Op onze planeet zwemmen zo'n 20 000 vissoorten. Slechts 120 daarvan zijn terug te vinden ten zuiden van de Antarctische Convergentie. De vissen in het zuidpoolgebied zijn goed aangepast aan hun omgeving, het koudste water ter wereld. Ze leven in een onderkoelingstoestand waarbij de temperatuur van hun lichaamsvloeistoffen lager ligt dan het normale vriespunt. Dit is mogelijk doordat ze antivries in hun bloed aanmaken. Op die manier voorkomen ze dat er zich ijskristallen in het bloed vormen. IJsvissen hebben geen rode bloedlichaampjes. Daardoor kan het bloed minder zuurstof opnemen. Dit compenseren de vissen dan weer door hun dubbel zo groot hart dat bovendien ook nog sneller slaat. Omdat hun aders veel groter zijn dan normaal, kost het de ijsvissen minder energie om hun bloedsomloop op gang te houden dan bij vissen met rood bloed.
De meeste vissen behoren tot de suborde van de antarctische vissen. Die is opgesplitst in vier families: de antarctische kabeljauwen of eigenlijke antarctische vissen, de antarctische plundervissen, de antarctische draakvissen en de ijsvissen (foto). Het zijn over het algemeen kleine vissen die niet langer worden dan vijftig centimeter. Ze hebben rugstekels en grote, beenachtige borstvinnen die ze uitspreiden om op de zeebodem te rusten. Er is maar een soort die het ganse jaar door aan het wateroppervlak leeft en dat is de antarctische zilvervis.
Een klein, halfdoorzichtig garnaalachtig diertje speelt een grote rol in het zuidpoolgebied: het Antarctische krill. Walvissen, robben, pinguïns en zeevogels kunnen maar overleven door zich te goed te doen aan deze diertjes. Krill is met andere woorden de hoeksteen van de ecologie in Antarctica. Er bestaan meer dan 80 soorten Antarctische krill. De diertjes worden niet langer dan vijf centimeter. Tijdens de zomer komen ze soms met miljarden soortgenoten samen. Van geen enkel dier op aarde bestaan er meer exemplaren. Alle krillkreeftjes samen wegen meer dan alle mensen van de wereld.