OUDVADERS

Communities

ZeelandNet

OUDVADERS

"En hun werken volgen met hen"

1.050 bezoekers 2 leden Log in

Welkom op deze website

Wolk van Getuigen rondom ons, en ze spreken nog, nadat ze gestorven zijn.

En dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
Want een iegelijk die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.
Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

Uitspraken van onze 'vaderen'

Augustinus: 
  • O, wat gelukkig dat ik in Adam gevallen ben, ik die in Christus gelukkiger weer ben opgestaan!
  • Een vriend is iemand die alles van je weet en toch van je houdt.
  • Geef wat Gij gebiedt, en gebiedt wat Gij wilt, en Gij zult niet tevergeefs gebieden.
  • Als hier geen zonde werd bestraft, zou men niet aan het Godsbestel geloven; aan de andere kant, als elke zonde hier openlijk werd bestraft, dan viel hierna geen oordeel te verwachten.
  • Geloof is aannemen wat wij niet zien, en de beloning voor geloof is zien wat wij aannemen.
  • Heere! geef dat Ik U en mijzelven ken.
  • Dat wij onze ogen wel open doen, om het licht te zien: Maar dat de ogen des verstands gesloten blijven, zo zij van God niet geopend worden.
  • Men koopt het Koninkrijk der Hemelen met armoede; de blijdschap, met droefenis; de rust, met moeite; de eerlijkheid, met schande; en het leven, met de dood.
  • Dat niet de pijn, nog de dood, maar de oorzaak den Martelaar maakt.
  • Als het gemoed iets heeft, daar het zich uitterlijk mede vermaakt, zo blijft het innerlijke zonder vermaak.
  • Het is niet uit genade op enigerlei manier, zo het niet uit genade is op alle manieren.
Basilius:
  • De Schriftuur is een Hemelse Apotheek, waarin een iegelijk zodanige medicament kan bekomen, als met zijn ziekte overeenkomt.
  • God heeft de mensen door Zijn voorzienigheid twee kronen toebereid: de armen de kroon der lijdzaamheid, en de rijken de kroon der weldadigheid.
Staupitz:
  • Ik heb God meer dan duizend maal plechtig beloofd dat ik vroom zou worden, maar nooit heb ik mijn belofte gehouden.
Aristoteles:
  • Gelijk de gezondheid de bewaring van het lichaam is; zo is de geleerdheid de bescherming van de ziel.
Hiëronymus:
  • Niets, zegt hij, maakt mijn hart verdrietiger dan dat niets mijn hart verdrietig kan maken.
  • Dat leedwezen de Zonde zo haast op de hielen volgt als zij begaan is.
  • Daar is geen oprechte trouw of genegenheid tussen degene die van verschillende geloof en religie zijn.
Luther:
  • Nolo Deum absolutum; Ik wil niet van doen hebben met een absolute God; dat is: met een God buiten Christus.
  • Ik zie iets wat de heilige Augustinus niet heeft gezien, en degenen die na mij komen, zullen zien wat ik niet zie.
  • De mens is dwaas en onverftandig tot zijn veertig jaren; daarna verstaande dat hij dwaas is, zo is zijn leven haast geeindigd.
Bernardus:
  • Hoe verachtelijker Hij voor mij werd gemaakt, des te dierbaarder zal Hij voor mij zijn.
Gregorius:
  • Wat baat het, dat alle mensen u prijzen, als u de conscientie beschuldigd? En wat zal 't u schaden, dat alle mensen kwaad van u spreken, zo u de conscientie ontschuldigd?
  • Dat degene die geduldig en lankmoedig zijn, ook meest wijs zijn.
Diversen:
  • De meeste moeite die een mens heeft, is niet om te hebben hetgeen hij behoefd; maar om te verkrijgen hetgeen hij begeerd.
  • God is het alleen Die niet oud word; maar alle andere dingen worden overwonnen door de tijd.
  • Eer en rijkdom, zonder Wijsheid, zijn zeer onzekere bezittingen.
  • Ik heb heel mijn leven doorgebracht met wijze mensen; doch, ik heb nooit enig ding bevonden, wat nuttiger is, dan stilzwijgen.

John Bunyan 'Komst en Welkomst tot Jezus Christus'

WAT HET IS TOT CHRISTUS TE KOMEN.

Eerstelijk wilde ik u aantonen ‘wat het is tot Christus te komen’. Dit woord ‘komen’ moet geestelijk, niet vleselijk verstaan worden, want velen kwamen vleselijk of lichamelijk tot Hem, en van Hem geen zaligend voordeel genoten, Het komen derhalve, in den tekst bedoeld, moet opgevat worden als een komen van den geest tot Hem, ja, als het uitgaan van het hart naar Hem. Ik zeg, het hart moet tot Hem uitgaan, ontstaande uit een diep gevoel van de volstrekte behoefte, welke een mens heeft aan Hem tot zijne rechtvaardigmaking en zaligheid.

Deze beschrijving van het komen tot Christus verdeelt zichzelf in twee hoofddelen:

  • Ten eerste. Dat het komen tot Christus is een uitgaan van het hart naar Hem.
  • Ten tweede. Dat dit komen ene beweging des geestes is naar hem toe, ontstaande uit een diep gevoel van de volstrekte behoefte, welk een mens aan Hem heeft, tot zijne rechtvaardigmaking en zaligheid.

Ten eerste. Wij willen eerst spreken over het eerste gedeelte: dat het komen is een beweging of uitgang des geestes naar Christus. Dit is duidelijk, omdat het hier of daar heengaan, zo het vrijwillig is, ontstaat door ene handeling van den geest of den wil, aldus is het komen tot Christus ene handeling, die door de geneigdheid van den wil ontstaat. ‘Uw volk zal gewillig zijn’. Psalm 110:3.

Deze gewilligheid des harten is het, dat den geest aanzet tot een uitgaan naar of achter Hem. De kerk drukt dezen uitgang des geestes naar Christus uit, door het ontroeren harer ingewanden. ‘Mijn liefde trok zijn hand van het gat der deur, en mijne ingewanden werden ontroerd om zijnentwil’, Hooglied 5:4. ‘Mijne ingewanden’ de aandoeningen mijns geestes, mijner genegenheden, welke aandoeningen der genegenheden uitgedrukt worden, door het reikhalzend verlangen en rommelen der ingewanden, het reikhalzend of hartstochtelijk werken, het rommelen derzelve, of ook dat zij een rommelen naar Hem doen horen. Genesis 43:30, 1 Koningen 3:26. Jesaja 16:11.

Zodat dan het geroerd of geneigd worden in uw gemoed en wil naar Christus, is het komen tot Hem. Er zijn vele arme zielen, welke tot Christus komen, en die toch niet weten hoe zulks te kunnen geloven, omdat zij menen, dat het komen tot Hem een vreemde en wonderlijke zaak is, en dat is het waarlijk ook. Maar ik houd het er voor, dat zij de geneigdheid van hunnen wil, het geroerd zijn in hun gemoed en het rommelen van hun ingewanden naar Hem voorbij zien, en geloven, dat deze dingen geen wonderlijke en vreemde zaken zijn, hoewel het inderdaad een werk van het grootste wonder der wereld is, een mens te zien, dood in zonden, van den duivel bezeten, een vijand van Christus en van alle geestelijk goed, ik zeg, dat zulk een mens geroerd wordt in zijn gemoed en uitgaat naar Jezus Christus, dit is een van de grootste wonderen der wereld.

Ten tweede. Het is een geroerd zijn in zijn gemoed naar Hem, ontstaande uit een levendig gevoel van de volstrekte behoefte, welke een mens heeft aan Hem tot zijne rechtvaardigmaking en zaliging. Want waarlijk, zonder dit gevoel van zijnen verloren toestand buiten of zonder Hem, ontstaat er geen geroerd zijn of uitgaan des gemoeds naar Hem. Het gevoel dezer dingen was het, hetwelk maakte dat de drieduizend kwamen dat Saul kwam, dat de gevangenbewaarder kwam en dat in waarheid allen doet komen, die in werkelijkheid komen. Handelingen 2:8,18. De vier melaatsen, waarvan gij leest in 2 Koningen 7:3, waren ene treffende afbeelding en gelijkenis van diegenen, welke in waarheid tot Christus komen.

De honger was in die dagen zwaar in het land, er was geen brood voor het volk, en wat de levensmiddelen aangaat, die men in de stad Samaria had, namelijk dood aas en duivemest daarin konden de melaatsen niet delen, want zij waren buiten de stad geworpen. Welnu, zij zaten daar voor de poort van de stad, en de honger had hen, als ik wel zeggen kan, tot zijnen laatsten maaltijd uitgekozen, en daar zij aldus reeds half dood waren, wat denkt gij dat zij toen deden? Wel, eerst maakten zij elkaar opmerkzaam op de treurige doodskleur, welke zich op hun gelaat vertoonde, en toen besloten zij wat te doen, zeggende: Indien wij zeggen: Laat ons in de stad gaan, zo is de honger in de stad en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, dan zullen wij ook sterven. Nu dan komt, laat ons in het leger der Syriërs vallen, indien zij ons laten leven, wij zullen leven en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.’ Hier nu werkte de behoefte, de noodzakelijkheid, en deze noodzakelijkheid dreef hen uit om derwaarts te gaan, opdat zij mochten leven, terwijl zij anders nooit daarvoor zouden hebben uitgegaan. Alzo is het ook met hen die in waarheid tot Jezus komen. De dood is voor hen, zij zien hem, zij voelen hem, hij verteert hen, zal hen geheel opeten zo zij niet tot Jezus Christus komen, en daarom komen zij, ja uit noodzaak, omdat zij daartoe gedrongen worden door het gevoel, dat zij hebben van hunnen voor eeuwig verloren toestand, zo zij geen behoudenis bij Hem zoeken en vinden. Deze zijn het die komen zullen. Ja waarlijk, deze zijn het, die uitgenodigd worden om te komen: ‘Komt tot Mij, allen gij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven.’ Mattheus 11:28.

Joseph Alleine - Dienaar van het Evangelie

Gewoonlijk preekte Alleine op vijf tot zeven dagen per week. Iedere dag stond voor hem gelijk aan de zondag. Wat dat betreft zouden bij sommige mensen bepaalde beginselen moeten worden afgeleerd, meende hij in een praktische verklaring van Christus’ woord in Johannes 8:29: ‘Want Ik doe altijd wat Hem behaaglijk is’ verwoordt hij een standpunt dat mensen kunnen huldigen met betrekking tot het dienen van God alléén op zondag: Het is genoeg als we God dienen op de dag des Heeren, en we mogen al de andere dagen van de week onszelf dienen, zegt men dan. ‘Hoewel God één dag van de zeven geheel tot Zijn dienst heeft afgezonderd, en die daarom in een bijzondere zin de dag des Heeren genoemd wordt, zo moeten we toch weten dat iedere dag de Zijne is en dat Hij ons geen uur of ogenblik heeft toegewezen anders dan alleen tot Zijn dienst. Hij heeft inderdaad meer dan één soort van dienst; maar wij moeten weten dat onze gewone dagelijkse bezigheden, als zij op de juiste wijze gedaan worden, bestaan in: het dienen van de Heere Christus (Kol. 3:24). God wordt even waarachtig door u gediend in de arbeid van de werkdagen als in de rust van de sabbatdagen - als u het doet op een juiste manier en met heilige doeleinden.

Nieuws

'Evangelie'

John Flavel zegt: ‘Het is niet de godsdienst, die de wereld zo onrustig maakt, maar het zijn de wellusten die dat doen (Jak.4:1,2). Niet de godzaligheid, maar de goddeloosheid maakt dat de mensen elkaar bijten en vereten. Een van de eerste uitwerkingen van het Evangelie is, dat het beschaving brengt aan dié plaatsen waar het komt, en orde en vrede vestigt onder de mensen. Wat is het dan een grootte fout en een grootte zonden om, als godloochening ongodsdienstigheid de wereldlijke vrede hebben gebroken, te roepen dat dit de vrucht is van de godsdienst, dat dit de uitwerking is van het Evangelie! Het zou gelukkig zijn als de godsdienst in alle landen meer zou bereiken. De godsdienst is de grootste vriend in de wereld voor haar rust en voorspoed.’

John Flavel 'Geschonken Genade'

Raak meer vertrouwd met het wezen van het ware rechtvaardigmakende geloof. Een misvatting daarin heeft de noden van velen verlengd. Als u daarin niets anders verwacht dan verzekerdheid, ziet u intussen misschien gemakkelijk over het hoofd dat het rechtvaardigmakende geloof in het vertrouwen, of in het aannemen gelegen is. Een juiste en ware opvatting van het zaligmakende geloof zou veel bijdragen tot het herstel van veel bekommerde zielen. blz 214.

Even terzijde: laat dit arme zielen mogen bemoedigen die beginnen te vrezen en die afgeschrikt worden omdat ze de verplichte geschiktheid missen om Christus aan te nemen en te omhelzen. Er is niets dat een mens méér geschikt maakt voor Christus dan het besef dat hij Hem niet waardig is, en dat hij alle uitnemendheid of heel het sieraad mist dat hem bij God zou aanbevelen om hem aan te nemen. blz 117.

De minste mate van zaligmakend geloof brengt de ziel in een staat van volledig en volkomen gerechtvaardigd te zijn. Immers, het geloof neemt Jezus Christus aan, en dan moet de ziel noodzakelijkerwijs in Hem en met Hem de vrije, volledige en onherroepelijke vergeving der zonde ontvangen: de minste mate van geloof ontvangt vergeving voor de grootste zonden. blz 134.

John Flavel: 'De Fontein des Levens'

'Wee, wee mij', zegt iemand, 'dat velen de heilige belijdenis van Christus maken tot een opzichtig gewaad om ijdele roem te oogsten, en dat Christus de eigen doeleinden van de mensen moet gaan dienen. Dat is het doven van een vuur met een koninklijk kleed. Als de mensen niet in een heilige zelfverloochening het lichaam der zonde kwellen en doden, zullen ze nooit martelaars voor Christus en getrouwe getuigen worden. O, als ik die afgod in mijn huis, mijzelf, mijn "ik", mijn eigen verstand, wil, eer en gemak de baas zou worden, wat zou ik gezegend zijn! O, maar het is nodig voor ons dat we van onszelf verlost worden, méér dan van de duivel en de wereld. U moet leren om uit uzelf uit te gaan en Christus bij u binnen te laten. Het zou voor mij een aangename ruil zijn, en mij nieuwe dingen in plaats van oude geven, als ik mijn " ik" maar kon afschudden en Christus mijn Heere in plaats van mijzelf zou stellen, om te zeggen: Niet ik, maar Christus; niet mijn wil, maar de wil van Christus; niet mijn gemak, niet mijn lusten, niet mijn eer, maar Christus, Christus! O , die ellendige afgod, dat "ik"! Wanneer zal ik zien dat je helemaal verbannen bent, en Christus geheel en al in jouw plaats is gesteld? O, dat Christus bij mij nu eens alle plaats en ruimte had, dat al mijn oogmerken, plannen, gedachten en wensen eens naar Christus zouden varen en bij Hem landen, en niet bij mijzelf.' blz 86

Ik moet denken aan een prachtig woord van Bernardus, dat hij over de geboorte van Christus heeft gezegd. Hij zegt: 'Wat is er afschuwelijker, wat is er onwaardiger of wat verdient een strengere bestraffing dan dat een arme man Zichzelf roemt nadat hij de grote en hoge God heeft gezien, Die zo vernederd werd dat Hij een klein Kind werd? Het is een onduldbare schaamteloosheid voor een worm om te zwellen van trots nadat die de Majesteit heeft gezien die Zichzelf ontledigde; om te zien dat er Iemand is, oneindig hoog boven ons, Die Zich vernederde tot diep onder ons.' O, wat zou dit ons moeten overtuigen en beschamen! O, wat zou de geest van een christen tegengesteld moeten zijn aan hoogmoed en arrogantie! Ik ben er zeker van dat er niets is wat zo tegen de geest van Christus ingaat. Uw Heiland was nederig en zachtmoedig; Hij verloochende Zichzelf en Hij was heel meegaand van geest. Hij zag niet op het Zijne, maar op het uwe (Filipp. 2:4). Past het u om trots te zijn, zelfzuchtig en arrogant? Ik moet denken aan Hiëronymus, in zijn brief aan Pamachius, een godvrezende jonge edelman. Hij gaf hem de raad om voor de blinden tot ogen te zijn, tot voeten voor de invaliden. Ja, zegt hij, als het nodig is, zou ik willen dat u niet zou weigeren om hout te hakken en water te putten voor de gelovigen. En, zegt hij, wat is dat vergeleken bij geslagen en bespuwd te worden, bij gekroond te worden met doornen, gegeseld te worden en te sterven! Christus heeft dit alles ondergaan, en dat voor de goddelozen. blz 146.

John Brown 'Christus, de Weg, Waarheid en Leven

Indien men vraagt: welke grond hebben arme zondaars om Christus aan te vatten en Hem aan te grijpen, als zijnde van God geworden tot gerechtigheid?

Dan antwoord ik:

Dat wij Hem zo volstrekt nodig hebben is een grond, om ons te dringen, dat wij zouden gaan, en hulp en redding zoeken; wij zien dat wij verloren zijn in onszelf, en daarom staat het ons vrij elders hulp te gaan zoeken. Christus’ algenoegzame volheid, waardoor hij een rijke Middelaar is, voorzien van al wat nodig is voor onze toestand en staat, hebbende een rantsoen tot voldoening der gerechtigheid aangebracht, is een genoegzame nodiging voor ons, om naar Hem te zien om hulp, en om te wachten aan Zijn deur. Dat Hij van de Vader gesteld is, om de Middelaar des Verbonds te zijn, en in het bijzonder, om Zijn leven af te leggen tot een rantsoen voor de zonde, en dat Christus al Zijn ambten heeft opgenomen, en al de plichten van die verricht heeft, in overeenstemming met het Verbond der verlossing. Dit is een sterke bemoediging voor arme zondaars, om tot Hem te komen, omdat Hij zichzelf niet kan verloochenen, en Hij getrouw zal zijn in het uitvoeren van Zijn last. Dat de Vader Hem ons aanbiedt in het Evangelie, en dat Hij zelf ons nodigt, die vermoeid en zwaar beladen zijn, ja dat Hij dezulken roept en beveelt tot Hem te komen in Zijn eigen en in zijns Vaders naam, onder bedreiging van Zijn en zijns Vaders toorn en eeuwige ongenade. Dat Hij verder opwekt en op voorwaarden van liefde verzoekt, door vele beweegredenen ernstig aandringt, Zijn gezanten uitzendt, om de arme zondaars van Zijnentwege te bidden, dat ze met God verzoend worden, en tot Hem terugkeren, om leven en zaligheid te hebben. Ja, dat Hij de zodanigen het verwijt, die niet tot Hem willen komen, dit alles is een genoegzame grond voor een gebrekkig zondaar, om deze aanbieding aan te grijpen.

En verder, om de arme zielen aan te moedigen, om tot Hem te komen, is alles zó wel beschikt in het Evangelie, dat daarin niets voorkomt, wat in het minst een struikelblok kan zijn, of een rechtvaardige grond van verschoning, om na te laten te geloven en deze aanbieding aan te nemen; alle mogelijke tegenwerpingen zijn tegengegaan voor hen, die maar gewillig zijn. De Weg is gebaand, en alle stenen des aanstoots zijn weggenomen, zodat zij, die niet willen komen, geen verschoning kunnen voorwenden.

  • Zij kunnen de grootheid hunner zonde niet tegenwerpen. Want hoe groter hun zonden zijn, hoe meer zij iemand nodig hebben, die gezonden is om de zonde weg te nemen, en wiens bloed reinigt van alle zonden, 1 Joh. 1:7. Welk groot zondaar heeft Hij ooit geweigerd, die tot Hem kwam, en gewillig was om door Hem behouden te worden? Is er een enkel woord in het gehele Evangelie, dat grote zondaars uitsluit?
  • Zij behoeven ook hun grote onwaardigheid niet tegen te werpen. Want Hij doet alles om niet, tot eer van Zijn vrije genade; nooit heeft iemand het goede van Hem verkregen om zijn waardigheid. Want nooit had iemand enige waardigheid?
  • Zij behoeven ook niet tegen te werpen hun lang weigeren en weerstaan van vele roepingen. Want Hij zal degenen die gewillig zijn, verwelkomen, al ware het te elfder ure; die komt, Hij zal hem geenszins uitwerpen, Joh. 6:17.
  • Zij kunnen ook hun veranderlijkheid, niet tegenwerpen dat zij niet zullen blijven staan bij het verbond, maar het verbreken, en met de hond wederkeren tot het uitbraaksel. Want Christus heeft op Zich genomen, allen die tot Hem komen, daardoor te brengen; Hij zal hen opwekken ten uitersten dage, Joh. 6:40. Hij zal hen heilig en zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks Zichzelf voorstellen, Eféze 5:27. Het verbond is ten volle voorzien met beloften, om die tegenwerping te weerspreken.
  • Evenmin kunnen zij de moeilijkheid of onmogelijkheid om te geloven tegenwerpen, want dat is ook Christus’ werk; Hij is de Werkmeester en Voleinder des geloofs, Heb, 12:2. Kunnen zij zich niet met vertrouwen op Hem werpen. Nochtans, indien zij kunnen hongeren en dorsten naar Hem en uitzien naar Hem, zal Hij dat aannemen. Ziet, of, wendt u naar mij toe, zegt Hij, en wordt behouden, 45:22. Indien zij niet op Hem kunnen zien, noch naar Hem hongeren en dorsten, indien zij echter gewillig zijn, zo is alles wel. Zijn ze gewillig, dat Christus hen behouden op Zijn wijze, en geven zij zich daarom gewillig aan Hem over, en zijn ze bereidwillig en tevreden, dat Christus door Zijn Geest meer honger en een levendiger geloof in hen werke, en dat Hij het willen en het werken naar Zijn eigen welbehagen voortbrenge; het is dan goed.

Maar men zal zeggen, dat de voorwaarden, waarop Hij Zich aanbiedt, zwaar zijn.

Ik antwoord, dat ik wel toesta, dat de voorwaarden zwaar zijn voor vlees en bloed en voor de trotse ongedode natuur, maar licht, zeer redelijk en voldoende zijn de voorwaarden voor die gewillig zijn om behouden te worden, op de wijze zoals God het meest zal verheerlijkt worden. Want: enz, zie pagina 'bestanden delen'.

Joseph Alleine - De liefde van Christus

“Heere, wat is de mens”? U zegt ons dat hij stof en ijdelheid is, een worm, niets, minder dan niets. Hoe kunt U hem dan liefhebben? O, wat wonderbaarlijk! Wees hierover verbaasd, gij hemelen. Word bewogen, gij sterke grondvesten der aarde!

O broeders, ik smeek u, probeer niet Zijn liefde te beantwoorden of te vergelden — er ligt onmogelijkheid en godslastering in zo’n gedachte - maar prijs en volg haar na. Laat deze liefde u dwingen, laat deze liefde u doen handelen en u voorbereiden op het lijden. Vergeet geen liefde die het zo waard is om te gedenken, onderschat geen liefde die van zo’n onschatbare waarde is. Ik wenste wel dat u allen gevangenen van deze liefde zou zijn. Mochten de koorden van liefde u trekken tot en verbinden met uw Heiland, mochten de verschillende stromen van liefde in Hem verenigd worden. Ach, dat onze zielen zo nauwgezet waren, opdat de wateren zo ondiep voor ons zouden zijn! Hoe gering, hoe uiterst gering zou onze liefde zijn, indien Hij die niet geheel kreeg! Oneindig minder dan de glimworm vergeleken bij de zon of het atoom bij het heelal. En zouden we iets van deze liefde niet overhebben voor Hem? O, dat wij Hem mochten liefhebben met het weinige dat we bezitten, dat onze geringe krachten bezig waren voor Hem! Broeders, in dit liefhebben is geen overdaad. O, loof de Heere, gij Zijn heiligen! Hij is het waardig dat u dat doet.

Denk er slechts aan wat Zijn liefde voor u gedaan heeft en denk eraan, als u kunt, wat zij met u voorheeft. Dit is de liefde die naar u verlangde, toen geen oog medelijden had met u, liggend in uw bloed. Dit is de liefde die u opnam toen u beroofd, gewond en de dood nabij achtergelaten werd en die olie in uw wonden goot. Dit is de liefde die gratie verleende, spaarde en vergaf toen de wet u veroordeelde en het recht u overgeleverd wilde hebben. Uw zelfveroordelende gewetens beschouwden het helemaal als verloren en kwamen tot de slotsom dat er geen hoop was. Dit is de liefde, de dure liefde die u kocht uit de macht der duisternis, van het eeuwige vuur, het verterende vuur waarin u anders moest verblijven.

Herinnert u zich niet hoe hongerig u was en deze liefde u voedde, hoe naakt u was en zij u kleedde, hoe u een vreemdeling was en zij u herbergde, hoe u ziek was en zij u bezocht, hoe u in de gevangenis zat en zij u bezocht? Me dunkt, ik zie hoe de liefde zich haast om u te ontmoeten; zij valt u om de hals en kust uw lippen die het verdienen dat zij ervan walgt. Zij verblijdt zich over u en richt een feestmaal aan, een feestdag in de hemel als het ware, om u, en zij vraagt de engelen zich te verheugen. En als de vrienden zich verheugen, hoeveel te meer verheugt de Vader Zich! Want Hij zegt: “Deze Mijn zonen waren dood en zijn levend geworden, zij waren verloren en zijn gevonden.” O, liefde om onder te versmelten."

Omhoog