Welkom. Login
ik wil lid worden!

Tips om mooiere foto’s te maken

Graag geven we u wat praktische tips die je zullen helpen bij het fotograferen. We hebben ze ingedeeld op basis van het onderwerp dat je wilt fotograferen. Maar we beginnen met wat algemene tips.

Wees voorbereid

Geen grotere teleurstelling dan ergens aankomen waar je foto’s wilt maken en dan ontdekken dat je essentiële benodigdheden bent vergeten. Kijk daarom altijd na of je al het nodige bij je hebt voor je vertrekt.

Checklist Voorbereiding:
* Camera en lens
* Andere lenzen indien nodig
* Batterij (volledig opgeladen!)
* Geheugenkaart (met ruimte voor nieuwe opnames)
* Andere accessoires
* De handleiding van je camera

Ga voor je begint te fotograferen snel na of de belangrijkste instellingen goed staan. Zo voorkom je onaangename verrassingen achteraf. Denk eraan: als je tijdens het fotograferen bepaalde instellingen aanpast, is het best om ze meteen weer terug te zetten naar de normale waarde. Zo voorkom je dat bijvoorbeeld al je opnames erg korrelig zijn omdat je voor één donker shot de gevoeligheid zwaar had opgevoerd.

Checklist Instellingen
* Bestandstype (JPEG of RAW)
* Resolutie en kwaliteit (bij voorkeur Large, Best)
*Opnamestand
* ISO-gevoeligheid
* Witbalans
* Lichtmeetmethode
* Autofocusmethode
* Belichtingscompensatie

 

Binnenopnames

Het is zover: je hebt een gloednieuwe digitale reflexcamera gekocht en wil die meteen uitproberen. Laten we dus maar meteen beginnen fotograferen in de woonkamer.

Binnen is er altijd – ook als de zon schijnt – veel minder licht dan buiten. Er hangt wel wat kunstlicht (halogeenspots of gloeilampen), maar dat is lang niet zo helder als zonlicht. Dat betekent dat de gevoeligheid van je camera meteen verhoogd moet worden, bijvoorbeeld naar ISO 400.

Als het binnen zelfs te donker is voor ISO 400, kun je met een reflexcamera de gevoeligheid nog verder opdrijven, tot ISO 800 of zelfs 1600, terwijl dat doorgaans toch nog bruikbare foto’s oplevert. Je zult merken dat de beelden minder scherp en fris ogen dan foto's die je bij een lagere gevoeligheid neemt, maar als je binnen fotografeert, heb je nu eenmaal weinig keuze. De hogere gevoeligheid is nodig om bij weinig licht toch nog sluitertijden te kunnen gebruiken die geen bewegingsonscherpte opleveren. Dit is vooral belangrijk als je binnen foto’s wilt maken zonder flits.

Helaas is dat in veel omstandigheden niet mogelijk omdat zelfs de hoogste gevoeligheid niet voldoet om het weinige licht te compenseren. In dat geval zit er niets anders op dan de flitser te gebruiken. Ook wanneer je flitslicht gebruikt, kun je de gevoeligheid hoog instellen. Een hogere gevoeligheid van je camera zorgt er namelijk voor dat je flitser veel verder reikt. In plaats van alleen de persoon vlak voor de camera wordt in dat geval ook een groot deel van de kamer verlicht.

Witbalans

De witbalansinstelling zet je best op automatisch. De mix van allerlei verschillende lichtbronnen is in de meeste interieurs zo complex dat de meeste camera’s zelf het beste compromis vinden. Een mogelijk nadeel daarvan is echter dat de kleur en dus ook de sfeer van beeld tot beeld kan verschillen. Wanneer je de flitser gebruikt, kun je de witbalansinstelling het best op flitser zetten.

Sluitertijd

Binnen kies je best de sluitertijdvoorkeur en stel je je toestel in op een sluitertijd van minstens 1/30. Deze sluitertijd zorgt ervoor dat het sfeervolle licht in de kamer ook op je foto's te zien zal zijn. Zo’n relatief lange sluitertijd kan echter leiden tot bewegingsonscherpte. Wil je dat vermijden, dan moet je een sluitertijd van 1/60 of korter kiezen. Het toestel – of op zijn minst de arm waarop je steunt – laten rusten op een kast of tafel kan ook een oplossing vormen.

Invallend licht

Ben je overdag binnen foto’s aan het schieten, fotografeer dan best niet naar een raam toe. Je krijgt dan te maken met tegenlicht, wat meestal enkele kunstgrepen vereist, spotmeting of invulflitsen. Daarover zullen we het verder nog wel hebben.

Een raam kan anderzijds prachtig licht opleveren als er iemand naast staat. Dan krijg je een mooi zijdelings licht. Al dan niet in combinatie met een invulflits kan dit prachtige resultaten opleveren.

Werk je binnen met de flitser, richt die dan niet recht naar een raam of een ander reflecterend object (let bijvoorbeeld op met schilderijen of foto’s die achter glas ingelijst zitten). Op die manier kan je flits in de reflectie namelijk in beeld komen, en dat levert zelden geslaagde foto’s op. Zet een stapje opzij, zodat de hoek waaronder je flitst ten aanzien van het reflecterend object kleiner wordt.

Rode oogjes

Met de rode-ogeninstelling van de flitser vermindert de kans op rode oogjes. En dan is er nog het rode-ogenfenomeen. De ingebouwde flitser van je camera zit zo dicht bij de lens dat het licht ervan reflecteert op het netvlies van de mensen die je fotografeert. En dat licht rood op.

Om dat probleem te vermijden, hebben veel camera’s een zogenaamde rode-ogeninstelling. De camera produceert dan eerst een paar kleinere flitsjes voor de eigenlijke grote flits afgaat en de foto wordt gemaakt. Hierdoor gaat de pupil van de geportretteerde vernauwen, waardoor de kans op rode ogen vermindert. Helaas verlies je hierdoor veel kostbare tijd en spontaniteit. Het gebeurt bovendien maar al te vaak dat mensen door die “voorflitsen” stomweg hun ogen dichtknijpen, zodat ze met gesloten ogen op de foto staan. Geen ideale, maar wel een mogelijke oplossing dus.

Checklist feestjes binnen

* Gevoeligheid: ISO 400 of hoger
* Opnamestand: sluitertijdvoorkeur
* Sluitertijd: 1/30 voor veel sfeer; een kortere sluitertijd om bewegingsonscherpte te vermijden
* Bij tegenlicht: gebruik spotmeting of de invulflits

Tip

's Avonds moet je flitsen. Doet je camera dat niet vanzelf, schakel de flitser dan manueel in.

 

Buitenopnames

Tijdens de zomermaanden kom je allicht op een feestje of receptie in de buitenlucht terecht. Je hebt een degelijke camera, dus de kans is groot dat je wordt aangesproken om wat beelden te schieten. Onderschat die taak niet. Het is vaak moeilijker en vermoeiender dan je denkt.

Je moet constant rondkijken en anticiperen om goede beelden te maken, waarin zowel licht, compositie als emotie perfect zitten. Van het feest zul je weinig meepikken…

Instellingen

In de buitenlucht is er veel licht, dus kun je de gevoeligheid van je camera gerust op ISO 100 instellen. Tenminste: als het zonnetje van de partij is. Is het bewolkt, dan is een instelling op ISO 200 net iets beter. Kies in elk geval de laagst mogelijke gevoeligheid: hoe lager de ISO-waarden, hoe rijker de kleuren en hoe minder je beeld wordt verstoord door ruis.

De witbalans stel je bij zonnig weer in op het zon-pictogram, bij bewolkt weer op het wolkje en in de schaduw uiteraard in de schaduw-stand. Wanneer de weersomstandigheden voortdurend wisselen, kun je de witbalans beter op automatisch laten staan. Hou er dan wel rekening mee dat je camera raar kan doen als er opvallende kleurvlakken in beeld komen – fotografeer je bijvoorbeeld met een rood tentzeil als achtergrond, zal de camera de dominantie van dat ene kleur op een verkeerde manier proberen te compenseren, waardoor vreemde kleurzwemen je beeld om zeep helpen.

Wil je het grootste deel van wat je wil vastleggen scherp in beeld hebben, dan kies je het beste voor een belichtingsinstelling met diafragmavoorkeur. Je kiest een hoog diafragmagetal zoals f/16 en de camera zal automatisch de overeenkomstige sluitertijd bepalen voor een optimale belichting. Let echter goed op dat de sluitertijd niet langer wordt dan pakweg 1/30ste van een seconde. Bij die sluitertijd treedt namelijk snel bewegingsonscherpte op. Sommige camera’s zullen de sluitertijd knipperend weergeven als die gevaar op bewegingsonscherpte oplevert. Stel in dat geval een groter diafragma (dus een kleiner diafragmagetal) in, bijvoorbeeld f/11. Zaak is dus om de goede balans te vinden tussen een zo groot mogelijk diafragmagetal en een doenbare sluitertijd.

Scherptediepte

De scherptediepte beperken en enkel je hoofdonderwerp scherp in beeld brengen levert doorgaans echter veel mooiere foto’s op. Die persoon of dat object lijkt dan los te komen van de achtergrond en het lijkt wel of je diepte creëert in wat nochtans een tweedimensionaal beeld is.

Ook om dit effect te bereiken kies je de diafragmavoorkeur, maar nu stel je een groot diafragma (en dus een klein diafragmagetal) in. Hoe kleiner het diafragmagetal, hoe beperkter de afstand waarin je onderwerp scherp wordt weergegeven. Het kleinste diafragmagetal dat je kunt instellen is afhankelijk van je lens. Sommige lenzen hebben een grotere maximale lensopening dan andere. Ze laten meer licht door, maar zijn ook groter, zwaarder en duurder.

Heb je echter een lens waarvan de maximale lensopening niet zo groot is, dan is er nog een trucje dat kan helpen om de scherptediepte toch te beperken. Je moet namelijk zoveel mogelijk inzoomen. In de telestand van een zoomlens is de scherptediepte door bepaalde optische factoren vanzelf al veel kleiner dan wanneer je uitzoomt tot in de groothoekstand.

Om compositorische redenen is het beter om geen afleidende elementen op te nemen in de voorgrond van je beeld. Zorg dus dat je hoofdelement de voorgrond is en dat enkel de achtergrond onscherp wordt.

Door het instellen van een klein diafragmagetal zal je camera een snellere sluitertijd instellen om tot een juiste belichting te komen. De kans op bewegingsonscherpte verkleint hierdoor aanzienlijk.

Een te korte sluitertijd kan je wel parten spelen als je een invulflits wilt gebruiken. Je flitser werkt niet goed bij extreem korte sluitertijden. De flitssynchronisatietijd is de kortste tijd waarop je je flitser kunt gebruiken. In de handleiding van je camera wordt die vast wel ergens vermeld. Meestal kun je flitsen tot een sluitertijd van 1/125ste tot 1/250ste van een seconde. Is de sluitertijd te kort om de invulflits te gebruiken, maak dan het diafragma kleiner. Daardoor wordt de sluitertijd automatisch langer.

Zon en mensen

Als fotograferen eigenlijk schrijven met licht is, dan zouden de omstandigheden ideaal moeten zijn als er heel veel licht is, zoals op een mooie, zonnige namiddag. Maar daar zou je je wel een lelijk in kunnen vergissen. Mensen in volle zon fotograferen is niet zo eenvoudig als het op het eerste gezicht lijkt. Wie recht in de zon kijkt, zal bijvoorbeeld zijn ogen dichtknijpen en de vreemdste grimassen trekken. Dat kun je dus het best vermijden.

Maar ook als je onderwerp het licht in de rug heeft, zit je snel met technische probleempjes. De kans is namelijk groot dat de zon in je lens schijnt, waardoor er vreemde lichtkringen je beeld gaan verstoren. Het kan ook een lichtzweem opleveren die heel je beeld bederft. Bovendien is de kans groot dat de personen die je in beeld wou brengen volledig onderbelicht zijn. Maar met een paar simpele trucs kunnen tegenlichtopnamen soms de mooiste worden.

Fotografeer je tegen de zon in, dan kun je storende reflecties krijgen. Je vermijdt die door de zonnekap op de lens te zetten. Ten eerste: zorg ervoor dat de meegeleverde zonnekap op je lens staat. Zo voorkom je in de meeste gevallen dat de zon recht in de lens schijnt. Voldoet die zonnekap niet, gebruik dan je hand om het in de lens vallende zonlicht af te schermen. Let er natuurlijk op dat je hand niet in beeld komt!

Sommige camera's hebben een preset voor fotograferen bij tegenlicht. Wanneer je die instelt, zal je camera rekening houden met de situatie en zijn belichting automatisch compenseren.

Heeft je camera niet zo'n preset of wil je zelf meer controle, stel de camera dan in op spotmeting. Daarbij houdt het lichtmetingssysteem enkel nog rekening houden met een beperkte zone in het centrum van je beeld. Als je die zone op je onderwerp richt, zal de belichting voor dat onderwerp ideaal zijn.

Bij tegenlicht kun je ook gebruik maken van een invulflits. Daarbij laat je de flitser op de camera afgaan, ook al is er overvloedig veel licht beschikbaar. Het flitslicht verlicht namelijk de persoon die je wilt fotograferen, zodat die ondanks het tegenlicht toch goed belicht is. De invulflits stel je in via het flitsmenu van je camera. In vele gevallen levert dat schitterende resultaten op.

Valt het zonlicht schuin op iemands gelaat, dan zul je merken dat een deel van zijn gezicht erg licht is en het andere deel een donkere schaduw vertoont. Dat is niet bepaald flatterend. Ook hier kan de invulflits een mooie oplossing bieden. Wanneer je de camera in volautomatische opnamemodus gebruikt of de scènepreset voor portretfotografie kiest, zal de camera in de meeste gevallen zelf beslissen om de invulflits te activeren. Doet hij dat niet, hou dan deze tips in je achterhoofd.

Checklist feestjes in de buitenlucht

* Gevoeligheid: ISO 100 of 200
* Opnamestand: diafragmavoorkeur
* Diafragma: f/16 voor veel scherptediepte; groot diafragma voor weinig scherptediepte
* Bij tegenlicht: gebruik spotmeting of de invulflits

Tip

Laat personen niet recht in de zon kijken

 

Portretten

Met een portret wil je – daar gaan we toch vanuit – iemand op zijn best laten uitkomen. Daar bestaan een aantal handige trucs voor.

Het mooiste effect bereik je door flink in te zoomen op je model en een groot diafragma (klein diafragmagetal) te gebruiken. Als je camera hierover beschikt, gebruik dan zeker de preset-instelling voor portret. Hierdoor zal de camera opteren voor een beperkte scherpediepte, waardoor je voorgrond (de geportretteerde) scherp wordt afgebeeld en je achtergrond onscherp wordt.

Dat geeft een prachtig resultaat. Dit heeft ook als gevolg dat de camera korte sluitertijden kan gebruiken, en er dus zelden onscherpte zal ontstaan door beweging. Let erop dat je zeker een sluitertijd aanhoudt van minstens 1/60ste per seconde of korter. Heeft je camera geen portretpreset, stel dan de diafragmavoorkeur in en kies een groot diafragma, bijvoorbeeld f/11 of f/16.

Achtergrond

Zorg ervoor dat er op de achtergrond geen objecten staan die schijnbaar aan het hoofd van je model ontspruiten. Een eenvoudige, egale achtergrond zal je portret het beste laten komen. Het kan bijzonder grappig zijn als het lijkt alsof er een stuk appelboom, luchter of kerktoren uit iemands hoofd of oor groeit, maar daar blijft het dan ook bij. Het is niet het soort beeld dat je als herinnering in een fotolijst gaat stoppen, of wel?

Licht

Laat de geportretteerde best niet naar de zon kijken. Wanneer het zonlicht van opzij valt, krijg je bovendien een mooier licht.

Een portret met de zon langs achter kan ook. Je moet dan wel spotmeting gebruiken of, zioals hier, de invulflits inschakelen. Je maakt de foto best ook niet in volle zon. Anders is de kans erg groot dat je model zijn of haar ogen dichtknijpt tegen het felle licht en bovendien gekke grimassen trekt. Onder een parasol of in de schaduw haal je vaak veel betere resultaten.

Binnen krijg je vaak een heel mooi licht naast een raam waar geen direct zonlicht door valt. Schilders en fotografen kozen in de negentiende eeuw vaak studio’s met een dakraam of een groot raam dat op het noorden uitkeek. Daardoor valt geen direct zonlicht binnen; het is zogenaamd “zacht” licht dat bijvoorbeeld de huidstructuur egaal en dus flatterend weergeeft.

Prachtige portretten kun je ook maken in de schaduw van een gebouw of van een boom. Kijk wel uit dat je niet iemand vlak naast een muur plaatst met een felle kleur, want die kleur zal gereflecteerd worden op je onderwerp, wat vreemde en zelden geslaagde kleureffecten kan veroorzaken.

Beeld

Een portret hoeft niet strak rond het hoofd gekadreerd te zijn: je kunt het model ook de ruimte geven.

Laat de geportretteerde bij voorkeur een beetje schuin zitten en met het hoofd lichtjes naar boven gericht. Zo krijg je net iets meer diepte in de foto en vermijd je een weinig flatterende dubbele kin.

Natuurlijk is een spontaan portret nog altijd het mooist, maar dat vereist dat je goed kunt anticiperen. Een goed trucje om een schijnbaar spontaan portret te bekomen, is vragen of de persoon eventjes helemaal wegkijkt van de camera en vervolgens op jouw teken opnieuw recht in de lens laat staren.

De meest intrigerende portretten zijn doorgaans die waarbij de persoon recht in de lens kijkt en het gelaat zo veel mogelijk het beeld vult. Maar dat hoeft natuurlijk niet altijd.

Als je iemand van de camera laat wegkijken, laat dan wat extra ruimte in je beeld in de richting waar de persoon naartoe kijkt. Dat komt natuurlijker over dan wanneer hij of zij met het gezicht tegen de rand van het beeld plakt. Overigens hoef je je onderwerp niet altijd in het midden van het beeld te situeren. Vaak wordt een beeld stukken boeiender als dat net niet het geval is.

Instellingen

Fotografeer je buiten bij zonnig weer, dan kun je de gevoeligheid instellen op ISO 100. Er is licht genoeg, zelfs als je onderwerp in de schaduw staat. Binnen ga je naar ISO 200 of 400. De witbalans stel je in naar de omstandigheden (zon, schaduw of wolken) of op automatisch als je binnen fotografeert.

Gebruik je de zoom van je kitlens om helemaal in te zoomen. De tele zal een beperkte scherptediepte creëren en zo je portret nog meer isoleren van de achtergrond. Door een tele te gebruiken, kun je bovendien zelf op een afstand van je onderwerp gaan staan, waardoor die zich vaak rustiger zal voelen dan wanneer je heel dicht bij hem of haar staat.

Ben je van plan om heel veel portretten te maken, dan kun je overwegen of je daar niet beter een special lens voor koopt. Een korte telelens is het meest geschikt, bijvoorbeeld met een brandpuntsafstand tussen 70 en 135 mm in een 35-mm equivalent. Een lens met een grote diafragmaopening (klein diafragmagetal) is ideaal. Helaas zijn lenzen met een diafragma van f/2,8 of groter erg duur. Alleen een 50-mm lens met diafragma f/1,8 is vaak verrassend goedkoop.

Voor gekke effecten kun je dan weer best wél vlakbij je onderwerp gaan staan. Zoom helemaal uit (zodat de lens in de 'groothoekstand’ komt te staan), en de geportretteerde heeft plots een gigantisch hoofd in vergelijking met de rest van zijn of haar lichaam.

Checklist portret

* Gevoeligheid: ISO 100 (buiten) of 400 (binnen)
* Opnamestand: portret of diafragmavoorkeur
* Diafragma: zo groot mogelijk, voor weinig scherptediepte

Tip

Laat de geportretteerde recht in de lens kijken en vul het beeld met zijn of haar gelaat.

 

Huisdieren

Foto's maken terwijl je met je hond in het bos gaat wandelen is meestal geen probleem – als hij tenminste af en toen eens wil blijven staan.

Binnenhuis is het vaak heel wat lastiger. Honden en katten zijn vaak het meest fotogeniek als ze ergens lekker liggen te dutten. Maar de meeste huisdieren zoeken daarvoor een warm en donker hoekje in huis op, en weten een felle flits niet zo te appreciëren. Flitslicht flatteert hen ook zelden. De flitser werpt lelijke schaduwen, en laat hun ogen te fel oplichten en hun vacht te hard blinken. Wil je dus een mooi portret van je favoriete huisdier, maak dan een gezellig hoekje dichtbij een raam, zodat ze mooi in het licht baden. Kies een raam zonder al te fel binnenvallend zonlicht, want dat maakt het alleen maar moeilijker.

Uitzoomen

Bij dieren kun je de mafste beelden maken als je helemaal uitzoomt – dus de groothoekstand van de lens gebruikt – en dan erg kort op hun snuit gaat zitten. De macrostand van je camera (meestal te herkennen aan het bloempictogram) is ook een leuke optie. Minoes krijgt plots een kanjer van een neus, waar ergens op de achtergrond nog wat pootjes aan bengelen.

Door het groot diafragma is alleen het kopje van de kat scherp. Wil je het allemaal wat ernstiger, dan geldt zowat hetzelfde als voor een portret van mensen. Gebruik een groot diafragma, zodat de achtergrond onscherp wordt. Eventueel kun je ook de scènepreset voor portretten gebruiken.

De gevoeligheid zul je – afhankelijk van de lichtomstandigheden – moeten instellen op ISO 200 of 400. De witbalans stel je voor binnenopnamen best in op automatisch. Wanneer je vlakbij een raam fotografeert, kan de instelling voor zonlicht, bewolkt, of schaduw eventueel ook prima resultaten opleveren.

Actie

Wil je foto's van de beestjes in volle actie, dan wordt het ingewikkelder. Als je hun beweging wilt bevriezen, zul je een korte sluitertijd nodig hebben. Als je de camera in de scènepreset voor sport zet, zal hij automatisch voor de kortst mogelijke sluitertijd kiezen. Dit kan echter alleen maar als er voldoende licht voorradig is.

Maar je kunt ook de artistieke toer opgaan en met iets langere sluitertijden experimenteren. Stel daarvoor je camera in op de sluitertijdvoorkeur en kies een sluitertijd van 1/4de of zelfs 1/2de seconde. Hierbij is het van essentieel belang dat je mooi de beweging van het dier volgt met je camera op het moment dat je afdrukt. Blijf de ontspanknop ingedrukt houden en de beweging exact volgen tot je zeker bent dat de opname gemaakt is. De foto zal dan een mooie illusie van beweging weergeven. Dit lukt zelden van bij de eerste poging en wellicht is er wel enige oefening vereist, maar als het lukt, zul je best tevreden zijn over het resultaat.

Checklist huisdieren

* Gevoeligheid: ISO 200 of 400
* Opnamestand: portret of diafragmavoorkeur
* Diafragma: zo groot mogelijk, voor weinig scherptediepte
* Voor actiefoto's: preset Sport

Tip

Laat je huisdier in het binnenvallende licht aan een raam liggen.

 

Strand en sneeuw

Fotograferen in extreme omstandigheden, zoals in de sneeuw of op het strand, is niet altijd even eenvoudig. Als het weer goed is, ziet sneeuw er extreem wit uit en ook de meeste stranden zijn helder van kleur. Het zou fijn zijn als ze er op je beelden even stralend uitzagen.

Maar als je je camera instelt op automatische belichting en je beeld zich hoofdzakelijk vult met witte vlakken, zal je toestel die overdaad aan licht willen compenseren. Maar daardoor worden de witte vlakken op je foto helaas grijs. Dat willen we niet, en dus moeten we ingrijpen.

Sommige camera's hebben een speciale preset voor dergelijke situaties, die – jawel – 'strand' of 'sneeuw' heet. Die kan de klus vaak klaren. Heeft je camera die preset niet, dan ga je als volgt te werk.

Overbelichten

De foto links is onderbelicht: door het vele licht in de sneeuw is de lichtmeter van de camera misleid. Door een positieve belichtingscompensatie in te stellen, wordt de sneeuw weer wit.

De gevoeligheid stel je in op ISO 100, de witbalans op zonlicht. Stel de camera in op sluitertijdvoorkeur en kies een sluitertijd van 1/250ste. Vervolgens schakel je de belichtingscompensatie in en kies je hierin voor +2. De camera zal nu viermaal zoveel licht toelaten dan bij de automatische lichtmeting, met als gevolg dat de sneeuw er nu opnieuw stralend wit uitziet.

Bevat je landschap naast sneeuw ook donkere delen, zoals bomen of rotsen, dan is het raadzamer om de belichtingscompensatie op +1 in te stellen. Je kunt de opname op het lcd-schermpje van je camera en eventueel de histogramfunctie gebruiken om te zien of de belichting goed zit.

Vergeet niet de belichtingscompensatie terug op nul te zetten of uit te schakelen nadat je met deze opname klaar bent. Anders zullen al je opnamen vanaf dat moment overbelicht zijn.

Op de meeste toestellen kun je in de sneeuw vertrouwen op de automatische witbalansregeling. Toch kan het geen kwaad om de witbalans eens in te stellen voor zonnig of bewolkt weer als dat het geval is. Wanneer je ergens in de schaduw fotografeert, zul je merken dat alles erg blauw wordt wanneer je de automatische witbalans gebruikt. In dat geval stel je de witbalans best in voor schaduw.

Meer licht

Verder duiken ook hier enkele basisregeltjes op. Vermijd om tegen de zon in te fotograferen, of iemand pal in de zon te laten kijken. Op het strand en in de sneeuw is er sowieso ontzettend veel licht: de weerkaatsing van de zon op het zeewater en op het heldere zand of op de sneeuw zelf. Zoek bij voorkeur een standpunt uit waarbij je onderwerp ongeveer onder een hoek van 45° wordt belicht.

Door de invulflits wordt de scène goed belicht, ondanks het felle tegenlicht. De reflectie van het zand en de sneeuw is meestal zo groot dat de zelfs schaduwpartijen worden verzacht. Je kunt nog altijd een invulflits gebruiken, maar het is meestal niet noodzakelijk.

Plaats de horizon

Denk er aan het strand ook eens aan iemand te fotograferen terwijl die in de schaduw van een parasol, zonnetent of windzeil zit. Dat levert mooie resultaten op. En uiteraard wil je ook eens een beeld van iemand met de blauwe zee op de achtergrond. Zet de horizon dan niet in het midden van je foto, want dat geeft een saaie indruk. De horizon wat lager in beeld geeft een sterker gevoel van weidsheid. Kijk wel uit dat je onderwerp binnen je beeld groot wordt weergegeven. Zoniet krijg je een blauwe lucht met mooie wolkenformaties te zien, maar helaas met een onderwerp dat er te donker uitziet.

Een landschapsfoto is altijd boeiender als je de horizon niet in het midden van je beeld legt, maar een verdeling maakt van 1/3de lucht en 2/3de landschap, of andersom. Zet in elk geval je flitser uit wanneer je landschappen fotografeert. Zeker het licht van een ingebouwde flitser reikt maar een paar meter ver.

Actie in de sneeuw

Als je actie wilt vastleggen in de sneeuw, wacht dan tot je slachtoffer dichtbij is. Anders zou het resultaat wel eens een groot wit vlak met daarop een onnozel stipje kunnen zijn. Hoe meer er van je onderwerp in beeld is, hoe beter de belichting zal zijn. Zet je onderwerp ook niet pal in het midden van de foto. Het is veel fraaier als je wat meer ruimte voor je onderwerp voorziet, liefst in de richting waar het naartoe glijdt, loopt, valt, rolt, struikelt…

De truc is om je in een soort hinderlaag te leggen. Je zoekt een plek uit waar je denkt een mooi beeld te kunnen schieten. Je neemt de plek waar hij of zij zo meteen zal voorbij komen al in beeld en drukt de ontspanner half in, zodat de camera alvast scherpstelt op die plek. Je drukt precies af op het moment wanneer je sneeuwpartner zich op die plek bevindt. Om goede skifoto’s te maken van je maten, moet je dus zelf snel kunnen skiën, zodat je hen ruim voor kunt zijn.

Groepsfoto in de sneeuw

Een groepsfoto in de sneeuw, liefst met op de achtergrond een imposant berglandschap, is natuurlijk een klassieker. Je bent in dit geval snel geneigd om flink uit te zoomen, zodat de groep mooi op de foto raakt. Maar als je dat doet, zul je zien dat het achterliggend berglandschap wel erg klein wordt weergegeven. Als je een heel eind verder weg gaat staan en de hele groep in beeld brengt door juist in te zoomen, dan zal de achtergrond veel imposanter overkomen. Zorg dat je ook een beetje voorgrond in beeld neemt, maar niet te veel, want die zal meestal toch van weinig belang zijn.

Voor een groepsfoto neem je best even de tijd om verschillende opnamen te maken met variërende belichtingen. Werk in de programmastand (P) met belichtingscompensaties van +1 tot +1,5. Je kunt ook de belichtingscompensatie uitschakelen en werken in de tegenlichtmodus. Spotmeting is in dit geval geen goede oplossing, want als je enkel op de groep het licht meet, zal de sneeuw ervoor en ernaast fel overbelicht zijn.

Sneeuwportret

Een portret maken in de sneeuw of aan het strand is niet bijzonder moeilijk qua belichting. Het licht komt een beetje van overal door de weerkaatsing ervan op al die lichte oppervlakken. Voor een goede belichting zet je de camera best op spotmeting.

Als de geportretteerde een zonnebril draagt, let er dan op dat je de huid gebruikt voor de spotmeting en niet die zonnebril. Vragen om die bril af te zetten heeft geen zin, want door de enorme hoeveelheid licht is het toch haast onmogelijk om de ogen open te houden.

Met de weerspiegeling in de bril kun je overigens misschien wat spelen. Je kunt bijvoorbeeld een foto maken waarin je zelf te zien bent terwijl je de foto maakt, of een foto waarin de omgeving weerspiegeld wordt.

Opgelet

Kijk uit voor de grootste vijanden van je camera: zand en water. Een duik in het water of een sneeuwbal kunnen je camerapret definitief bederven. Verander ook nooit een geheugenkaart terwijl je op het strand zit. Als het echt moet, doe het dan staand of goed beschut. Eén korreltje zand kan namelijk voldoende zijn om je geheugenkaart of de aansluiting in je camera te beschadigen. Ook lenzen verwisselen doe je alleen als het echt niet anders kan, en dan nog heel omzichtig.

Checklist strand en sneeuw

* Gevoeligheid: ISO 100 of 200
* Opnamestand: sluitertijdvoorkeur; sluitertijd 1/250 sec
* Belichtingscompensatie +1 tot +2
* Witbalans: automatisch of preset voor zon, wolken of schaduw

Tip

Verdeel je foto horizontaal tussen 1/3de lucht en 2/3de landschap, of omgekeerd.

 

Natuur en close-up

Iedereen maakt geregeld al eens een natuuropname. Sommigen onder ons houden het niet altijd bij de klassieke weidse landschappen en wagen zich aan opnames van opvallende details. Dat lukt soms vrij aardig, maar om het soort foto's te maken waarop je als het ware de ogen van een mug kunt zien, heb je wel speciaal gereedschap nodig.

Met de kitlens die bij je camera zit, kun je dergelijke extreme macro-opnames niet maken. Macrofotografie is iets heel specifieks. Technisch gezien betekent het dat je onderwerp even groot of nog groter dan het in werkelijkheid is wordt afgebeeld op de beeldsensor. Daarvoor heb je een macrolens nodig, en die zijn behoorlijk prijzig.

Met de kitlens die bij je camera zit kun je wel close-ups maken. Dat zijn gewoon opnames van heel dichtbij. Je kunt er bloemetjes en bijtjes mee fotograferen, of kleine voorwerpen zoals schelpen, luciferdoosjes, enzovoort.

Het lastige aan dit type fotografie is de scherpstelling. Omdat je zo dicht bij je onderwerp zit, is de scherptediepte heel beperkt. Alles wat er voor of achter het punt zit dat scherp wordt weergegeven, wordt meteen al onscherp. Ook bij de minste beweging van je camera of je onderwerp wordt je beeld onscherp.

De bloemetjes en de bijtjes

Een niet onaardig beeld van een bloem of een detail daarvan kun je wel met een kitlens maken. Wanneer je buiten fotografeert, stel je camera dan in op ISO 100 en de witbalans voor zonlicht (of wolken of schaduw, naargelang de weersomstandigheden van het moment).

Als je camera scènepresets heeft, kies dan de preset voor macro (het bloemetjespictogram). Heb je geen macro-instelling op je camera, gebruik dan de tijdvoorkeur (S of Tv) en kies een relatief korte sluitertijd. Op zo’n korte afstand wordt elke beweging die je maakt namelijk sterk uitvergroot, waardoor er snel bewegingsonscherpte optreedt. Soms kun je ook op de lens zelf een macro-stand activeren, zodat de lens op korte afstanden kan scherpstellen.

Hou je lens nu heel dicht bij het onderwerp. Afhankelijk van waar het onderwerp zich bevindt, kan het soms lastig zijn om door de optische zoeker te kijken. Heeft je camera Live View, dan kun je het lcd-schermpje gebruiken om je onderwerp in beeld te nemen. Let op dat je eigen schaduw of die van je camera of lens niet op het onderwerp valt.

Je zult merken dat het scherptebereik van de camera nu heel erg klein is. Dat kan het erg lastig maken om precies scherp te stellen. Op de koop toe beginnen bloempjes of grashalmen bij de minste bries al te dansen en vallen ze zo plots buiten dat scherptebereik. Een stuk wit, grijs of zwart karton om de wind af te schermen kan in zulke omstandigheden soelaas bieden. Gebruik geen andere kleuren, want dan krijgt je object een ongewenste kleurzweem.

Ook voor dit soort onderwerpen geldt dat het licht best niet van pal achter de fotograaf komt. Het is veel mooier als het eerder zijdelings op het object valt. Dat geeft meer diepte en wat schaduw, waardoor je beeld veel “spannender” wordt. In tegenstelling tot veel andere foto’s kunnen opnamen van planten bovendien erg mooie effecten opleveren in tegenlicht. Proberen maar!

Checklist close-up

* Gevoeligheid: ISO 100 of 200
* Opnamestand: preset Macro, of sluitertijdvoorkeur
* Witbalans: preset voor zon, wolken of schaduw

Tip

Scherm wat je wilt fotograferen af met een stuk wit, grijs of zwart karton.

 

In de dierentuin

Een bezoekje aan de dierentuin is uiteraard ook een geweldige gelegenheid om unieke foto’s te maken. Voor buitenopnames kun je de tips voor Feestjes in de buitenlucht gebruiken. Omdat je meestal redelijk ver van de dieren zult staan, heb je wel een telelens nodig.

Voor de meeste merken vind je gemakkelijk een betaalbare zoomlens met een bereik van 70 tot 300 mm. Daarmee kom je – letterlijk – al een heel eind. De dieren liggen in de zoo meestal te suffen, dus supersnelle sluitertijden heb je niet nodig. Er is toch geen actie om te bevriezen. Hou er wel rekening mee dat een lange sluitertijd in combinatie met een lange brandpuntsafstand de kans op bewegingsonscherpte vergroot. Probeer de camera daarom op een vaste ondergrond, zoals een muurtje of hekje, te plaatsen en gebruik zeker de beeldstabilisator als je camera of lens die heeft.

Een ander probleem vormen de alomtegenwoordige tralies. Je camera heeft snel de neiging om net daarop scherp te stellen en niet op het imposante gevaarte dat erachter huist. Soms lukt het wel als je de camera wat naar links of rechts beweegt. Een andere oplossing is manueel scherpstellen, maar dat vergt oefening.

Wees altijd voorzichtig en steek je camera nooit tussen de tralies door. Ook al zien de zoobewoners er suf uit, het blijven wilde dieren. Die vingertjes die de camera bedienen zouden er wel eens al te uitnodigend kunnen uitzien.

Dieren binnen

Dieren die binnen wonen, zijn wat lastiger te fotograferen. Het grootste probleem waarmee je te maken krijgt, is het glas. Door glas heen fotograferen is niet evident. Glas weerkaatst zowat alles, waaronder flitslicht. De flitser kun je dus niet gebruiken. Dat betekent dat je het moet doen met het aanwezige licht, en laat er nu in aquaria of terraria doorgaans bijzonder weinig licht voorhanden zijn. Je zult dus de gevoeligheid op minimaal ISO 400 moeten instellen. Je kunt ook een nog hogere ISO-waarde uitproberen, maar dat zal de beeldkwaliteit niet ten goede komen

Je kunt best de programmastand (P) gebruiken, zodat de camera de juiste belichting zelf instelt. Ook hier vormen lange sluitertijden geen probleem – de dieren liggen meestal toch doodstil. Pas wel op voor bewegingsonscherpte omdat je de camera niet goed stilhoudt. Als het enigszins kan, plaats je camera dan op een vaste ondergrond met de lens pal tegen het glas. Op die manier vermijd je niet alleen de meeste reflecties, maar stabiliseer je ook je camera enisgzins, waardoor de kans op bewegingsonscherpte verkleint.

Voor de witbalans zul je in dit geval moeten vertrouwen op de automatische witbalans van je camera. Als de kooien langs boven door daglicht worden verlicht, kun je de juiste preset (zon, schaduw, wolken) gebruiken.

Checklist dierentuin buiten

* Gevoeligheid: ISO 100 of 200
* Opnamestand: programmastand
* Witbalans: automatisch of preset voor zon, wolken of schaduw
* Lens: zoomlens 70-300mm

Checklist dierentuin binnen

* Gevoeligheid: ISO 400 of hoger
* Opnamestand: programmastand
* Witbalans: automatisch of preset voor zon, wolken of schaduw

Tip

Zet je camera op een muurtje of hek om bewegingsonscherpte te vermijden

 

Citytrips

Tijdens een stadsbezoek maak je de meest uiteenlopende soorten beelden. Ideaal dus om eens alle opties van je nieuwe camera ten volle te benutten.

We beginnen met een heel praktische tip: boek in een hotel in het oostelijk deel van de stad. De zon komt immers op in het oosten. Wanneer je dan ‘s morgens vanuit je hotel richting centrum loopt, heb je de zon achter je. Door dat zonlicht zie je dan veel meer mooie details dan iemand die vanuit het westen komt en de zon in de ogen krijgt. Gesteld dat ze schijnt, natuurlijk…

De lichtomstandigheden en de onderwerpen die je wilt fotograferen zullen voortdurend veranderen. Daarom kun je best zoveel mogelijk aan de camera overlaten. Kiest voor de volautomatische modus (Auto) of de programmastand (P). Ook de witbalans stel je best in op automatisch.

Wil je gebouwen fotograferen, zoek dan naar zijdelings licht. Desnoods keer je later op de dag terug, wanneer het gebouw dat je wilt fotograferen zijdelings wordt verlicht. Zoek naar mooie typische details, sferen, kleuren, en vergeet zeker ook de aanwezige mensen niet.

De grote contrasten tussen licht en schaduw durven de stadsfotograaf wel eens parten spelen. Onze ogen passen zich aan dergelijke verschillen snel aan, maar op de foto worden die zogenaamde schaduwpartijen heel donker weergegeven. En de lichte gedeeltes worden overdreven licht wanneer je ze samen met donkere vlakken in beeld brengt. Je kunt voor je lichtmeting daarom een spotmeting overwegen op een licht gedeelte en vervolgens de waarden die je camera opgeeft gebruiken om je totaalbeeld te schieten. Nu zullen de schaduwpartijen nog altijd erg donker overkomen, maar de lichte delen zijn tenminste juist belicht.

Perspectief

Een van de mooie effecten die je in een foto kunt nastreven is een opvallend perspectief, en daar is een stad bij uitstek geschikt voor. Perspectieflijnen zijn er genoeg – het komt er maar op aan die zo goed mogelijk te benutten. Een interessante voorgrond is een goed begin. Maar als er te veel elementen in beeld komen, maakt je foto een rommelige indruk krijgt.

Door de perspectiefvertekening lijkt het alsof het gebouw gaat omvallen. Als je een gebouw gaat fotograferen en je er erg dicht bij staat zul je je lens helemaal moeten uitzoomen (groothoekstand) om het hele gebouw op de foto te krijgen. Daardoor krijg je een aanzienlijke perspectiefvervorming. Op het moment dat je je camera naar boven toe richt, gaan de zijmuren van een gebouw schuin naar mekaar toelopen. Dat kan een mooi effect opleveren, maar het kan ook de indruk wekken dat het gebouw op omvallen staat.

Zorg er zeker voor dat je je camera goed horizontaal houdt. In de fotohandel vind je eventueel mini-waterpasjes die op je flitsschoen passen, wat erg handig kan zijn.

Door meer in te zoomen kun je sprekende details isoleren. Door het inzoomen worden de voorgrond en achtergrond ook dichter bij mekaar gebracht, zodat de verhoudigen juister en soms mooier tot hun recht komen. Een groothoeklens doet net het tegenovergestelde; de voorgrond wordt overdreven groot weergegeven ten opzicht van de achtergrond.

Interieurs

Door de camera op een bankje te plaatsen en de zelfontspanner te gebruiken is er geen bewegingsonscherpte, ondanks de erg lange sluitertijd.

Ongetwijfeld stap je al eens een kerk of museum binnen. Voor het interieur van een groot gebouw zoals een kerk is je flitser helemaal niet toereikend. Zet die dus uit en verhoog liever de gevoeligheid van je toestel naar ISO 400 of meer. Maar zelfs dan is de kans groot dat er nog te weinig licht is om een scherpe foto te maken. Een mogelijkheid om toch een goede foto te maken is je toestel op een kerkstoel of een ander stabiele ondergrond plaatsen en dan voorzichtig af te drukken. Op deze manier kan je een sluitertijd gebruiken die flink wat bewegingsonscherpte zou opleveren als je je toestel in de hand hield.

Als je zeker wilt zijn dat je camera absoluut niet beweegt, kun je eventueel de zelfontspanner activeren, zodat je camera pas na een seconde of tien de foto maakt. Intussen kun je het toestel rustig neerzetten en hoef je het niet meer aan te raken op het moment dat de opname wordt gemaakt.

Tenslotte nog wat reistips. Vergeet niet om je batterijlader mee te nemen, en eventueel een adapter voor het lokale stroomnet. Zelfs in Europa gebruikt niet ieder land dezelfde stopcontacten. Voor langere reizen zijn extra geheugenkaartjes of een fototank ook aangewezen.

Checklist stadsbezoek

* Gevoeligheid: ISO 100 of 200
* Opnamestand: volautomatisch of programmastand
* Witbalans: automatisch
* Bij hoge contrasten tussen licht en schaduw: spotmeting op de lichte delen.

Tip

Gebruik spotmeting als de contrasten tussen licht en donker erg hoog zijn.

 

In het museum

In musea fotograferen is een heikele onderneming. Kunstwerken zijn vaak niet bestand tegen het krachtige lichtbundel van een flitser. Vooral schilderijen, aquarellen en oude documenten zijn hier erg gevoelig voor. Daarom is het in een museum meestal strikt verboden om je flitser te gebruiken. Om dezelfde reden worden veel kunstwerken tentoongesteld in ruimten met speciaal of gedempt licht.

Bovendien mag je in heel wat musea al helemaal geen foto's maken. Andere musea laten fotografie alleen toe met compactcamera's, niet met een zogezegd 'professionele' reflexcamera. En in weer andere mag je wel fotograferen, maar moet je daar extra voor betalen, of moet je betalen wanneer je een statief wilt gebruiken. Informeer dus naar wat kan en niet kan voor je je camera bovenhaalt.

Werken zonder flits betekent dat je de volautomatische opnamestand niet kunt gebruiken, want die zal de flitser willen inschakelen. Kies voor de programmastand (P). Zet je camera op een hoge gevoeligheidswaarde zoals ISO 400 of nog hogere, zoals ISO 800. Deze hogere gevoeligheden komen je beeldkwaliteit niet ten goede, maar in dit soort donkere omstandigheden heb je weinig andere keuze. Je kunt vaak moeilijk inschatten wat voor soort licht er in de tentoonstellingsruimten voorhanden zal zijn. Daarom zet je de witbalans het best op automatisch. Uiteraard kun je gerust experimenteren met andere witbalansinstellingen, zoals die voor kunstlicht of TL-licht.

Door de donkere lichtomstandigheden zal je camera lange sluitertijden nodig hebben. Het gevaar van bewegingsonscherpte ligt dus op de loer. Zoek daarom een houding waarin je stevig staat en hou net voor het afdrukken je adem in. Dat klinkt misschien gek, maar het kan echt helpen om je camera zo min mogelijk te bewegen. Je kunt ook je camera laten steunen op een bankje, of fotograferen met een statief, als dat toegelaten is, tenminste.

Wil je de foto's die je in een museum maakt gebruiken, bijvoorbeeld voor een website, hou er dan rekening mee dat de meeste kunstwerken auteursrechterlijk beschermd zijn. Dat wil zeggen dat je ze wel mag fotograferen, maar zonder toelating van de kunstenaar of zijn erfgenamen mag je die foto's niet zomaar publiceren. Ook je weblog zal worden beschouwd als een publicatie.

Checklist museum

* Gevoeligheid: ISO 400 of hoger
* Opnamestand: programmastand
* Witbalans: automatisch

Tip

Laat je camera op een bankje rusten om bewegingsonscherpte te vermijden.

 

Sport en spel

Onderwerpen die snel bewegen – zoals spelende kinderen, sporters of auto’s – zijn altijd moeilijk in beeld te krijgen. Met een reflexcamera heb je in elk geval al één voordeel: de camera reageert veel sneller dan een compactcamera.

Maar de beste manier om het probleem op te lossen is op de beweging en de actie te anticiperen. Daarvoor moet je eerst de tijd nemen om te kijken: wat gebeurt er, hoe spelen de kinderen of hoe verloopt de wedstrijd? Probeer dan te voorspellen waar de beweging naartoe zal lopen en kies door de zoeker een plek waar de persoon die je wilt fotograferen over een paar seconden zal zijn. Druk de ontspanknop half in om scherp te stellen op dat punt. Wanneer de persoon daar echt is, dan pas druk je helemaal door om de foto te maken. Je kunt ook manueel scherpstellen op dat punt. Dat vergt wat oefening.

Snelle sluiter

Meestal wil je de actie bevriezen, en daar heb je een korte sluitertijd voor nodig. Stel je camera in op de sport-preset, dan zal hij zelf korte sluitertijden gebruiken, of kies de sluitertijdvoorkeur (S/Tv). Hoe kort de sluitertijd moet zijn, hangt af van de snelheid waarmee de persoon beweegt en van de richting. Voor iemand die naar de camera toe beweegt kun je een wat langere sluitertijd aanhouden dan voor iemand die van links naar rechts (of omgekeerd) voor de camera loopt. Probeer voor spelende kinderen 1/125ste van een seconde, voor sport 1/250ste en eventueel nog korter. Tenzij je onder een stralende zon werkt of een heel lichtsterke lens hebt, zul je de gevoeligheid wellicht moeten verhogen naar ISO 400 of meer om dergelijke korte sluitertijden te gebruiken.

De witbalans kun je instellen op de preset voor zon, wolken of schaduw, naargelang van de weersomstandigheden. Maar wanneer zon en wolken elkaar snel opvolgen, of als een sportterrein voor een deel in de zon en een deel in de schaduw ligt, ben je beter af met de automatische witbalansregeling.

Om beweging te bevriezen kun je ook de flitser gebruiken. Doe dit echter niet bij sportwedstrijden: het plotse flitslicht kan de sporters afleiden en zelfs eventjes verblinden. Een flitser bevriest door zijn korte lichtpuls een beweging, maar ze vlakt tegelijk de schaduwpartijen in je beeld uit. Hierdoor krijg je minder diepte in de foto.

Zoomlenzen

Tijdens grote sportmanifestaties zie je vaak een legertje sportfotografen achter een doel of omheining staan met gigantische teleobjectieven. Het gaat hier vaak om 600 mm- of zelfs 1000 mm-lenzen met erg grote diafragmaopeningen. Dit zijn enorm dure lenzen. Maar het kan moeilijk anders. Wanneer je naast een voetbalveld staat, bevindt je onderwerp zich vaak op een grote afstand. Met de kitlens (meestal een zoomlens met een bereik 35-70 mm in de 35mm-equivalent) kun je alleen foto's maken van de actie die zich vlak bij jou afspeelt.

Als gewoon liefhebber kun je je behelpen met een minder lichtsterke lens, bijvoorbeeld een 70-300 mm-type (die werkt als een 105-450 mm-lens op een camera met een beeldsensor in het APS-formaat). De kortste brandpuntsafstanden zijn bruikbaar als de actie zich in jouw buurt afspeelt, terwijl je met 450 mm al een serieuze zoom in handen hebt.

Bij dergelijke lange brandpuntsafstanden moet je wel oppassen voor bewegingsonscherpte. De minste beweging die je zelf als fotograaf maakt wordt namelijk enorm uitvergroot. Als je met een teleobjectief werkt, moet je dus steeds met heel korte sluitertijden werken of vanop een statief. Een basisregeltje stelt dat de brandpuntsafstand van je lens overeenstemt met de langste sluitertijd die je kunt gebruiken om vanuit de hand te fotograferen. Met een 200 mm-lens fotografeer je dus best niet met langere sluitertijden dan 1/200ste. Kies in dat geval bijvoorbeeld 1/250ste of korter (1/500ste of zelfs 1/1000ste). Heeft je camera of je lens een beeldstabilisator, dan kun je iets langere sluitertijden aanhouden.

Het hoogtepunt

Bij sommige sporten kun je moeilijk anticiperen op de beweging die gaat volgen. Bij trampolinespringen kun je moeilijk scherpstellen op de lucht boven je stuiterende kinderen. In dat geval kun je proberen om de foto te maken net op het hoogste punt van de sprong. Daar hangen ze heel even stil, en als je dan snel scherpstelt en afdrukt, heb je kans op een bruikbare foto. Met een reflexcamera is dat best haalbaar.

Dezelfde truc kun je gebruiken bij sporten als basketbal en volleybal, of om de save van een voetbalkeeper te kieken. Wacht tot ze het hoogste punt van hun sprong bereikt hebben, en druk dan snel af.

Vloeiende beweging

Je hoeft de beweging niet altijd te bevriezen voor een mooi resultaat. Wanneer je een langere sluitertijd (bijvoorbeeld 1/15de) instelt via de sluitertijdvoorkeur (S/Tv), kun je de beweging ook volgen. Dit vergt enige oefening, maar het lukt uiteindelijk wel. Neem een bewegend onderwerp (bijvoorbeeld een fietser) in de zoeker en volg met de camera de beweging mee in de zoeker. Druk af en blijf de beweging volgen.

Na enkele malen proberen zul je merken dat je de fietser nog herkenbaar scherp in beeld hebt maar dat de achtergrond vaag wordt weergegeven. Hierdoor ontstaat een mooi effect dat beweging en snelheid suggereert.

Checklist Sport & spel

* Gevoeligheid: hoog genoeg voor korte sluitertijden
* Opnamestand: sport-preset of sluitertijdvoorkeur
* Sluitertijd: 1/125ste of sneller, rekening houdend met de brandpuntsafstand van telelenzen
* Witbalans: preset voor zon, wolken of schaduw, of automatisch

Tip

Anticipeer op de actie: stel scherp op een punt in de lijn van de beweging.

 

Flitsen

In de meeste digitale toestellen zit een flitser ingebouwd. Die ingebouwde lichtbronnetjes zijn soms wel eens handig, maar hebben toch aanzienlijke beperkingen.

Ze zijn om te beginnen niet erg krachtig. Aan een feestdis zal de geflitste tante aan de overkant van de tafel er nog blits uitzien, maar als je heel de familie in beeld wilt brengen door een foto te maken vanop de kop van de tafel, dan zullen de achterste familieleden wellicht in het duister achterblijven. Daar is uiteraard wel iets aan te doen. Door de gevoeligheid van je toestel te verhogen zal ook het bereik van het flitslicht vergroten. Als je de gevoeligheid instelt op ISO 400, zal ook het sfeerlicht meer aanwezig zijn in je opname.

Je moet altijd een minimale afstand tot je onderwerp respecteren, anders is het flitslicht te krachtig wordt en de persoon in beeld overbelicht. Ga echter ook niet te ver staan, want dan raakt het licht van de flitser niet tot bij je onderwerp en eindig je met een onderbelichte foto. Tussen twee en vier meter is in veel gevallen ideaal voor zo’n ingebouwde flitser.

Denk er ook om dat lichte kledij veel meer flitslicht reflecteert dan donkere kledij. Iemand in een wit kleed of hemd op de voorgrond zal dus erg hard opvallen en andere zaken op de achtergrond in het niet doen verdwijnen.

Rode-ogensyndroom

Ingebouwde flitser vormen vaak de oorzaak van het rode-ogensyndroom. In het donker vergroten onze pupillen om meer licht door te laten. Wanneer de flitser afgaat, wordt zijn licht dus grotendeels weerkaatst door de achterkant van de oogbol, die bloeddoorlopen is. En aangezien zo’n flitser dicht bij de lens van je camera zit, komt dat rode licht netjes op je beeldsensor terecht.

Om dat te vermijden hebben veel fabrikanten een rode-ogenfunctie op hun toestellen aangebracht. Bij het afdrukken zendt de flitser eerst een paar korte lichtpulsen uit, waardoor de pupillen van de geportretteerde vernauwen en het licht dus niet meer tot achter in de oogbol raakt.

Helaas verloopt op die manier al snel een seconde tussen het afdrukken en de opname zelf. Zo mis je vaak spontane momenten. Gebruik dus liever de gewone flitser en werk de rode ogen achteraf weg met een softwarepakket.

Externe flitser

Op zowat alle digitale reflexcamera’s kun je echter een externe flitser monteren, en die levert veel betere resultaten op. Zulke flitsers zijn niet alleen veel krachtiger dan hun ingebouwde tegenhangers, maar staan ook verder van de lens. Bovendien kun zo’n externe flitser doorgaans naar het plafond richten, waardoor je een indirecte verlichting creëert. Dat komt veel zachter over dan het rechtstreekse flitslicht. Doe dat echter alleen bij witte of minstens bleke plafonds die niet te hoog zijn. Bij hoge plafonds gaat er te veel licht verloren, en bij gekleurde exemplaren wordt je beeld ontsierd door de kleurzweem van het plafond.

Bij het gebruiken van een flitser moet je er ook op letten dat het licht niet wordt gereflecteerd in een venster, kader of ander blinkend oppervlak. Probeer dat soort voorwerpen op de achtergrond te mijden. Kan het niet anders, zorg er dan op zijn minst voor dat je jezelf niet kunt zien in de reflectie. Een paar stappen zijwaarts kunnen wonderen doen.

Sfeerlicht

Als je meerdere mensen tegelijk wilt fotograferen met een flitser, zorg dan dat ze eerder dicht naast elkaar staan dan achter elkaar. Zo vermijd je dat de voorste mensen overbelicht worden door het flitslicht en de achterste onderbelicht. De witbalans van je toestel kun je best op automatisch instellen of expliciet op flitslicht. Het sfeerlicht zal dan mooi zijn gouden gloed houden.

Als je je opname wat sfeervoller wilt maken, kun je de flitsbelichting combineren met een langere sluitertijd. Standaard zal een camera in automatische stand kiezen voor een sluitertijd van 1/60ste of 1/125ste wanneer de flitser wordt ingeschakeld. Het gevolg is dat het flitslicht enkel voor een goede belichting zorgt en dat nefast voor de sfeer. Stel je camera daarom maar eens in op de sluitertijdvoorkeur (S/Tv) en kies 1/30ste als sluitertijd, bijvoorbeeld in combinatie met een gevoeligheid van ISO 400. Je merkt meteen het verschil!

Checklist flitsen

* Gevoeligheid: ISO 400
* Opnamestand: automatisch of sluitertijdvoorkeur
* Witbalans: automatisch of flitslicht

Tip

Met een hogere gevoeligheid en een langere sluitertijd breng je meer sfeer in foto's met flitslicht.

bron: het nieuwsblad.be

Erik Derycke en Niklas Ottenborg


Leden Bezoekers
127 68770


Startpagina
Nieuws
Gastenboek
LedenlijstAlleen toegankelijk voor leden
Fotoalbum
Bestanden delen
Poll
Agenda
ForumAlleen toegankelijk voor leden
A001 Foto's Model Sanne
A002 Foto's Model Marijke
A003 Foto's Model Gitta
A004 Foto's Model Nadia
A005 Foto's Model Gitta
A006 Foto's Model Robinn
A007 Model Tamara
A008 Foto's Model Robinn & Jill
A009 Foto's Model Stacey
A010 Foto's Model Samantha
A011 Foto's Model Robinn
A012 Foto's model Anneke
A013 Foto's Model Stacey
A014 Foto's Model Shana
A90 Foto's Model Wendy
A91 Foto's Model Amanda
A92 Bellavisagie
Aan de slag met een digitale reflexcamera
boeken tijdschriften enz...
compositie
Cursus Digitale fotografie volgen
DIGITALEFOTOGRAFIETIPS
Experimenteren met de manuele functies van uw foto
Foto's gewist? Geen paniek.
HDR
het weer
Link naar communities van de leden
Mijn Camera
Mijn Netlog profiel
Model voor een dag
optimale weergave beeldscherm
Presentatie door Gerrit Kulik
Tips om mooiere fotos te maken
vaktermen
Verklarende woordenlijst
Wat betekenen de letters achter een objectief
Wat is een digitale reflexcamera?
Weg met de rode oogjes