Aap: Ringstaartmaki |
|||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||
|
De Ringstaartmaki De vacht is grijsbruin van kleur. De kop, onderzijde, handen en de binnenzijde van de ledematen zijn wit. De kap, het gebied rond de ogen en de snuit is zwart. Deze gezichtstekening benadrukt de gezichtsuitdrukkingen. De lange pluimstaart heeft veertien witte ringen, afgewisseld met zwarte ringen. De ogen zijn goudgeel van kleur. De huid is zwart. Mannetjes verschillen van vrouwtjes door een kortere snuit en bredere schouders. De achterpoten zijn langer dan de voorpoten. Ook de voeten zijn lang. De duim is opponeerbaar, en alle vingers en tenen, met uitzondering van de tweede teen, hebben nagels. De tweede teen heeft een kamklauw. Met deze kamklauw kan de ringstaartmaki luizen verwijderen, zowel bij zichzelf als bij andere maki's. Ze leven in sociale groepen van 5 tot 25 dieren, waar een strenge rangorde heerst. De volwassen vrouwen staan hoger in rang dan de mannetjes. Maki's zijn nauw verwant met de andere lemuren op Madagaskar. Ze kunnen goed klimmen, maar leven meer op de grond dan de andere lemuren.
Leefgebied Net als de meeste andere halfapen komen ringstaartmaki's alleen op het eiland Madagaskar voor. Dit eiland werd nooit door de echte apen bereikt en zo hadden de halfapen geen last van concurrentie door hun slimmere neefjes. Er zijn enkele soorten halfapen die buiten Madagaskar leven. Deze zijn allemaal 's nachts actief. Ringstaartmaki's leven in bomen én op de grond van het regenwoud. Van alle halfapensoorten van Madagaskar komen zij het meest op de grond. Ringstaartmaki's komen echter niet alleen in bossen maar ook in de drogere gebieden zoals savannen voor. Voedsel Ze eten 's ochtends en 's middags en zijn voornamelijk vruchteneters. Hij leeft van de vruchten, bessen, bladeren, bloemen, bast en sap van 24 tot 30 verschillende plantensoorten, voornamelijk bomen, struiken en kleine heesters. Ook schijfcactussen en andere vetplanten staan op zijn dieet, evenals kruiden. Zijn favoriete plant is de tamarinde (Tamarindus indica). De vruchten en bladeren van deze boom beslaan ongeveer een kwart van zijn totale dieet. De zaden van de tamarinde worden verspreid met de uitwerpselen van de ringstaartmaki's, die de zaden niet kunnen verteren. Behalve in bomen zoekt de ringstaartmaki ook op de grond naar voedsel. In bomen zoekt hij het liefst in de toppen naar voedsel. 's Ochtends drinkt de ringstaartmaki dauw, waarbij hij zijn handen nat maakt, en ze daarna aflikt. Ook drinkt hij regenwater uit boomholten en plassen. Het meeste vocht krijgt de ringstaartmaki binnen met zijn voedsel. Voortplanting Het zijn zeer sociale dieren, die regelmatig elkaars gezelschap zoeken. Ze leven in groepen van 3 tot 24 dieren (gemiddeld 16). Deze groepen houden zich op binnen een territorium. De grootte van het territorium is afhankelijk van de grootte van de groep. Het territorium wordt door alle volwassen leden van de groep gemarkeerd met stoffen uit geurklieren, die zich in de onderarmen, de anusstreek en op het scrotum bevinden, en bij mannetjes ook op de polzen. Ook wordt er urine en uitwerpselen gebruikt. Niet alleen de grenzen, maar het gehele gebied wordt gemarkeerd: voornamelijk boomstammen en takken, maar ook bladeren en twijgjes. Met de anale klieren en de scrotumklier brengen de dieren geslachtsmarkeringen aan, waarmee ze hun paarbereidheid en dominantie aangeven. Binnen een groep is een dominant vrouwtje de baas. Samen met haar jongen en een of meerdere dominante mannetjes vormt zij de kerngroep. De kerngroep mag als eerste eten en gaat voorop bij tochten door het territorium. Buiten de kerngroep staan de niet-dominante mannetjes, ondergeschikte vrouwtjes met hun jongen en juveniele ringstaartmaki's. Ringstaartmaki's kennen een groot aantal signalen. Met zowel geluiden, geuren als lichaamstaal communiceren ze met andere groepsleden. Zo grommen de dieren bij plotseling gevaar, en fluiten de dieren bij ruzie. Deze geluiden gaan meestal gepaard met gezichtsuitdrukkingen. Ook communiceren de dieren met de staarthouding. Ringstaartmaki's zijn overdag actief. Tussen de middag houdt de groep een dagelijkse, gezamenlijke rustpauze. Hierbij gaan de dieren op de grond en in bomen zitten, met de armen gespreid richting de zon. Ze brengen een groot gedeelte van hun leven in de bomen door, maar ook op de grond zijn ze geregeld te vinden. De ringstaartmaki kan op twee poten lopen, maar hij loopt veel vaker op allevier de poten. Als de ringstaartmaki op vier poten loopt, houdt hij de staart recht omhoog. De paartijd duurt van april tot juni. Een vrouwtje is slechts voor een periode van drie tot zeven dagen in oestrus. In de paartijd houden de mannetjes schijngevechten. Hierbij zitten of staan twee dieren op een afstand van ongeveer drie meter van elkaar. Ze kijken elkaar aan, drukken de oren in de kop en krullen de bovenlip op, waarbij de hoektanden worden ontbloot. De staart wordt tussen de voorpoten vastgehouden. Met de geurklieren op de onderarmen wrijven de mannetjes over hun staart. Hierna gaat het mannetje op vier poten staan, waarbij de staart omhoog gehouden wordt. De geur van de staart waait zo naar de rivaal. Het vrouwtje slaat hierna de winnaar, waarna de paring plaatsvindt. De jongen worden in augustus en september (soms tot in november) geboren, na een draagtijd van ongeveer 135 dagen. Per worp krijgt de ringstaartmaki over het algemeen slechts één jong, maar twee- en drielingen komen voor. Het geboortegewicht bedraagt 50 tot 70 gram. De ogen zijn al open en de vacht is al bij de geboorte gelijk aan die van de volwassen dieren. Het jong wordt continue verzorgd en overal mee naartoe genomen. Jongen uit de vorige worp blijven in de buurt van hun moeder, zolang ze zich gedragen. Na de geboorte houdt het jong zich vast aan de buik van de moeder. Na één tot twee weken verhuist hij naar de rug, waar hij blijft totdat hij groot genoeg is om op eigen benen te staan. Als het jong groot genoeg is om op de rug gedragen te worden, neemt het vrouwtje het jong mee naar de groep. De hele groep zorgt voor de jongen, en de jongen worden ook door andere vrouwtjes gedragen. Als de jongen een maand oud zijn, spelen ze met andere jonge maki's, soms ook met oudere groepsleden, en zoekt hij alleen zijn moeder op om te zogen of om gedragen te worden als de groep gaat rondtrekken. De zoogtijd duurt tien weken. De mannetjes zijn na 29 maanden geslachtsrijp, vrouwtjes na 20 maanden. Na twee jaar zijn ze volgroeid. Bedreiging Hoewel ringstaartmaki's zich snel voortplanten, zijn ze tegenwoordig ernstig bedreigd. De regenwouden en andere natuurgebieden op Madagaskar worden in hoog tempo vernietigd. Zonder tropische natuur kan de ringstaartmaki, net als de andere halfapen van Madagaskar, niet overleven. Paspoort Naam: Ringstaartmaki Wetenschappelijke naam: Lemur catta Leeftijd: tot 27 jaar Lengte: 40 - 45 cm, staart 60 cm Gewicht: 3 kg Voedsel: bladeren, bloemen, fruit, sap, bast en insecten Verspreiding: Zuid- en Zuidwest-Madagaskar Status: kwetsbaar
Bron: www.wnf.nl |
|
||||||||||||||||||||||