

Haalbaarheid WCT? Al in een eerder stadium is het plan voor de bouw van een containerkade in de Westerschelde aan De Kaloot door de Raad van State afgewezen. Een aanpassing van het plan zou de kans van slagen deze keer moeten vergroten. Is die kans er eigenlijk wel? Rapporten beweren dat er geen significante gevolgen zijn voor de natuur als de kade korter wordt. Feit is, dat 240 hectare getijden natuur nergens in het Westerschelde gebied te compenseren valt, als we de strijd om het ontpolderen van nabij volgen. Er is dus wel degelijk een significant gevolg, waarbij leefgebieden van planten en dieren verdwijnen, zonder dat er een vergelijkbaar habitat kan worden teruggegeven. De duinen zullen ondanks ander beweringen die tot nu toe gedaan zijn nooit op “natuurlijke”wijze in stand gehouden kunnen worden. Kortom het plan is en blijft in strijd met de VHR (Vogel en Habitat Richtlijnen).Een handige leiddraad van de Europese Commissie is; Beheer van “Natura 2000” gebieden De bepalingen van artikel  6  van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) downloaden via: http://ec.europa.eu/environment/nature/nature_conservation/eu_nature_legislation/specific_articles/art6/pdf/art6_nl.pdf In deze folder staat ook een schema, hoe de lidstaat dient om te gaan met plannen die een bedreiging kunnen zijn voor de bestaande natuur. Men gaat er immers vanuit, dat elke ingreep in principe significante gevolgen kan hebben die natuurlijke staat verstoren.

Het schema hierin ziet er als volgt uit,

 

              

              als we het schema waarheidsgetrouw invullen, ziet dat er als volgt uit,

            

       Een en ander is duidelijk, onder de huidige voorwaarden is er geen mogelijkheid tot realisatie van het WCT plan.

       Een paaar belangrijke regels uit de Habitat en Vogelrichtlijnen zijn de volgende:

Enkele citaten uit Beheer van Natura 2000 gebieden

5,3, INLEIDENDE OPMERKINGEN

5.3.1. Onderzoek van alternatieve oplossingen

De eerste stap voor de bevoegde instanties bestaat erin, te onderzoeken of het mogelijk is een alternatieve oplossing toe te passen die met een geringere aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied gepaard gaat. Normaliter zullen dergelijke alternatieve oplossingen reeds zijn gesignaleerd in het kader van de verkennende beoordeling overeenkomstig artikel 6, lid 3. Daarbij kan worden gedacht aan alternatieve vestigingsplaatsen (of alternatieve tracés, in het geval van lineaire werken), een wijziging van de schaal of de opzet van het project, of alternatieve procédés. Ook de ,,nuloptie” (het achterwege laten van een maatregel) moet worden onderzocht.

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zijn het de bevoegde nationale instanties die deze alternatieve oplossingen onderling moeten vergeleken. Benadrukt moet worden dat de maatstaven die bij deze vergelijking dienen te worden aangelegd, betrekking hebben op de instandhouding van het gebied en de handhaving van de natuurlijke kenmerken en ecologische functies daarvan. In deze fase kunnen andere (bv. economische) evaluatiecriteria derhalve geen voorrang hebben op ecologische criteria.

De beoordeling van alternatieve onderzoek is een zaak van de bevoegde Nationale instanties. Die beoordeling dient te geschieden in het Licht van de instandhoudingdoelstellingen voor het gebied.

5.3.2. Onderzoek van de dwingende redenen van groot openbaar belang

Bij ontstentenis van alternatieve oplossingen — of indien aan de alternatieve oplossingen, gelet op bovengenoemde instandhoudingsdoelstellingen van de richtlijn, nog méér negatieve milieueffecten voor het betrokken gebied verbonden zijn — behelst de tweede stap het onderzoek door de bevoegde instanties van eventuele dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, die de uitvoering van het betrokken plan of project noodzakelijk maken.

Het begrip ,,dwingende redenen van groot openbaar belang” wordt in de richtlijn niet omschreven. Wel wor den in artikel 6, lid 4, tweede alinea, de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten genoemd als voorbeelden van dergelijke dwingende redenen van groot open baar belang. Wat de ,,andere dwingende redenen van groot openbaar belang” van sociale of economische aard betreft, blijkt duidelijk uit de formulering dat alleen het door openbare instanties of particuliere organisaties behartigde openbaar belang tegen de instandhoudingsdoelstellingen van de richtlijn kan opwegen. Projecten die uitsluitend de belangen van bedrijven of individuen dienen, vallen daar dus niet onder.

Tot dusver heeft het Europees Hof van Justitie geen duidelijke aanwijzingen inzake de interpretatie van dit specifieke begrip gegeven. Het kan daarom nuttig zijn, te kijken naar andere sectoren van het Gemeenschapsrecht waar soortgelijke begrippen worden gehanteerd.

Het begrip ,,dwingende eis” werd door het Hof van Justitie uitgewerkt als een uitzondering op het beginsel van het vrije verkeer van goederen. Als ,,dwingende eisen” die nationale maatregelen ter beperking van het Vrije verkeer van goederen kunnen rechtvaardigen, beschouwt het Hof de bescherming van de volksgezondheid en het milieu alsmede het nastreven van legitieme doelstellingen op het vlak van economisch en sociaal beleid.

Voorts kent het Gemeenschapsrecht ook het begrip ,,dienst van algemeen economisch belang”, dat in artikel 86 (ex artikel 90), lid 2, van het Verdrag wordt gebruikt in samenhang met een uitzondering op de concurrentieregels voor ondernemingen die met het beheer van dergelijke diensten belast zijn. In een mede deling betreffende de diensten van algemeen belang in Europa (21) gaf de Commissie, rekening houdend met de jurisprudentie terzake, de volgende omschrijving van diensten van algemeen economisch belang:

,,Met deze term worden verhandelbare dienstverlenende activiteiten aangeduid waarmee functies van algemeen belang worden vernield en waarop daarom door de lidstaten specifieke openbare dienstverplichtingen van toepassing worden gemaakt (22). Hiertoe behoren met name diensten in het kader van verkeers-, energie- en communicatienetten.”

Uit de manier waarop de bepaling is geconstrueerd, blijkt dat in specifieke gevallen de bevoegde nationale instanties het verlenen van toestemming voor de plannen of projecten moeten laten afhangen van de vraag of bovenbedoelde dwingende redenen zwaarder doorwegen dan de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied dat de gevolgen van die initiatieven zal ondervinden. Deze afweging moet worden gebaseerd op de volgende elementen.

a) Het openbaar belang moet dwingend zijn: dit betekent dat niet om het even welk openbaar belang van sociale of economische aard een afdoende rechtvaardiging biedt, met name niet in het licht van de zeer grote belangen die door de Richtlijn worden beschermd (zie in dit verband bijvoorbeeld de vierde over weging, die verwijst naar ,,het natuurlijk erfgoed van de Gemeenschap”) (zie bijlage T, punt 10).

         Bovendien zijn er ook nog een aantal juridische uitspraken*

      die duidelijk maken, dat een economische ontwikkeling van welke vorm dan ook in een SBZ onmogelijk is, 

            In de bedoelde uitspraak is vooral de zinsnede;

             Projecten die uitsluitend de belangen van bedrijven of individuen dienen, vallen daar dus niet onder!  toegepast,

         omdat men reeds een natuurgebied geclaimd had voor toekomstige ecomische uitbreiding,

          wat dus niet mag/kan en daarom volgens de uitspraak bestemd blijft voor natuurbehoud!

           Een dergelijke beslissing kan ook van toepassing zijn op De Kaloot!

         * 61995J0044 Arrest van het Hof van 11 juli 1996. - Regina tegen Secretary of State for the Environment, ex parte: Royal Society for the Protection of Birds. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: House of Lords - Verenigd Koninkrijk. - Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand - Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna - Afbakening van speciale beschermingszones - Beoordelingsbevoegdheid van de Lid-Staten - Economische en sociale overwegingen - Lappel Bank. - Zaak C-44/95.

 

Omhoog