Springbokken zijn middelgrote lichtbruine gazellen met een zwarte band op de flank. Ze springen bij opwinding met stijve poten op en neer, waaraan ze hun naam danken. Hiermee waarschuwen ze elkaar en tonen ze een belager dat ze op hun hoede zijn en dat hun conditie goed is. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben geribbelde hoorns. Aan de achterkant van hun rug zit een huidplooi met klieren die een gele, kleverige substantie afscheiden. De plooi kan uitgestulpt worden waarbij een kam van witte lange haren waaiervormig omhoog komt.
Leefgebied
De natuurlijke leefomgeving van de springbok is de droge binnenlanden van Zuid-Afrika, van welk land het ook het nationale dier is.
Voedsel
Springbokken zijn herkauwers en eten allerlei plantaardig voedsel. Ze eten vooral grassen, maar ook kruiden en bladeren van struiken gaan er goed in. Het hangt van het seizoen af wat ze precies eten. Herkauwers hebben het voordeel dat ze snel kunnen eten en later alles verteren. Ze hebben ook minder voedsel nodig. Doordat ze het eten twee keer kauwen, halen ze er meer voedingsstoffen uit. Als er niet genoeg voedsel is in het droge seizoen, trekken ze naar gebieden waar meer voedsel is. Ze hebben niet zoveel water nodig, want ze kunnen veel water uit het eten halen. Zo graven ze wortels en knollen uit de grond. Hierin zit namelijk water.
Voortplanting
Springbokken kunnen het hele jaar door jongen krijgen. Het kalf wordt na ongeveer zes maanden geboren. De korte draagtijd heeft als voordeel dat ze twee maal per jaar een jong kunnen krijgen. Het kalf is geelbruin van kleur en heeft nog geen strepen op de zijkant van het lichaam. De horens beginnen na een maand te verschijnen. Moeder en jong blijven na de geboorte een aantal weken weg van de kudde. De vrouwtjes en jongen vormen samen een aparte groep. Dit worden de 'kinderkamers' genoemd.
Springen
Springbokken kunnen heel goed springen, vandaar hun naam. Ze kunnen hele grote sprongen maken. Hierbij houden ze de voorpoten en achterpoten dicht tegen elkaar aan. Ze houden de kop omlaag en de rug bol. Als er roofdieren in de buurt zijn, gaan ze heel hoog en ver springen. Ze doen dit om te laten zien dat ze fit zijn. Roofdieren pakken namelijk alleen de zwakkere en jongere dieren. Hoe hoger ze springen, hoe fitter ze lijken. Bij het springen worden de witte, lange haren die op de kont zitten omhoog gestoken. Als er één springbok gaat springen, dan gaat meestal de hele kudde dit doen. Dit springen heet pronken.
Bedreiging
Springbokken kwamen in heel zuidelijk Afrika voor. Ze leefden daar in grote kuddes. Ze vernielden veel graanvelden en gebieden van boeren. De boeren vonden dt niet leuk en gingen op ze jagen. Nu leven ze alleen nog in een klein deel van Zuid-Afrika. Ook in Botswana leven kleine kuddes die beschermd worden door de mens. Alleen in Namibië komen nog wilde kuddes voor. In deze kuddes leven ongeveer honderd dieren en dat is niet veel!