Als zoogdier met een snavel is het vogelbekdier onmiskenbaar. Ook zijn manier van voortplanten is eigenaardig: het vogelbekdier legt eieren. Het is een echt waterdier. Hij brengt een groot deel van zijn tijd onder water door en vindt zijn prooi op de tast met zijn gevoelige snavel. De mannetjes hebben bij elke achterpoot een giftige stekel, wat ook uniek is voor een zoogdier.
Leefgebied
Het vogelbekdier komt voor in het Oosten van Australië en Tasmani. Hij woont in holen die hij graaft, in oevers van rivieren of meren. De tunnels liggen steeds boven het waterspiegel. Het graven is een merkwaardig fenomeen, al zijn poten hebben zwemvliezen, die voorbij zijn tenen reiken waardoor hij onder water enorm snel vooruit komt. Uiteraard is dit op het land vrij ongemakkelijk, maar hij kan zijn vliezen vouwen onder zijn poten, waardoor de klauwen vrijkomen om zo te kunnen graven.
Voedsel
Een vogelbekdier is een vraatzuchtig dier. Om dit aan te tonen, moet je jezelf maar eens inbeelden, dat je in één nacht zoveel eten wegwerkt, als je zelf weegt! Hij voedt zich voornamelijk met dierlijk voedsel, waardoor hij één van de best doorvoede diersoorten ter wereld is. Behalve wormen en kikkers, eten ze ook kreeftjes, garnalen, kikkerdril, waterinsekten, waterslakken, enz. Een vogelbekdier gaat op zoek naar zijn prooi, gebruikmakend van zijn neus en snavel. Zijn oren en ogen zijn dan volledig dicht. Hij vroet meestal op de rivierbodem, gebruikmakend van zijn vreemde snavel. Die lange, merkwaardige 'neus' is bekleed met een zacht, onbehaard, leerachtig vel, waarin vele zenuwuiteinden uitmonden. Omdat hij geen adem onder water kan halen, moet hij zeer snel zijn met het vroeten. Elke minuut komt ie boven water voor verse lucht. Hij propt zijn prooi in de wangzakken. Boven water gekomen, rust ie dan even, om daarna alles op te eten. Hij heeft geen tanden hij gebruikt zijn benige richels in zijn bek. Het jagen zelf neemt een uurtje 's morgens en een uurtje 's avonds in beslag.
Voortplanting
In de paartijd slapen mannetje en vrouwtje apart: het vrouwtje nestelt zich in een privé-hol, waar ze zal baren en haar jongen zal grootbrengen. De eieren, die ze legt, mogen niet uitdrogen. Daarom is het belangrijk dat er natte bladeren worden aangebracht, om de eieren mee te bedekken. Om zich te beschermen tegen eventuele 'rovers', maakt ze verschillende barrières in de tunnel naar haar hol. Ze maakt om elke meter een aardwal, van zo'n 15 cm hoog, die ze stevig aanklopt met haar staart. Wanneer er een indringer is, zal ie op de eerste afscheiding stuiten en die proberen te doorbreken, maar na enkele afscheidingen laat ie de moed zakken en druipt dan af. Een tunnel kan wel 33 meter lang kan zijn! Een vogelbekdier legt meestal 2 à 3 eieren, die rubberachtig aanvoelen, net zoals bij reptielen. Die worden warm gehouden door het wollige lijf van het vrouwtje. Als de eieren een dag of 10 oud zijn, komen de eieren uit. Al die tijd eet het vrouwtje niet en heeft ze de opdracht om het hol vochtig te houden, wat niet gemakkelijk is. Een pasgeboren jong is uiteindelijk niet veel groter dan de nagel van je vinger. De kleintjes beginnen al gauw de melk op te likken, die uit de vacht komt. Een vogelbekdier heeft namelijk geen tepels: de melk komt dus gewoon uit de poriën. Na 16 weken kunnen ze zwemmen en zelf op zoek gaan naar voedsel. De moeder zal hen echter toch nog zes weken zogen, omdat ook voor deze zwemmers alle begin moeilijk is, om meteen voedsel te vangen.