fossielen pagina

  Welkom. Login.
ik wil lid worden!
Welkom op de community fossielen pagina!
Dinosaurus
Dinosaurus WAT IS EEN DINOSAURUS. Dinosaurussen waren reptielen die 235 tot 65 miljoen jaar geleden op onze aarde leefden. In de tijd dat ze hier leefden gebeurde er veel met de wereld. Bijvoorbeeld: de continenten dreven uit elkaar, het klimaat veranderde en de planten ontwikkelden zich van eenvoudige organismen tot ingewikkelde weefsels, zoals wij die nu kennen. Er waren vele soorten dinosaurussen die allemaal aangepast waren aan de veranderende omstandigheden. Ongeveer 65 miljoen jaar geleden stierven ze uit. Het opvallende aan dinosaurussen is dat een aantal soorten zeer groot waren. De grootsten waren hoger dan een huis van twee verdiepingen. De middelmatigen waren nog twee maal zo groot als een olifant. Er waren echter ook kleine soorten die niet groter waren dan 15 cm. Het voordeel van de grootte van deze dieren is dat hun lichaamstemperatuur automatisch constant blijft. Voor deze dieren is dat van groot belang. Als de temperatuur daalt, vertragen de inwendige processen. Als deze te langzaam worden, kan het dier niet meer functioneren. Een Apatosaurus (of brontosaurus) zou met een gewicht van 30 ton ongeveer 84 uur nodig hebben, om zijn lichaamstemperatuur één graad te laten stijgen of dalen. Hun formaat diende uiteraard ook als bescherming tegen aanvallers. Uiteraard waren er destijds dinosaurussen die alleen planten aten en ook dinosaurussen die op andere dieren jaagden. Elke soort had zijn eigen methoden om aan te vallen of om zich te verdedigen. Het interessante aan de dinosaurussen is dat zij hier niet alleen methoden voor ontwikkelden, maar dat de evolutie ook bij sommige soorten voor speciale wapens heeft gezorgd.

Uitrusting
Uitrusting Een goede voorbereiding is het halve werk! Dat geldt ook voor het zoeken naar fossielen. Het gereedschap dat je nodig hebt voor fossielen zoeken varieert van plek tot plek. Sommige fossielen zitten in los materiaal. Het enige wat je dan nodig hebt zijn goede ogen. In andere gevallen heb je gereedschap nodig om fossielen te vinden. Veiligheid Fossielen zoeken kan soms gevaarlijk zijn! Let dan ook op de waarschuwingen in de vindplaatsbeschrijvingen. Langs kusten moet bijvoorbeeld altijd rekening gehouden worden met de getijden. In groeves kan instortingsgevaar zijn. Als je alleen gaat zoeken, neem dan altijd een mobiele telefoon mee, zodat je iemand kan waarschuwen als dat nodig is. Let er ook op dat je voldoende drinken en een EHBO set meeneemt tijdens het fossielen zoeken. Als je zoekt in extreem hard gesteente, zet dan een veiligheidsbril op tegen rondvliegende steensplinters. Zoeken in gesteenten Om fossielen te zoeken in gesteenten heb je een hamer en een beitel nodig. Speciale geologenhamers bestaan er in twee typen. Ze zijn verkrijgbaar met een punt, of met een platte achterkant. Iedereen heeft zijn persoonlijke voorkeur. Bij de meeste ijzerwarenzaken zijn geologenhamers van de merken Estwing of Picard te bestellen. Ook bij diverse winkels met geologische spullen zijn deze te koop. Andere hamers kunnen natuurlijk ook prima voldoen. Voor hele harde gesteenten is het verstandig om een vuisthamer of moker mee te nemen. Sommige mensen gebruiken zelfs breekijzers of pikhouwelen. Gebruik een beitel met een rubberen beschermrand, zodat je niet zo snel op je vingers slaat! In heel zacht gesteente, zoals in de kalksteen in de ENCI groeve, kan soms zelfs een zaag worden gebruikt om fossielen uit te zagen. Als je een fossiel hebt uitgehakt, moet deze goed verpakt worden voor het vervoer. Voor kleine fossielen zullen gripzakjes volstaan. Grotere fossielen kun je het beste inpakken in kranten. vergeet niet om er een label bij te voegen met informatie over de vindplaats en precieze laag! Zoeken in zachte sedimenten Voor zachte sedimenten, voornamelijk uit het Paleogeen en Neogeen tijdperk, heb je niets aan een hamer en beitel. Hier kun beter een zeef en graafwerktuigen voor gebruiken. Dit geldt onder andere voor de haaientanden vindplaatsen Mill en Cadzand. Voor droog zand is een zeef met een gaasdiameter van 5 mm heel geschikt. Voor nat zand raad ik een grotere diameter aan (bijvoorbeeld 10 mm), omdat het zand anders blijft plakken aan de zeef en het zeven erg moeizaam gaat. Een handleiding voor het maken van een zeef staat op deze pagina. Om het zand uit te graven is het nodig om een schep mee te nemen om de zeef te vullen. Ook een krabber of harkje kan erg handig zijn om grindlagen los te maken. Als het sediment erg kleine fossielen bevat, is het aan te raden om een zak ongezeefd materiaal mee naar huis te nemen, en daar met water uit te wassen in een zeef met een kleine gaasdiameter (bijvoorbeeld 1 mm). Vervolgens kan met een loupe of microscoop het overgebleven residu doorzocht worden.

- Steengroeve Winterswijk
Steengroeve Winterswijk De Winterswijkse steengroeve: een unieke atractie voor Nederland Natuurliefhebbers, geïnteresseerden in geologie, mineralen en fossielen kunnen in Winterswijk volledig aan hun trekken komen. Op veel plaatsen in onze gemeente komen oude aardlagen aan of nabij het aardoppervlak voor. Vooral liefhebbers van het zoeken naar fraaie en interessante overblijfselen uit onze aardkorst krijgen in Winterswijk ruime gelegenheid. Alom bekend is de Winterswijkse Steen- en Kalkgroeve in de buurtschap Ratum in het oostelijk deel van de gemeente. Jaarlijks trekt deze groeve tussen de 2000 en 3000 bezoekers uit feitelijk heel West-Europa, in hoofdzaak natuurlijk mineralen- en fossielenverzamelaars, maar ook de in de Oost-Achterhoek verblijvende toeristen zijn welkom. Een bezoek loont voor een ieder die actief wil zijn met hamer en beitel op zoek naar een “aardschat”! Echt beroemd is de steengroeve om de mooie vondsten van allerlei sauriërs. Er zijn fraaie loopsporen gevonden van een vijftal verschillende “prehistorische reptielen” met daarbij soms een sleepspoor van de staart tussen de pootafdrukken. Het bekendste spoor uit Winterswijk is: Rhynchosauroides peabodyi, zoals het wetenschappelijk wordt genoemd. Naast sauriërsporen zijn ook een grote hoeveelheid botten, schedels en tanden van deze dieren gevonden; zelfs complete skeletten zijn bekend. Verder komen hier veel andere fossielen voor, zoals een tiental verschillende vissen; ongeveer twintig soorten schelpen (feitelijk schelpafdrukken); zeldzamer zijn enkele soorten kreeften, brachiopoden, ammonieten en slakken. De veel in de kalksteen voorkomende graaf-, kruip- en vraatsporen zijn afkomstig van onbekende ongewervelde dieren. Over de vondsten en geologische aspecten van de Winterswijkse Muschelkalkgroeve (Muschelkalk is de geologische periode) is veel gepubliceerd.In Museum Freriks aan de Groenloseweg zijn onder andere veel fossielen en mineralen van deze vindplaats tentoongesteld. Het is handig om dat eerst te bekijken en te weten hoe deze dingen eruit zien. De kalksteen moet, zoals gezegd, gespleten worden met behulp van een hamer en beitel, die uzelf dient mee te nemen. Wel is het zo, dat bepaalde lagen in de groeve meer kunnen opleveren dan andere. Deze informatie krijgt u als u deelneemt aan een geologische excursie of als u dat vraagt aan een ervaringsdeskundige, die meestal wel in de groeve aanwezig is tijdens de “Opendagen”. Over de bezoekmogelijkheden vertel ik u meer aan het eind. Dan de mineralen. Er zijn inmiddels acht verschillende mineralen uit deze groeve bekend: pyriet, markasiet, calciet, galeniet, sfaleriet, strontianiet, coelestien en gips. Met name coelestien komt onderin de groeve veel voor en dan nog wel in verschillende kleuren (blauw, rood, rose, transparant) en verschillende kristalvormen. Feitelijk is op het gebied van de fossielen uit deze 240 miljoen (!) jaar oude aardlagen nog veel meer te melden, maar op deze plaats zou dat te veel worden.

Fossielen zoeken is een leuke en leerzame hobby.
Fossielen zoeken is een leuke en leerzame hobby en is - los van brandstofkosten - niet al te kostbaar. Dit in vergelijking tot onze koopverslaafde winkelvrouwen. Vanaf onze kinderjaren met onze ouders zijn we regelmatig geconfronteerd met fossielen zoeken, hierdoor is de tik blijven hangen. Sinds 2 jaar zijn wij fanatiek onze herbore bezigheid aan het uitoefenen. Je bent er weer een dag uit naar een andere omgeving waardoor thuis de tuin niet hoeft te doen of de kindermeubeltjes te schilderen van je oudste dochtertje. Tip: koop een klusboek van doe het zelfen voor vrouwen, smijt een klauw kleingeld door de kamer en zeg dat je 's avonds waarschijnlijk niet mee eet. En je hebt een mooie dag om op pad te gaan. Wat is er nou zo leuk aan fossielen zoeken? Als eerste het oriëntatiewerk op internet (bij voorkeur binnen de tijd van je baas op het werk), vooral de belgisch franse sites geven veel informatie. Daarnaast het speuren op topografische stafkaarten. Dan de tocht naar het zuiden. Binnen een kort tijdsbestek zijn we op bestemming. Via de voorgeprogrameerde GPS gaan we alle geplande groeves af. Dan is het vaak spannend hoe de groeve eruit ziet, en wat de vondsten gaan worden. En natuurlijk proberen een mooiere en uniekere fossiel te vinden dan je maat. Ook de wijze waarop je de fossiel aantreft is een spannend moment. Als tweede aspect is het de kunst de fossiel in een zo goed mogelijke staat los te krijgen uit het gesteente, of loshalen met een stuk steen in zijn geheel. Let dan op dat de steen eromheen in verhouding staat met de aangetroffen fossiel. (daarbij komt de techniek van kappen en beitelen kijken). Soms hoor je wel eens hard Shhiiiiitttt!!!! galmen door de groeve, dan weet je dat je maat zijn trilobiet aan gort geslagen heeft, en dat is lastig, zeker omdat ze al zo zeldzaam zijn. Troostend roep je dan maar Hè vervelend Frank, Je zult vast wel een nieuwe vinden!!!! Echo, echo!!! De kunst bij het zoeken is ook om systematisch de diverse afgegraven lagen te inspecteren. Draag altijd een helm wanneer je langs rotswanden loopt, en wen aan om elke 5 seconden omhoog te kijken of er geen loshangende steen kan vallen. Blijf ook altijd bij elkaar op het zelfde afgravingsniveau in de steengroeve, want de kans is groot dat de ene persoon boven je, steenval kan veroorzaken. Wanneer we na enige tijd een emmer vol aan fossielen hebben is het leuk om eens te kijken wie wat gevonden heeft. TIP: Ga tijdens het bekijken van de fossielen geen moment van je emmer weg, want voor je het weet zijn je grootste zeeëgels verdwenen of is het vleugeltopje van die fraaie Cyrto-spirifeer gebroken. Neem voldoende verpakkingsmateriaal mee, zoals de laatste keukenrol van thuis, kranten en bussen/doosjes. Noteer waar je de fossiel gevonden hebt en in welke laag. Dit is zeker van belang wanneer je zoals ons 5 steengroeves af gaat op een dag. Een fossiel waarvan de herkomst niet bekend is verliest zijn wetenschappelijke waarde.

Fossielen vertellen het verhaal.
Fossielen vertellen het verhaal Zo'n slordige vierhonderdvijftig miljoen jaar geleden, aan het einde van het Ordovicium en in het begin van het Siluur, was het land 'woest en ledig'. Kale, nauwelijks verweerde rotsbodems, lege zand-, grind- en kleivlakten, geen begroeiing. Misschien hier en daar wat korstmos. En op natte plakken wat algen, waartussen een paar spinachtige diertjes rondscharrelden. Bij de monding van rivieren, waar het water het land geregeld overstroomde, zag het waarschijnlijk groen van de algen. Op zulke plekken heeft men b.v. in Australië de sporen van grote zeeschorpioenen gevonden, die tijdelijk het land opgingen. Verder was er niet veel te beleven op het land. Het leven speelde zich bijna helemaal in het water af. De oudste aanwijzingen voor het bestaan van echte landplanten zijn gevonden in boorkernen in Oman. Daarin zijn viertallen aan elkaar vastzittende sporen (tetraden) gevonden die in een omhullend vliesje zitten. Dat vliesje is waarschijnlijk de binnenwand van een sporangium. Onderzoek van de sporenwand wijst op verwantschap met de levermossen. De ouderdom van de laag is ongeveer 470 miljoen jaar, dat wil zeggen Midden-Ordovicium. De eerste met het blote oog zichtbare fossielen van landplanten zijn gevonden in het Midden-Siluur van Ierland. Ze zijn zo'n 425 miljoen jaar oud. Het zijn kleine vertakkinkjes van een paar centimeter lang. Pas in het allerlaatste deel van het Siluur (410 miljoen jaar geleden) wordeReconstructie van Cooksonian de fossielen van landplanten algemener en ook completer. De bekendste plant uit die tijd heet Cooksonia, zo genoemd naar Isabel Cookson, die zich intensief met het verzamelen en beschrijven van plantenfossielen heeft beziggehouden. Het plantje was enkele centimeters hoog en zag er heel simpel uit: een stengeltje dat zich enkele malen vorkvormig vertakte met bovenaan kleine bolletjes, waarin sporen gevormd werden. Sporangia dus. Geen blaadjes, geen bloemen, geen zaden. Die bestonden nog niet. En wortels heeft men van deze plant ook nooit gevonden. Waarschijnlijk werd de functie van de wortels waargenomen door horizontaal groeiende stengels, die hier en daar met wortelhaartjes aan de grond vastzaten. Maar zeker is dat niet want er zijn geen fossielen gevonden die dat aantonen. Gedurende vele miljoenen jaren was het voornamelijk dit soort plantjes dat op vochtige plekken op het land groeide. De evolutie van algen naar landplanten is een lange weg geweest. Er moest aan vele voorwaarden worden voldaan, voordat de planten het op het land konden volhouden. Zo dreigt op land natuurlijk voortdurend uitdroging. De remedie die zich daartegen ontwikkeld heeft, is een wasachtig laagje op de buitenkant van de plant: de cuticula. Algen hebben in het algemeen geen cuticula, bijna alle landplanten hebben er wel een. Maar een landplant moet ook kunnen ademhalen en hij moet koolzuurgas uit de lucht kunnen opnemen om er zijn bouwstoffen van te maken. De afsluiting door de cuticula mag dus niet absoluut zijn. Daarvoor hebben zich huidmondjes ontwikkeld, die naar behoefte geopend en gesloten kunnen worden. Cooksonia CooksoniaEen ander probleem van landplanten is dat ze de opwaartse kracht van het water moeten ontberen. Om rechtop te kunnen staan, is steunweefsel nodig. Ook al bij Cooksonia is vastgesteld er houtvaten in de stengel zaten. Dat zijn vaten met ringvormige of spiraalvormige verdikkingen op de wanden, die voor stevigheid zorgen. Door deze vaten gaat het watertransport van de bodem naar de plantencellen. Een belangrijke aanpassing aan het landleven is verder het zeer taaie laagje dat zich om de sporen heeft ontwikkeld. Daardoor werden de sporen zeer goed beschermd tegen uitdroging, schimmels, e.d. In feite werden ze bijna onkwetsbaar, want ze zijn heel vaak gefossiliseerd. Cooksonia-soorten worden op verschillende plaatsen op aarde gevonden, o.a. in Wales, Schotland, Engeland, Tsjechië en Canada. Het vinden van een tamelijk complete plant is een zeldzaamheid. Ik was dan ook heel blij met tweemaal vertakte plantje met drie sporangia van de foto. Cooksonia is ergens in het Vroeg-Devoon uitgestorven. Baragwanathia Een plant, die Cooksonia in ouderdom naar de kroon steekt, is Baragwanathia longifolia. De ouderdom van deze wolfsklauwachtige heeft tot veel discussie geleid, maar nu wordt aangenomen dat het oudste materiaal uit het Vroeg-Ludlow (vanaf 420 miljoen jaar) is. De zich regelmatig vertakkende stengels zijn 10 tot 20 cm lang en zijn bedekt met lange en smalle, naaldvormige blaadjes. Soms zijn de sporangia aanwezig en stengeldoorsnedes tonen vaatbundels zoals bij andere hogere planten. De plant is opmerkelijk hoog ontwikkeld gezien zijn ouderdom. Baragwanathia longifolia is uitsluitend bekend uit Australië. Raadselachtige planten Ten tijde van de eerste Cooksonia's heeft zich nog een heel andere groep planten ontwikkeld, die geprobeerd heeft het land te koloniseren. Het zijn planten die de wetenschappers nog steeds voor raadsels plaatsen. Het onderzoek naar de ware aard en leefwijze van deze raadselachtige planten is nog volop gaande. We zullen er drie noemen (er zijn er meer): Nematothallus, Parka en Pachytheca. Nematothallus NematothallusNematothallus-fossielen zien er uit als zwarte plakkaatjes van 0,5 tot 6 cm doorsnede. Ze hebben een onregelmatige vorm en soms zit er nog een dikke cuticula op.Van zo'n cuticula is een microscopisch preparaat te maken en dan blijkt die cuticula in een aantal gevallen een celstructuur te hebben. Omdat deze niet op de bekende manier door celdeling kan zijn ontstaan, spreekt men van een pseudo-celstructuur. Onder de cuticula bevindt zich een matje van zeer dunne draden of buisjes. De doorsnede van die buisjes varieert van 3µm tot 40µm (1µm = 1 duizendste millimeter). Ook heeft men wel sporen in de matjes aangetroffen. Nematothallus bestond dus waarschijnlijk uit een thallus van fijne draadjes (Gr. nemato = draad) dat bedekt werd door een dikke cuticula met soms een pseudo-celstructuur. Zulke planten bestaan nu niet meer, hoewel er korstmossen zijn die er in een aantal opzichten veel op lijken. Nematothallus-fossielen worden gevonden in afzettingen van het Midden-Siluur tot en met het Vroeg-Devoon. In Groot-Brittannië worden ze op verschillende plaatsen aangetroffen. Parka ParkaEen tweede raadselplant is Parka. Dit is een cirkelvormig tot onregelmatig plakkaatje dat helemaal bedekt is met ongeveer 2 mm grote platte schijfjes. Dit zijn sporangia, die per stuk ongeveer 35000 sporen bevatten. De doorsnede van de plant varieert van 0,5 tot 7 cm. Als de sporangia verdwenen zijn van de fossielen, wat vaak het geval is, blijft een soort netstructuur over. Lange tijd is de Parka aangezien voor een verzameling eieren van een of ander dier. Vooral in de omgeving van Forfar ten noorden van Dundee in Schotland komt de Parka veel voor. (klik hier voor een uitgebreide beschrijving met foto's van Parka) PachythecaDe derde nog onbegrepen plant is Pachytheca. Dit fossiel ziet er uit als een glanzend bolletje met een afmeting tussen de 1 en de 7 mm. Op doorsnede blijkt het bolletje een buitenlaag te hebben met radiaal lopende buisjes en een kern waarin de buisjes kris-kras door elkaar lopen. Lang heeft men gedacht dat de bolletjes delen waren van een grotere plant, maar men is er nu wel van overtuigd dat het complete organismen zijn. Ze worden o.m. in België en Groot-Brittannië gevonden. Ook deze plant stierf in het Vroeg-Devoon uit. Waarschijnlijk zijn deze en vergelijkbare algachtige planten te beschouwen als een evolutionair experiment om het land te koloniseren. Het lijkt erop dat het een doodlopende weg is geweest. Het is niet onwaarschijnlijk dat deze planten de toenemende concurrentie met de succesvolle hogere planten niet hebben aangekund.

Wat zijn ammonieten?
Wat zijn ammonieten? Ammonieten behoren met hun opgerolde schelp tot de fraaiste fossielen. Het zijn de resten van een uitgestorven groep inktvissen. De naam ammoniet is afgeleid van de Egyptische god Ammon, die werd voorgesteld als een ram. De vorm van de fossiele schelp lijkt dan ook op een ramshoorn. In de Middeleeuwen werden ammonieten slangenstenen genoemd. Volgens de legende had de heilige Hilda de slangen die haar plaagden in steen veranderd. Soms werd de overeenkomst met een opgerolde slang versterkt door het fossiel te verfraaien met een uitgehakte slangenkop. Het Engelse plaatsje Whitby in Yorkshire draagt drie van deze ammoniet/slangen in zijn wapen. Tegenwoordig weten we dat ammonieten de schalen zijn van een uitgestorven groep inktvissen. Net als de recente Nautilus, een tropische inktvis die leeft in het westen van de Stille Oceaan, hadden deze inktvissen een uitwendige schelp. Ammonieten zijn echter meer verwant met de pijlinktvissen. Net als deze dieren hadden ze waarschijnlijk tien armen. Gidsfossielen van het Mesozoïcum De oudste ammonieten vinden we in het Devoon (410-360 miljoen jaar geleden). De oudste soorten hebben een min of meer rechte schelp. In de loop van de evolutie zou die schelp steeds verder oprollen. In de Duitse vindplaats Hunsrück is een aantal prachtig bewaard gebleven fossielen uit het Vroege Devoon gevonden. De inktvissen van deze vindplaats laten zien dat er in die tijd een grote variatie was. Sommige soorten hadden rechte schelpen, bij andere soorten is de schelp helemaal opgerold. Allerlei tussenvormen zijn ook aanwezig. Bij typische ammonieten is de schelp spiraalvormig opgerold. Vooral in het Krijt ontstaan er veel ontrolde vormen. Er ontstaan dan allerlei merkwaardige schelpen, die weinig op typische ammonieten lijken. Ammonieten hadden hun bloeitijd in het Mesozoïcum (250-65 miljoen jaar geleden). Ze waren zo talrijk en wijdverspreid, dat de indeling van het Mesozoïcum grotendeels op ammonieten is gebaseerd. Aan het eind van de periode stierf de groep uit. Levenswijze Waarschijnlijk konden ammonieten, net als de recente Nautilus, zwemmen. De Nautilus kan drijven doordat er lucht in de kamers van zijn schelp zit. Als er gevaar dreigt, kan hij door hard water weg te spuiten, zich uit de voeten maken. Sommige soorten ammonieten hielden zich dicht bij de bodem op. Daar waren ze op zoek naar allerlei diertjes en leefden mogelijk ook van aas. In de 19de eeuw ontdekte een Duitse paleontoloog dat in vindplaatsen van ammonieten groepjes van twee soorten waren te onderscheiden. Als ze klein waren was er weinig verschil, maar de volwassen exemplaren verschilden in de vorm van de buitenste windingen. Tegenwoordig denkt men dat het hier helemaal niet om twee soorten gaat. De kleine (microconchen) en grote (macroconchen) schelpen behoren tot dezelfde soort, maar verschillen in geslacht. Waarschijnlijk zijn de microconchen de mannetjes en de macroconchen de vrouwtjes van de soort. Naturalis en ammonieten Ammonieten zijn één van de fossiele groepen waaraan de wetenschappelijke staf van Naturalis onderzoek doet. Dat onderzoek richt zich de laatste jaren vooral op de ammonieten van het Krijt van Zuid-Spanje. Die ammonieten zijn afkomstig uit gesteentepakketten ten westen van Murcia. Het wetenschappelijk onderzoek aan grote fossiele ongewervelde dieren geniet de laatste jaren steeds minder belangstelling. Men richt zich meer en meer op het onderzoek aan microfossielen. Tijdens proefboringen voor bijvoorbeeld aardolie komen duizenden microfossielen naar boven. De kans dat men een ammoniet in een boring aantreft is echter zeer klein. Microfossielen lijken dus veel nuttiger. De indeling van het Mesozoïcum is echter oorspronkelijk vastgesteld met behulp ammonieten. Daarom is het juist belangrijk dat we voldoende kennis houden over deze groep.

Wat is een fossiel
Wat is een fossiel Fossielen zijn gewoon versteende afdrukken van botten, die na miljoenen jaren worden opgegraven door paleontologen. Dit kunnen overigens ook afdrukken zijn van planten, huid, zaden e.d. Meestal zijn de botten zelf allang vergaan, maar de afdruk die het heeft achtergelaten in de bijvoorbeeld versteende klei niet. Overigens worden kleurafdrukken niet gefossiliseerd, dus weet niemand welke kleuren de dinosaurussen hadden. Hoe ontstaan fossielen Allereerst moet er een dier dood gaan, dat hoeft niet per se een dinosaurus te zijn geweest, maar kan elk dier zijn. Ook nu kunnen er zelfs fossielen ontstaan alleen kun je dat pas over een heel lange tijd zien. Als een dier dood gaat dan blijft er normaal gesproken na verloop van tijd niets meer van over. Vaak wordt het dier door andere dieren opgegeten. Denk maar eens aan gieren, maar ook andere dieren eten vlees en zelfs botten van dode dieren op. Veel van die dieren zijn erg klein, zo eten mieren en en vooral larven van vliegen veel dode dieren. Dus wil een fossiel ontstaan mogen er geen andere dieren bij kunnen komen om hem op te eten. Dit kan als een dier zeer snel wordt begraven door zand of slib (een soort zand/kleigrond dat je bij water tegenkomt zoals rivieren), of wordt bedolven onder zand in een zandstorm of zo. Veel fossielen worden dan ook gevonden bij plaatsen waar vroeger water is geweest of wat vroeger een woestijn is geweest. Een dier is dan in het water gevallen en bedekt door slib van de rivier. Het beste is als er zelfs geen zuurstof bij komt want dit versneld het verrottingsproces enorm, en zoals bekend komt er onder water veel minder (vrije) zuurstof bij dan op het land. Nog beter zijn de condities geweest in de provincie Liaonig in China bijvoorbeeld waar door natuurlijke omstandigheden er zelfs helemaal geen zuurstof in het water zat door een giftige vulkaanuitbarsting. Hier zijn de laatste jaren dan ook de bekende gevederde dinosaurussen gevonden. Zie ook 'Gevederde dino's' Zo, nu hebben we een dood dier dat begraven is met modder. Langzaam begint het vlees van het dier dan toch te verrotten, en blijven de beenderen (botten) over. Beenderen blijven veel langer bewaard dan het zachte vlees van dieren. En dan kan het twee kanten uit gaan. 1) Op den duur vergaan zelfs harde botten, maar omdat ze helemaal bedekt zijn met grond, heel veel grond want dit proces duurt heel lang, blijven er in de grond holtes over waar de botten hebben gezeten. Ongeveer zoals met kleien, als je je hand hard in de klei duwt blijft je handafdruk in de klei staan. En dan komt het, die holtes blijven niet leeg maar worden opgevuld met materiaal dat door de bodem in die afdrukken sijpelt. Dit zijn stoffen met moeilijke namen zoals calciet, zwavelijzer, kiezelaarde of zelfs opaal. Na verloop van tijd worden die stoffen kei en keihard, ze verstenen (worden steen). Dus we vinden niet de echte botten van de dieren maar versteende afdrukken van de beenderen die er wel precies zo uitzien als de echte botten. Het inwendige van de beenderen is dan niet bewaard gebleven. 2) Het kan ook zijn dat deze stoffen in de beenderen zelf doordringen en de botten zodoende verstevigen en verstenen van binnenuit, dan blijven wel de echte beenderen over maar zijn chemisch wel iets veranderd door de doorgesijpelde stoffen. Maar structuur van de botten zijn zo wel bewaard gebleven en dit type fossiel is zeer belangrijk voor de bestudering van dinosaurussen. Zo hebben paleontologen ontdekt dat theropode dinosaurussen holle beenderen hebben, dat sommige dinosaurussen altijd doorgroeiden en dat weer andere seizoensgebonden groeistops hadden. Ook is vastgesteld dat de meeste dinosaurussen zeer snel groeiden toen ze jong waren en als ze volwassen werden veel minder snel groeiden. Zo nu hebben we fossielen, maar die liggen diep onder de grond, en ons dier is in het water gevallen dus hij ligt nog onder water ook nog! Hoe kunnen we hem dan vinden? Op de eerste plaats denk ik dat de meeste fossielen ook niet eens worden gevonden maar hoe gaat het met ons fossiel? Ons dier is misschien wel 70 miljoen jaar geleden in het water gevallen, in een rivier. Nu 70 miljoen jaar later is de aarde veranderd. Die rivier bestaat niet meer, bossen zijn verdwenen en bergen zijn misschien ontstaan. Dit gaat gewoon door, ook nu nog. Er ontstaan woestijnen, door vulkaanuitbarstingen ontstaat nieuw land. Dus ons fossiel ligt nog steeds diep onder de grond, maar niet meer in het water. Door wind, of aardverschuivingen wordt er steeds iets van de bovenkant van het aardoppervlak afgehaald. Dus de fossiele beenderen komen steeds hoger, dichter bij het aardoppervlak te liggen. Dan op een dag is een paleontoloog op zoek en ziet ineens een heel klein stukje van dat fossiel boven de grond uitsteken en begint te graven. Ons fossiel is gevonden, was die paleontoloog niet hier geweest was dit fossiel misschien nooit gevonden en door hetzelfde proces als waarmee het aan de oppervlakte is gekomen vernietigd. Wind, regen en ook stromend water kunnen in duizenden jaren hele rotsblokken uitslijpen en zodoende fossielen aan het oppervlak brengen maar natuurlijk ook vernietigen. De paleontoloog moet op het goede tijdstip op de juiste plaats zijn. Je ziet het is al bijna een wonder dat een fossiel ontstaat, maar het is ook nog een wonder dat het gevonden wordt! Dit is een veel voorkomende vorm van fossilisatie (fossiel worden), er zijn er echter nog meer zoals in woestijnen door uitdroging of in ijs waar veel meer bewaard blijft of leemgroeven waar echte afdrukken (ook van bv veren bewaard blijven). WAT HEBBEN WE GEVONDEN? We hebben van de dinosaurussen alleen versteende resten en afdrukken gevonden. Deze versteende resten worden fossielen genoemd. Er moet heel veel gebeuren om een fossiel te laten ontstaan. De dinosaurus moet terecht komen in een omgeving waar zijn botten niet wegrotten. Over het algemeen gebeurt dit als het kadaver van een dode dinosaurus in het water terecht komt. Hij zakt naar de bodem, waar het tere weefsel wegrot, maar de botten behouden blijven. Later komen de botten van het dier onder de modder van de bodem te liggen. Nu kan er geen zuurstof meer bij de botten komen en zullen ze niet wegrotten. Een andere situatie waarin skeletten behouden kunnen blijven is als het dier onder een rotsverschuiving of iets dergelijks terecht komt. De botten zijn in deze situatie helaas niet heel meer terug te vinden. Een ander probleem is het vinden van de botten. Normaal gesproken liggen ze na miljoenen jaren vele meters onder de grond. Door aardverschuivingen of erosie komen soms lagen van de aardbodem omhoog die anders verborgen gebleven zouden blijven. Juist in dit soort diepere lagen zijn fossielen te vinden. Soms zijn ook fossielen te vinden op oceaan bodems die opgedroogd zijn. Evenzo belangrijk als het vinden van botten zijn voetafdrukken en afdrukken van de huid van dinosaurussen. Al deze gegevens moeten helpen bij het reconstrueren van de dieren. Aan het skelet alleen kun je natuurlijk niet zien hoe het dier er oorsponkelijk heeft uitgezien. Als de botten nauwkeurig bestudeerd worden is te zien waar de aanhechtingen van de spieren hebben gezeten. Deze worden vergeleken met de structuur van tegenwoordige levensvormen. Met behulp van deze gegevens wordt vaak in de computer een reconstructie gemaakt en wordt er als het ware een vel overheen gespannen. Aan de voetafdrukken die zijn gevonden is weer op te maken hoe de dieren zich voortbewogen en hoe snel. Uit gevonden versteende uitwerpselen is te achterhalen wat de dieren aten. Als een fossiel wordt ontdekt wordt dit altijd met de grootste zorg uitgegraven. . Meestal wordt een groot blok grond uitgegraven waar het fossiel in zit. Dit blok wordt verstevigd met gips en middels een vrachtwagen naar het laboratorium vervoerd. In dit laboratorium wordt het skelet zorgvuldig uit de rotsen gehaald. Hier is zeer veel geduld voor nodig. Bij het in elkaar zetten van het skelet worden meestal niet de originele botten gebruikt, maar afgietselen ervan. Bovendien is het zeer zelden dat een compleet skelet wordt gevonden. Meestal worden een aantal botten van verschillende skeletten gecombineerd. Soms moet men zelfs een missend bot zelf maken. Ook dit gebeurd op kennis die is opgedaan met andere skeletten. Miljoenen jaren geleden waren een Velociraptor en een Protoceratops met elkaar in gevecht geraakt beiden dieren kwamen daarbij om. Hun fossielen werden 80 miljoen jaar later teruggevonden in de Gobi woestijn. Ze lagen precies zoals ze waren dood gegaan, omstrengeld in hun dodelijke gevecht.

Een bijzonder gebit
Een bijzonder gebit Olifanten en mammoeten horen bij de slurfdieren. De steppenmammoet was het grootst: hij kon wel 4 ½ meter hoog worden. De wolharige mammoet was een stuk kleiner; hij was iets hoger dan drie meter. Alle mammoeten hadden grote slagtanden, veel groter dan die van de olifanten van tegenwoordig. Mammoeten waren net als de olifanten planteneters. Om het grote lichaam te onderhouden, moesten ze veel eten. Van al dat malen van het voedsel sleten de kiezen. Zeker in de koude periode toen de planten op de toendra's droog en vezelig waren. De mammoetkiezen waren dan ook heel bijzonder. Ze waren veel hoger dan die van olifanten, en ze bestonden uit een heleboel richels: de lamellen. De wolharige mammoet, die het droogste voedsel moest eten, had de hoogste kiezen met de meeste lamellen. slagtanden De slagtanden van een mammoet waren groter dan die van de olifanten Resten uit de ijstijd Overal waar de mammoet leefde, worden er tegenwoordig fossiele botten, kiezen of slagtanden gevonden. Ook in Nederland. In zand- en grindgroeven waar in de ijstijd rivieren stroomden, vindt men tegenwoordig mammoetbotten. Noordzeevissers vinden mammoetresten in hun vissersnetten. In het koude Siberië en Alaska zijn zelfs complete wolharige mammoeten gevonden, diepgevroren in het ijs. Ze waren met huid en haar bewaard gebleven. Het ivoor is nog steeds geliefd bij handelaren. Zij breken de slagtanden in stukken en laten er door Chinese kunstenaars beeldjes van maken. Er zijn in grotten mammoettekeningen gevonden die gemaakt zijn door de oermens. Tijdgenoten Een bekende tijdgenoot van de mammoet was het reuzenhert. Het uitgestorven hoefdier had een gewei op zijn kop met een spanwijdte van wel 3 ½ meter. Er leefden kudden bisons en steppenwisenten in die tijd, en verschillende soorten muskusossen die in groepen op de toendra graasden. Een vleeseter uit die tijd was de sabeltandtijger. Dit katachtige roofdier had vlijmscherpe hoektanden in de bovenkaak die als dolken (of sabels) buiten de bek zichtbaar waren. In de tijd van de mammoeten was ook de oermens al op aarde. In het Geologisch Museum van Artis zijn schedels te zien van mensen uit de oertijd, zoals van de Neanderthaler die ook in het tijdperk van de mammoet leefde. Er staat een skelet van een reuzenhert, er ligt een schedel van de sabeltandtijger en er is een flinke mammoetkies te bezichtigen. Uitgestorven Zo'n 12.000 jaar geleden stierf de mammoet uit. Hoe kon dat gebeuren? Misschien omdat het warmer werd op aarde. Het ijs begon te smelten, dus de zeespiegel steeg. Daardoor kwamen grote stukken land onder water te staan. De plantengroei veranderde in snel tempo, waardoor het eten van de mammoet verdween. In Polen en Rusland zijn veel woonplaatsen gevonden van mammoetjagers. Ze jaagden met speren. Ze aten het vlees, en van de huid werden tenten gemaakt. Uit de ivoren slagtanden werden beeldjes gesneden en veel botten werden gebruikt als brandstof. Veel hout was er namelijk niet te vinden op de droge toendra. Botten werden ook gebruikt om hutten te bouwen. Er zijn hutten gevonden die zijn opgetrokken uit de beenderen van wel meer dan 60 mammoeten.

Fossielen bestand.
Het fossielen bestand, Samen met 'fossielen archief' of 'fossielen kolom' een ietwat klunzige vertaling van het Engelse fossil record, is de benaming voor alle gevonden fossielen. Doordat fossielen als één van de weinige elementen in de natuur ons iets kunnen zeggen over natuurlijke historie zijn fossielen van groot belang als ondersteunend, of afwijzend bewijsmateriaal voor een leer of wetenschappelijke theorie die het ontstaan en/of ontwikkeling van het leven op aarde beschrijft. De evolutietheorie is zo'n leer en vandaar dat een groot gedeelte van deze website hieraan is gewijd. Allereerst: moeten we ons realiseren dat een uiterst klein aantal dieren en planten die in lang vervlogen tijden hebben geleefd het geluk hebben om als fossiel geconserveerd te blijven. Het aantal gevonden fossiele soorten bedraagt op dit moment zo'n 250.000, verspreid over de 1700 miljoen jaar durende natuurlijke historie. Terwijl alleen vandaag de dag al zo'n 1,5 miljoen levende soorten bekend zijn. Dit verschil wordt voornamelijk bereikt doordat kleine ongewervelde dieren zoals insecten en dergelijke in zulke kolossale aantallen en variaties leven, maar door hun kleine lijfjes en gebrek aan stevige massieve structuren een zeer kleine kans hebben om daadwerkelijk geconserveerd te worden. Grotere dieren, met sterke in -of uitwendige skeletten worden meer gevonden, en laten dikwijls ook andere sporen achter, zoals voetsporen en mest. Het fossielenbestand is hoe dan ook in het algemeen geen accurate weerspiegeling, al zijn er uitzonderlijke situaties waarin paleontologen het geluk hebben een volledig versteend prehistorisch ecosysteem terug te vinden, zoals bij vondsten nabij het Duitse Messel, het Canadese Burgess Shale en het Californische La Brea. Maar gewoonlijk zijn de gevonden fossielen slechts fragmenten van de werelden waar zij eens deel van uitmaakten. Toch mogen we niet klagen over de onvolledigheid van het fossielenbestand, daar het plaatje de afgelopen driehonderd jaar al aanmerkelijk duidelijker is geworden. Rond de tijd dat de eerste revolutionaire biologen opstonden en hun ideeën over een gemeenschappelijke oorsprong in de wereld hielpen bestond het fossielenbestand nog slechts uit wat botten van voorhistorische wezens die sporadisch over de wereld waren gevonden. Merkwaardige dieren waar niemand een touw aan kon vastknopen zoals de in Limburg gevonden Mosasaurus, de Britse Ichtyosauriërs of de reusachtige Zuid-Amerikaanse Megatherium en Toxodon. Allen waren vreemde, voorwereldse dieren, waarbij in sommige gevallen nog overeenkomsten met tegenwoordige dieren te bespeuren vielen, zo werd Megatherium al vrij snel herkend als een terrestrische luiaard, ter grote van een olifant, maar vele anderen waren volslagen onbekend en hadden voor pre-Darwiniaanse begrippen ook een zeer raadselachtige lichaamsbouw. Waarom had Ichtyosaurus, een zeereptiel, zo'n sterk visachtig lijf, waarom had God niet meteen een gewone vis geschapen? Ondanks dit soort vragen konden fossielen de schepping niet in twijfel trekken, de evolutietheorie des te meer, want hoewel er vele fossielen van uiteenlopende dieren werden gevonden, zoals dinosauriërs, mammoeten, vreemde Zuid-Amerikaanse zoogdieren, zeereptielen, vleermuisachtige vliegende reptielen, en vele ammonieten, schaaldieren die in de Britse folklore al eeuwen bekend stonden als 'slangestenen', werden er maar weinig fossielen gevonden van de dieren die er volgens de evolutietheorie moesten zijn, namelijk overgangsvormen die kenmerken van verschillende diergroepen vertonen. De in 1861 gevonden gevederde Archaeopteryx mag een uitzondering heten. Darwins bewijzen voor evolutie bestonden voornamelijk uit rudimentaire organen, geografische spreiding van bepaalde dieren zoals Buideldieren, en de rechtstreekse waarneming van micro-evolutie, zoals de Darwin-vinken. Darwin vermelde in zijn boek het zelfde als ik nu, dat het fossielenbestand zeer onvolledig was, maar met meer ernst daar het in zijn tijd nog vele malen onvollediger was, en argumenteerde dat overgangsvormen (nog) niet bekend waren omdat deze nog niet waren gevonden, of misschien wel helemaal niet bewaard gebleven, daar fossilisatie een zo'n zeldzaam proces is en slechts een zeer beperkt aantal dieren bewaard blijft. Maar sindsdien is er veel veranderd, en tegenwoordig kunnen we ons beroepen op het fossielenbestand om bewijs te krijgen voor macro-evolutie, maar voor ik aan dit onderwerp begin vertel ik eerst hoe het proces van fossilisatie in zijn werk gaat.

Het fossielenbestand als bewijs voor macro-evoluti
Het fossielenbestand als bewijs voor macro-evolutie. De mate waarin een dier, zijn familie en/of voorouders in het fossielenbestand zijn vertegenwoordigd verschilt per familie, genus, soort, maar ook wat betreft levenswijze. Walvissen bijvoorbeeld, zijn grote dieren met zware botelementen, die leven in waterrijk gebied, bijna alles aan hen maakt hen geschikt voor fossilisatie. Aan de ander kant echter zijn er bijvoorbeeld vleermuizen, die beschikken over zeer lichte fragiele botjes, en leven in grotten en bomen, ver weg van het water. Het gevolg is dat walvissen in overvloed worden gevonden, maar vleermuizen zijn bar slecht vertegenwoordigt in het fossielenbestand en over hun evolutie valt nauwelijks tot niks te zeggen. Walvissen en vleermuizen zijn twee extreme voorbeelden, maar voor het gehele fossielen bestand geldt dat grote dieren en waterdieren een betere kans hebben tot fossilisatie dan kleine dieren en landdieren. Een voorbeeld hiervan is dat mensen bij dinosauriërs altijd denken aan enorme woeste reptielen, terwijl de meeste dinosauriërs niet groter waren dan een koe of iets dergelijks. De grote soorten zijn echter veel beter en vaker bewaard gebleven en worden vaker gevonden. Een ander voorbeeld, over de omgeving, is dit: binnen de familie Mustelidae (Marterachtigen) zijn zowel terrestrische soorten (wezels, hermelijnen, dassen.) als aquatische (otters). De enige Musteliden die redelijk vertegenwoordigt zijn in het fossielen bestand zijn de otters, doordat die in de buurt van rivieren leven en een grotere kans hebben om na hun dood door sediment te worden bedolven. Ten slotte werd aan het begin van dit stuk al opgemerkt dat insecten door hun kleine formaat en lichaamsstructuur niet overvloedig voorkomen in het fossielen bestand, in ieder geval niet in verhouding tot hun aantallen in een gewoonlijk ecosysteem. Het is dus zonneklaar dat het fossielenbestand op sommige vlakken onvolledig is, en als gevolg hiervan kunnen we van sommige diersoorten moeilijk zeggen hoe hun evolutie zich heeft afgespeeld, of daarvan zelfs nauwelijks afleiden dat deze heeft plaatsgevonden, zoals in het geval van vleermuizen. Het is echter redelijkerwijs unfair om op basis van alleen vleermuizen vast te stellen dat het fossielen bestand geen aanwijzingen of bewijs voor evolutie levert, want er zijn ook een groot aantal vlakken waarop het plaatje veel completer is, zelfs zodanig dat de evolutie op de voet te volgen valt, zoals bij paarden, walvissen, zoogdierachtige reptielen en hominiden, waaraan de overige artikelen in dit hoofdstuk zijn gewijd. Als we ons beeld op het fossielenbestand wat verruimen, zien we dat elke twijfel over evolutie uitgesloten is. Waarneer we een verzameling fragmenten nemen van de werkelijkheid kunnen we die makkelijk 'herinterpreteren' tot een bewijs tegen evolutie, of een bewijs voor de onwaarschijnlijkheid daarvan. Als we echter het hele plaatje bekijken, zien we dat de enige redelijke verklaringen diegenen zijn waar de huidige wetenschap dan ook mee komt (evolutie).

Alternatief -?- voor de geologische tijdschaal.
Alternatief -?- voor de geologische tijdschaal. De aardlagen zoals die worden weergegeven zijn niet ontstaan onder invloed van erosie en sedimentering naarmate de tijd verstrijkt, zo zegt men, maar ontstaan door een wereldwijde overstroming, die in de Bijbel beschreven staat als 'de zondvloed'. Hierbij stuiten de argumenten al over drie struikelblokken. Ten eerste spreekt deze hypothese de dateermethodes tegen, tot nu toe is er nog nooit een dier ouder gedateerd dan een dier dat in oudere lagen is gevonden, tenzij hier een plausibele verklaring voor te vinden viel (Bijvoorbeeld de Belgische Iguanodons die in Carboonlagen (Een steenkoolmijn) zijn gevonden, deze lagen tussen de Krijt-sedimenten waarmee ze samen uit jongere lagen zijn komen vallen.), tevens is het argument ad-hoc, wat wil zeggen dat het is ontworpen om één probleem op te lossen en verder niet door samenhangende argumenten wordt ondersteund. Ten slotte is er nergens in de geologische lagen een spoor van een wereldwijde vloed te vinden, wel lokale overstromingen, maar een wereldwijde vloed wordt tegengesproken door een legio aanwijzingen zoals: # Zoutafzettingen tussen de verschillende aardlagen, deze ontstaan door regelmatige uitdrogingen. # Een kilometers dikke sliplaag, ontstaan door de wereldwijde modderpoel die het water veroorzaakte, is nergens te vinden. # Een genetische bottleneck (omdat van alle diersoorten er 2 of 7 aan boord van Noach's ark waren.) bij alle diersoorten op het zelfde ogenblik, wordt niet waargenomen. # Sporen van een grote hoeveelheid water van zo'n vierduizend jaar geleden zouden gevonden moeten worden in ijskappen op Groenland en fossiele boomstronken. Met de moderne wetenschap kan men al kleine locale klimaatsveranderingen waarnemen, bijvoorbeeld plaatselijke overstromingen of droogteperiodes die zich bijvoorbeeld 1500 of 2000 jaar geleden hebben afgespeeld. Een wereldwijde vloed, die zelfs de hoogste bergen zou overspoelen zou zo'n impact op de wereld achterlaten dat die gemakkelijk zou zijn op te sporen. Nog een groot aantal andere argumenten tegen een vloed kunnen hier worden gevonden. Dus alleen waar het de zondvloed betreft roept deze hypothese al meer vragen dan antwoorden op, maar hij gaat helemaal de mist in bij het verklaren waarom complexe dieren bovenaan in de aardlagen liggen en simpele onderaan: # Eencellige zijn de enige dieren die zo diep in de grond kunnen leven. # Vissen zwemmen in de zee en als de samenstelling van zeewater veranderd zijn zij de eersten die sterven. # Landdieren leven op land en als het water stijgt verdrinken ze. # Vogels vliegen in de lucht en kunnen dus lang boven het water vliegen. # Mensen zijn intelligent en kunnen daardoor het water lang voor blijven. Zowel ongewervelde als vissen worden door alle lagen heen gevonden, dus die bewering gaat al niet op. Landdieren worden inderdaad in de hogere lagen gevonden, vanaf het Devoon, maar walvissen, zeeschildpadden, pinguïns en Ichtyosauriërs zijn zeedieren, waarom worden die dan weer in hogere lagen, tussen de landdieren gevonden? Verklaarbaar vanuit evolutief perspectief, walvissen en zeeschildpadden stammen immers af van landdieren en leefden ter zelfdertijd als vele andere landdieren. Sommige vogels vliegen ja, maar anderen kunnen alleen lopen, waarom worden die naast de vliegende vogels gevonden? Bovendien worden vliegende vogels aangetroffen vanaf Krijtlagen, en in veel hogere lagen, bijvoorbeeld het Pleistoceen, worden veel grote landdieren aangetroffen zoals mammoeten en neushoorns. Vliegen mammoeten soms hoger dan vogels?? Ook de verklaring waarom mensen in hoge lagen worden gevonden loopt spaak, mensen moesten dan wel heel erg intelligent zijn geweest. Want ze hebben ook nog eens alle werktuigen, hutten en alle andere resten van menselijke beschaving tot op het laatst tegen de vloed kunnen beschermen. (Deze worden uitsluitend gevonden in de bovenste aardlagen.), Verder blijkt dat gras en bloemplanten ook ongelooflijk slim moeten zijn geweest. Gras kon bijvoorbeeld veel harder rennen dan de meeste dinosauriërs omdat gras namelijk altijd boven de dinosauriërs wordt gevonden in de aardlagen.

Fossielen zoeken
Fossielen zoeken ZOEKEN Kijk eerst goed rond in de groeve. In een groeve kan nieuw materiaal liggen. Dit is erg gunstig, er is dan vers materiaal aanwezig waar nog niet zoveel mensen in hebben gesnuffeld. Hier kun je vaak losse fossielen oprapen of zijn er al direct fossielen op de blokken te zien. Het beste kun je hier eerst overheen lopen om te zien of er geen losse fossielen liggen. Ook kun je de wat grotere blokken omdraaien om te kijken of er geen fossielen aan de onderkant zitten. Hierna is het mogelijk om blokken te splijten. Probeer grote kalkblokken op de laagvlakken te splijten, door op de zijkant van de blok te slaan (zorg voor goed gereedschap). Doordat je op de zijkant slaat zal de blok meestal over de fossielen opensplijten, omdat ze in laagjes zijn afgezet. Heeft men een fossiel gevonden dat in een groot stuk kalk zit, probeer het dan er niet meteen eruit te halen met de hamer, de kans dat je het beschadigd is zeer groot. Beter is om met een zaag er een blokje uit te zagen, dat zo groot is dat het fossiel niet beschadigd kan worden. Vraag eventueel hulp aan een ervaren verzamelaar. Als dat gelukt is, ga niet al meteen met het uitprepareren beginnen. Pak het blokje in een stuk krantenpapier om beschadigen te voorkomen. Zorg dus ervoor dat je voldoende verpakkingsmateriaal bij hebt, bv kranten en doosjes. Het prepareren kan men het beste thuis doen in alle rust en voorzichtigheid. Tot slot vergeet niet te noteren waar het fossiel gevonden is en in welke laag. Een fossiel waarvan de herkomst niet bekend is verliest zijn wetenschappelijke waarde. Geef uw ogen goed de kost, ze zijn uw beste gereedschap. Vraag als u iets niet weet of denkt iets gevonden te hebben. Als u denkt dat het iets is neem het mee, weggooien kan altijd nog. Een Puinhelling Bij het zoeken van fossielen op (puin-)hellingen kun je het beste onderaan beginnen. Zo voorkom je dat de de helling verstoort. Daar waar je al gelopen hebt zie je later niks meer liggen. Vooral als het al uitgeregend is. Bij een losse mergelhelling die er al een tijdje ligt is het materiaal meestal schoongeregend. Hierdoor kun je de fossielen beter herkennen Op een helling is vaak ook het materiaal min of meer gesorteerd, op de helling zelf ligt fijn materiaal, verder naar beneden worden de blokjes steeds groter. Het is mogelijk dat er dan onderaan tussen het grovere materiaal losse egels liggen. Dit is natuurlijk ook afhankelijk van het materiaal waaruit de helling is opgebouwd (grote blokken of alleen maar fijne kalk) en de tijdsduur waarop deze er al ligt. Fossielen uitzeven Andere manieren om fossielen te zoeken is met een zeef. Door het losse materiaal door een zeef te gooien is het de bedoeling dat de fossielen in de zeef achter blijven. Hiervoor is wel de maas grootte van belang, eventueel met verschillende maas groottes zeven. Veel haaientanden verzamelaars maken gebruik van zeven. Natuurijk kun je ook materiaal mee naar huis nemen en dan gaan zeven. Het is dan wel verstandig het juiste materiaal mee te nemen, dus waarvan men weet waar bijvoorbeeld de haaientanen in voorkomen. Het materiaal nat zeven is ook een goede mogelijkheid dit vergroot de zichtbaarheid van de fossielen.

De definitie van fossiel
De definitie van fossiel Sommige mensen verstaan onder het begrip fossiel versteende afdrukken van diertjes. Andere mensen denken bij het woord fossiel aan een dinosaurusskelet. Weer andere mensen zeggen: een fossiel is een organisme of een rest daarvan ouder dan 10.000 jaar (10.000 jaar geleden is het einde van het pleistoceen en het begin van het holoceen, waarin wij heden ten dage leven) Een universele definitie van het woord fossiel is er dus eigenlijk niet. Wat je fossiel noemt is een kwestie van je eigen voorkeur. Eigenlijk is het ook helemaal niet belangerijk om te weten of iets fossiel is. Dat maakt voor het exemplaar waar je het over hebt niets uit. Wat wel weer van belang is is de ouderdom en de vindplaats. Het fossilisatieproces Onder Fossiliseren verstaan we het proces waarbij een organisme versteent. Fossiliseren kan op veel verschillende manieren gebeuren. Ik beschrijf er een paar. Ten eerste kan het organisme (bijvoorbeeld een schelpje) gewoon bewaard blijven zoals het is, maar ingebed in steen. Het kan ook zijn dat de schaal oplost. (in de sedimenten op de zeebodem bijvoorbeeld). Dit laat dan een afdruk van de buitenkant en/of binnenkant achter, en wanneer het bijvoorbeeld een schelp met twee kleppen of een slakkenhuis was, kan er een steenkern ontstaan. (Een steenkern is een mal van het inwendige.) De holtes die overgebleven zijn waar de schaal is opgelost, kunnen echter ook opgevuld worden met nieuwe mineralen. in zo'n geval is het fossiel gemineraliseerd. Door allerlei andere processen, omstandigheden en verschillende te verstenen dieren zijn er nog veel meer manieren van fossiliseren mogelijk. Dit zijn er zo veel dat ik het maar bij de manieren die ik hierboven heb beschreven -de meest voorkomende manieren- laat. De rest laat ik geheel aan eenieders eigen fantasie over. De systematische naamgeving van fossielen Fossielen worden -net als alle huidig levende organismen- naamgegeven volgens het systeem bedacht door Carl von Linné (Carolus Linnaeus). Dit systeem is een hiërarchie, net als bijvoorbeeld bij auto's. Eerst heb je het merk (bijv. Chrysler), dan daaronder het type (bijv. 300C). Weer daaronder heb je soms weer enkele subtypes (ik heb geen verstand van auto's, ik weet niet of dit een naam heeft en zo ja welke) (bijv. SRT8). Het systeem dat wetenschappers gebruiken voor het indelen van organismen heeft wat meer trappen. Deze trappen heten taxa (enkelvoud: taxon). In volgorde van algemeen tot specifiek: --Rijk (Regnum) --Stam (Phylum) --Klasse (Classis) --Orde (Ordo) --Familie (Familia) --Geslacht (Genus) --Soort (Species) --Vorm (Forma) Weet wel dat er ook veel taxa zijn waar onder-'s en boven-'s ( sub-'s et super-'s) voor staan. (Bijvoorbeeld onderorde, subfamilie, subgenus, ondersoort). Deze heb ik niet allemaal in mijn lijst gezet omdat ik tot nu toe geen éénduidige bronnen heb kunnen vinden hierover. Bovendien zijn deze sub-'s en super-'s vaak optioneel, en worden alleen gebruikt wanneer alleen een taxon een trapje hoger of lager in de hiërarchie niet volstaat. Als je het over een bepaald fossiel hebt, hoef je niet alle taxa op te noemen. We houden het op geslacht en soort, en eventueel ondergeslacht (subgenus), ondersoort (subspecies) en soms ook de vorm (forma). Het is voldoende om deze taxa te noemen omdat een zelfde twee verschillende geslachten met dezelfde naam niet voor kunnen komen. Hetzelfde gebeurt ook wanneer er over auto's gepraat wordt. Als je er bijvoorbeeld van overtuigd bent dat de ander weet dat 300C SRT8 bij het merk Chrysler hoort, kun je de merknaam ook weglaten. De notatie van de wetenschappelijke naam van een fossiel is als volgt: Genus (Subgenus) species subspecies forma forma. Het lijkt hier alsof de vorm twee keer genoemd dient te worden, maar dit is niet zo. Het is gebruikelijk om voordat je de vorm vermeldt, altijd eerst even het woordje forma ervoor zet. Ook wordt over het algemeen een wetenschappelijke naam cursief geschreven/gedrukt, en wordt het genus en het subgenus met een hoofdletter vermeld. Het subgenus hoort ook nog tussen haakjes. Het subgenus dient vermeld te worden wanneer deze er is in het voorgenoemde genus, en ook de soortnaam vermeld is. De soortnaam hoeft alleen vermeld te worden wanneer deze bekend is. Hetzelfde geldt voor ondersoorten en vormen, met als verschil dat elk genus soorten kent, maar niet elke soort ondersoorten en/of vormen. Wanneer je de soort niet weet, zet dan achter het genus of subgenus (als je deze wel weet) sp. dit is een afkorting voor species. Als je de soort wel weet maar de ondersoort niet kun je achter de soort ssp. zetten. Dit staat voor subspecies. Waneer je de vorm niet weet hoef je dit niet te vermelden voor zover ik weet. Als je zelfs het genus niet weet -en dit kan voorkomen- kun je enkel de familie cursief en met een hoofdletter vermelden. Ik zal enkele voorbeelden geven van notaties van wetenschappelijke namen. Xiphodolamia eocaenica -- (Genus species) Peltoceras athleta forma athleta -- (Genus species forma) Turritella (Turritella) tricarinata tricarinata -- (Genus (Subgenus) species subspecies) Verder is het een regel om de auteur bij een wetenschappelijke naam van een organisme te vermelden. Dit moet niet cursief gedrukt. Je moet dan de achternaam van de auteur en het jaartal weergeven. Wanneer de soort nog in het originele genus geplaatst staat, hoort dit alles niet binnen haakjes. Wanneer een soort later in een ander genus ondergebracht is, moet dit wel tussen haakjes. De naam van de oorspronkelijke auteur blijft wel staan. De vorm wordt weer achter de auteur vermeld. (Bijv: Peltoceras athleta (Phillips, 1829) forma athleta). In de botanische nomenclatuur is het gebruikelijk om, wanneer een soort bij een ander genus is ingedeeld, er buiten haakjes de naam van degene die de soort bij een ander genus ondergebracht heeft en desbetreffend jaartal achter te vermelden. Het belang van het vermelden van de auteur is dat je daarmee verwijst naar een holotype. Een holotype is een exemplaar waar de soort op gebaseerd is en waar men van uit gaat dat het alle karakteristieken van die soort vertoont.

Het leefmilieu van het fossiel
Het leefmilieu van het fossiel De meeste planten en dieren hebben weinig kans om fossiel te worden. De omstandigheden daarvoor zijn slechts zelden gunstig. Van de bergtoppen tot in de diepste diepten van de oceaan wordt het grootste deel van het aardoppervlak door levende organismen bewoond. Hun kansen om fossiel te worden zijn erg klein. Een snelle begrafenis is een eerste voorwaarde voor fossilisatie; dat beperkt de gebieden waar een fossiel kan ontstaan tot de gebieden waar afzetting plaatsvindt. Op het land worden zo goed als geen fossielen gevormd. Microscopisch kleine skeletjes van diertjes en planten die de oceaan bevolken, worden voortdurend opeengehoopt op de oceaanbodem. Hoewel 75% van het landoppervlak uit sedimentair gesteente bestaat, is zo goed als niets van de oceaanbodem afkomstig. Dit houdt in dat de oceanen aan de hoeveelheid fossielen geen grote bijdrage leveren. Er wordt wel gedacht dat door zeer diep in de zeebodem te boren een doorlopend verslag van de geschiedenis van het leven in zee te verkrijgen zou zijn. Het grootste mysterie waarmee geologen, die bewijsmateriaal uit zee hebben verzameld, zijn geconfronteerd is dat er geen gesteente ouder dan honderd miljoen jaar blijkt te zijn. Geologisch gezien zijn de oceaanbodems verrassend jong. Het grootste deel van de continenten en de oceaanbodems lijken een voor fossielvorming weinig geschikt milieu te hebben. Het zijn de smalle stroken tussen land en zee, waar de plant- en dierresten de grootste kans hebben bewaard te blijven. Dat komt omdat sedimenten van het land die naar zee worden vervoerd, aan de kust geleidelijk worden afgezet en een alluviale (aanslibbings-)vlakte vormen. De ondiepe zeeën rondom de grenzen tussen water en land ontvangen sedimenten en voedingsstoffen. Het zonlicht kan er een eind in doordringen omdat de zee ondiep is, en dit maakt planteleven op de zeebodem mogelijk. In het sediment bevinden zich grote hoeveelheden dieren die van de planten en van elkaar leven. Eigenaardig bij fossielvorming is, dat er voor de meeste levende organismen die dagelijks zijn waar te nemen, slechts een kleine kans is dat ze als fossiel eindigen. De levensvormen in de zee, op en in de sedimenten van het continentale plat, maken de meerderheid van alle fossielen uit. De planten en dieren van het kustgebied met een hard skelet, alsook de schaaldieren die in sedimenten leven, zullen in de fossiele levensgemeenschap domineren. Ook landdieren die de alluviale vlakten bewonen hebben een kans om fossiel te worden, bij voorbeeld wanneer ze in een rivier vallen, aan de kant blijven steken en door een zandbank worden bedolven of door de stroom meegenomen worden. De voorwaarden op het land of in zee bekijkend, is het moeilijk voor te stellen hoe dieren ooit bewaard kunnen blijven. Het is juist op tijden wanneer de mens waarschijnlijk niet op het strand of buiten is, dat de voorwaarden voor fossilisatie gunstig zijn. Bij storm die de kust geselt, overstromingen veroorzaakt en laaggelegen land onder water zet, kunnen dieren door het water worden overvallen. Dode schelpen zullen uit de schelpenbanken worden losgeweekt. Meren en moerassen zijn eveneens milieus met condities waarin organismen vaak bewaard kunnen blijven. Geologisch gezien hebben meren slechts een kort leven. Uiteindelijk worden ze door afzettingen uit rivieren en beekjes opgevuld. Het meer droogt, wanneer er geen nieuwe watertoevoer komt, uiteindelijk uit. De meest sensationele verdamping van een meer is die van de Middellandse Zee, ongeveer zesentwintig miljoen jaar geleden. Het is een van de grootste meren uit de aardgeschiedenis. Doordat Afrika bij het Iberisch schiereiland tegen Europa en Azië is gebotst, is een deel van de zee afgesneden, zodat een meer is ontstaan. Dit enorme meer is verdampt en heeft enorme zoutafzettingen achtergelaten, waar geen leven mogelijk is. De Middellandse Zee is meer dan zeven miljoen jaar geleden via de Straat van Gibraltar vanuit de Atlantische Oceaan weer gevuld. In meren stapelen zich afzettingen op; vooral schelpen en slakken zijn in overvloed bewaard gebleven. In 1981 is van het Turkana-meer in Kenia een verslag gemaakt over de evolutie van slakken uit een geïsoleerd milieu, over een aaneensluitende periode van vijf miljoen jaar. Voor het bewaard blijven van resten van gewervelde dieren vormen woestijngebieden een belangrijk continentaal milieu. Daar waar de wind het zand opwaait is er een grote kans op een plotselinge zandstorm die de dieren in kan sluiten. Ze kunnen wanneer ze niet door aaseters verslonden zijn, mummificeren, zodat zelfs de huidstructuur perfect als af druk in het zand dat hen bedekt bewaard blijft. Bij veel resten van dinosauriërs is dat gebeurd. Ver van de oorsprongsgebieden van sedimenten vandaan leven in zee dieren die een uitwendig kalkskelet vormen. Ze bouwen daarmee grote riffen. Op hun beurt worden deze riffen bewoond door talrijke andere organismen. Sommige van hen bedekken de riffen met een korst, andere vinden er 'onderdak' en weer andere boren er gangen in. Dit kan alleen in ondiep water plaatsvinden. Daarom zijn de riffen meestal op het continentaal plat te vinden, hoewel ze zich ook rond eilanden in de oceaan kunnen vormen. Een ander belangrijk milieu waar planten en dieren bewaard kunnen blijven zijn de grotten. Hoewel grotten in hoger gelegen gebieden ontstaan, kunnen ze, als de zeespiegel sterk stijgt, toch bedolven worden. De resten in de grot blijven bewaard tot ze na een volgende cyclus van opwaartse beweging en erosie worden blootgesteld.

Fossiele regendruppels verraden ouderdom.
Fossiele regendruppels verraden ouderdom van de Sierra Nevada in California De grootste gebergteketen in de Verenigde Staten is de Sierra Nevada, in de staat California. Het gebergte is vooral bekend vanwege het prachtige Yosemite National Park en vanwege het toeristische Tahoe-Meer. Merkwaardig genoeg heeft het bepalen van de ouderdom van dit gebergte altijd problemen opgeleverd. Er zijn twee kampen die al geruime tijd tegenover elkaar staan; één van die kampen gaat er vanuit dat het gebergte geologisch gezien kort geleden (3-5 miljoen jaar) vanaf zeeniveau is opgeheven. Dat zou een gevolg zijn geweest van het feit dat toen een enorm stuk van de aardkorst afbrak en wegzakte in de aardmantel, waarna de ontstane ruimte werd opgevuld door heet, lichter mantelmateriaal dat - vanwege zijn relatief geringe gewicht - als een boei in het water opsteeg en het gebied daarbij ophief, maar er zijn nooit duidelijke bewijzen voor die hypothese gevonden. Het andere kamp houdt voor het gebergte een ouderdom van zo'n 60 miljoen jaar aan. Een opvallend onderzoek lijkt het gelijk te geven aan het laatstgenoemde kamp, zij het niet helemaal. Volgens dat onderzoek is de Sierra Nevada tenminste al zo'n 40 miljoen jaar oud. Dat wil zeggen: het gebergte bereikte toen in ieder geval hoogtes van zo'n 2200 m. Daarmee zou het toen nauwelijks hebben afgeweken van het huidige gebergte. Mogelijk is het gebergte echter toch aanzienlijk ouder: de onderzoekers sluiten in ieder geval niet uit dat het gebergte al voor het begin van het Mesozoïcum (65 miljoen jaar geleden) werd gevormd. Wanneer dat ook precies het geval mag zijn geweest, volgens de onderzoekers bestond California destijds uit twee delen, van elkaar gescheiden door een voormalige subductiezone waar inmiddels een wegduikende lithosfeerschol het gebied erboven (het huidige gebergte) ophief. Het onderzoek dat deze laatste hypothese lijkt te bevestigen, werd uitgevoerd door wetenschappers van Stanford University. Zij analyseerden de chemie van fossiele regendruppels die werden blootgelegd bij de werkzaamheden van de goudzoekers tijdens de 'goldrush' van California (midden van de 19e eeuw). Dat onderzoek leverde klimatologische gegevens op, waaruit overigens niet alleen gegevens over de vroegere hoogte van de Sierra Nevada konden worden afgeleid, maar die ook van belang zijn voor klimaatmodellen (dergelijke modellen zijn immers alleen betrouwbaar als ze ook voor het geologische verleden correcte gegevens opleveren). De toegepaste onderzoeksmethode maakt gebruik van het feit dat water bestaat uit twee elementen (waterstof en zuurstof), die allebei verschillende isotopen kennen. Deze isotopen hebben een minimaal verschillend gewicht; zelfs dat minieme verschil is echter genoeg om regendruppels met relatief zware isotopen, nadat ze door verdamping uit zee zijn opgestegen, op een geringere hoogte weer als regen te laten neervallen dan de lichtere isotopen. Zo kan uit de verhouding tussen de diverse waterstof- en zuurstofisotopen de hoogte van het gebied waar de neerslag plaatsvond worden bepaald, althans bij benadering. De neergevallen regen wordt namelijk deels opgenomen in de moleculaire structuur van klei en andere mineralen in de bodem. Daarmee vormen die oude bodems dus een archief waarin de voormalige hoogte van het gebied is vastgelegd. Gedurende het onderzoek werden bodems van 40-50 miljoen jaar oud (Eoceen) op deze wijze onderzocht. Die bodems waren vooral ontwikkeld in grindrijke afzettingen. Een deel van de stenen in dit grind verweerden onder het destijds warme klimaat, waarbij de kleideeltjes werden gevormd waarin het regenwater werd opgenomen. Uit de analyse van monsters die op diverse hoogten werden genomen, kon worden afgeleid dat het gebied destijds al een gebergte moet hebben gevormd, met ongeveer dezelfde hoogte als nu. Sterke opheffing in de laatste 3-5 miljoen jaar lijkt dan ook uitgesloten, al kan opheffing van maximaal 600 m echter niet worden uitgesloten.

Fossiele zoogdieren in Nederland.
Fossiele zoogdieren in Nederland Aan de oppervlakte is er weinig van te merken, maar Nederland telt mee als een van 's werelds rijkste vindplaatsen van fossielen. Graven naar fossielen kan maar op een paar plaatsen, waar oude lagen aan de oppervlakte komen, zoals in Maastricht en Winterswijk. In ons land worden fossielen meestal van grote diepte opgezogen door zandzuigers of opgevist door Noordzeekotters. Het zijn dus bijna altijd 'bijvangsten'. In Nederland zijn vele tienduizenden mammoetkiezen gevonden Nederland is grotendeels gevormd in de laatste twee miljoen jaar. Die periode valt ongeveer samen met het begin van de ijstijden. De belangrijkste Nederlandse vindplaats zijn misschien wel de kleigroeven bij het Limburgse Tegelen. De botten uit deze groeven zijn zo'n twee miljoen jaar oud. We danken onze kennis van de fauna van Tegelen eigenlijk vooral aan de arbeiders die eind negentiende, begin twintigste eeuw met een spa de klei afstaken. Toen grote graafmachines dat werk overnamen, zijn er bijna geen fossielen meer in Tegelen gevonden. In de jaren '70 is er nog één grote expeditie van Naturalis geweest, die zich vooral richtte op het verzamelen van kleine zoogdieren. Afgezien van een grote collectie muizentanden, heeft deze expeditie ook veel fossiele zaden opgeleverd. Vandaag de dag kunnen er geen fossiele zoogdieren meer worden gevonden in Tegelen. De belangrijkste groeven zijn buiten gebruik en de vindplaats staat nu onder water. De Oosterschelde Onze kennis van de Oosterschelde fauna danken we vooral aan de vissers in Zierikzee. Eén vissersfamilie, de familie Schot, stelt nog ieder jaar zijn boot beschikbaar voor de wetenschap. Een dag lang wordt er dan uitsluitend naar fossielen gevist. De meeste fossielen komen terecht in de collectie van Naturalis. Vele jaren vissen heeft inmiddels een indrukwekkende collectie opgeleverd. De fossielen uit de Oosterschelde zijn iets ouder dan die van Tegelen. Er worden hier namelijk soorten gevonden die al uitgestorven waren toen de kleipakketten van Tegelen werden gevormd. Eén van die soorten is een sabeltandtijger. Van dit dier is slechts één fossiel teruggevonden, een stuk van een onderkaak. Het is het enige fossiel van deze katachtige dat ooit in Nederland is aangetroffen. Nederland, mammoetland Niet alleen in de Oosterschelde worden zoogdierfossielen opgevist. Ook de Noordzee, tijdens de laatste ijstijd nog een uitgestrekte vlakte waarop allerlei ijstijdzoogdieren leefden, is een rijke vindplaats. Vooral in de omgeving van de Bruine Bank worden tal van mammoetfossielen door vissers boven water gehaald. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Naturalis de grootste verzameling mammoetfossielen in de wereld herbergt. De mammoet van naturalis is opgebouwd uit los gevonden botten. Helaas weten we, als we zoogdierfossielen opvissen, niet precies uit welke laag ze afkomstig zijn. Dat wordt direct duidelijk als we kijken naar de fossielen van de Maasvlakte. Deze vlakte is opgespoten met sediment uit de Noordzee. Daarbij zijn ook fossiele botten meegekomen. Onderzoek aan het materiaal van de Maasvlakte leert ons echter, dat er materiaal uit minstens drie verschillende periodes door elkaar op het strand is geworpen. Dus moeten ook in de Noordzee fossielen uit deze verschillende perioden gevonden kunnen worden. De zuiggaten Een belangrijke bron van fossielen voor amateurverzamelaars vormen de zuiggaten langs de grote rivieren. Op plaatsen waar langs de rivier materiaal wordt opgezogen voor de zandwinning, kunnen ook fossielen uit de bodem omhoogkomen. Ook hier weten we dus niet precies uit welke lagen de botten afkomstig zijn. Meestal gaat het om soorten die tijdens de laatste ijstijd, of tijdens de warme periode daarvoor, hier hebben geleefd. Zandzuigers halen zand en grind, met daarin botten, van maximaal 40 meter diepte naar boven De zuiggaten zijn, net als de Noordzee, een belangrijke bron van mammoetfossielen. Uit sommige gaten zijn zelfs complete schedels omhoog gekomen. Daarnaast hebben de zuiggaten ook vrij veel nijlpaardfossielen opgeleverd. Deze leefden hier tijdens het Eemien, de warme periode voor de laatste ijstijd.

Brachiopoda('armpotigen')
Brachiopoda('armpotigen') Tweekleppige schelp waarvan de helften elkaars spiegelbeeld vormen. De kleppen zelf zijn verschillend van elkaar. Ze leefden vastgehecht aan de zeebodem, waar ze voedsel uit het zeewater filterden. Ze komen voor in afzettingen vanaf het Cambrium tot recent, maar waren het meest talrijk in het Paleozoicum. Hun schelpen lijken op het eerste gezicht erg op die van sommige weekdieren, maar de bewoners zijn meer verwant met bepaalde primitieve wormen dan met de weekdieren. Brachiopoda zijn momenteel niet erg belangrijk. Er zijn slechts tweehonderd levende soorten, maar in het geologisch verleden hadden ze aanzienlijk meer succes: in sommige periodes waren ze met meer dan drieduizend soorten vertegenwoordigd. Overigens houdt één soort het al 500 miljoen jaar uit: de brachiopode Lingula is een echt levend fossiel, dat sinds het Cambrium vrijwel onveranderd alle geologische en biologische veranderingen op aarde heeft doorstaan. Brachiopoda onderscheiden zich van de tweekleppige weekdieren op een aantal punten, maar de meest opvallende eigenschap is toch wel dat de schelp uit twee verschillend gevormde onderdelen bestaat (vormen dus niet elkaars spiegelbeeld, zoals de kleppen van een mossel) die bovendien een gezamenlijk symmetrievlak hebben dat midden door de twee schelpdelen loopt. Oppervlakkig gezien lijken deze dieren wel wat op schelpdieren. Net als een mossel woont ook een brachiopode tussen twee kleppen. Maar daarmee houdt de vergelijking op. Een eenvoudig verschil tussen schelpdieren en brachiopoden is te zien aan de kleppen: bij de brachiopoden zijn de beide kleppen verschillend van vorm en grootte. De grootste klep heeft aan de achterzijde een gaatje waardoor een steel naar buiten steekt waarmee het dier zich aan de bodem vast kan hechten. Karakteristiek voor deze diergroep zijn verder de lophophoren: vaak lintvormig orgaantjes die dienen als kieuwen en bovendien met behulp van trilhaartjes een waterstroom in de richting van de er achter gelegen mond in stand houden. Een brachiopode kan dan ook alleen in helder water leven: te veel aanvoer van slib of zand leidt tot verstopping. Tegenwoordig vinden we brachiopoda dan ook alleen in diepere delen van zeeën, in de Noordzee bijvoorbeeld alleen op diepten vanaf 200 meter. Er zijn zo'n 30.000 fossiele soorten bekend. Nu komen er nog ongeveer 200 soorten voor.

Fossielen vinden.
Fossielen vinden. Fossielen vindt je het meeste in sedimentgesteenten. Dat zijn bijvoorbeeld zandsteen, klei, schalie en kalksteen. Op het internet zijn tal van sites waar per gebied wordt aangegeven wat voor fossielen je er kunt vinden. Het beste kun je kijken op plekken waar net nieuwe lagen sediment vrij zijn komen te liggen. Bijvoorbeeld als er net een (spoor)weg door een stuk berg is gegraven. Kijk eens in het afval van oude groeven en mijnen, in riviertjes, etc. Aan rotskusten is het vaak goed zoeken, vooral als er door winterstormen weer gedeelten van de klif naar beneden zijn gevallen. Mijn TIP voor de beginnende fossielenjager: Kijk goed naar grind. Je weet wel die steentjes waar je overheenloopt op bijvoorbeeld de camping ? Vooral in het buitenland zitten hier vaak fossielen in. Makkelijk want je hoeft niet te hakken, alleen maar op te rapen. Brachiopoden Dat zijn de schelpjes die je ziet liggen. Net zoals een kokkel hebben brachiopoden twee kleppen, alleen zijn die twee kleppen niet hetzelfde van vorm. De ene schaal wordt de steelklep genoemd, de andere de armklep. Aan de achterkant van de steelklep zit een opening waardoor een vleesachtige steel naar buiten kwam waarmee het weekdiertje zich kon vasthechten. Er zijn maar liefst 30.000 verschillende fossiele soorten brachiopoden. Belemnieten Onderaan liggen een soort pennetjes met een punt. Dit zijn belemnieten. Het zijn de inwendige skeletten van cephalopoden. Dit zijn hoogontwikkelde weekdieren die nu nog door bijvoorbeeld de nautilus en de inktvis worden vertegenwoordigd. Gryphaea Ook een schelpje.Wordt ook wel devil's toe, of teennagel van de duivel genoemd. Je kunt mooi de groeistrepen zien op deze schelpjes. Qua bouw een beetje te vergelijken met het nu nog voorkomende muiltje.

De Maastrichtse mosasaurus.
Bèr Haaienlunch blijkt nieuwe soort Nederland heeft er een nieuwe soort bij. De Maastrichtse mosasaurus, ontdekt in 1998, is namelijk geen 'huis-, tuin- en keukenmosasaurus'. Daarvoor heeft hij te grote kaken. Deze maand verscheen de wetenschappelijke beschrijving van het fossiele zeereptiel, waarvan het kadaver 66 miljoen jaar geleden door haaien werd opgegeten. De Maastrichtenaren kennen 'hun' mosasaurus inmiddels beter bij zijn bijnaam 'Bèr', een afkorting van Albèrt of Hubèrt. Ze konden de afgelopen drie jaar botje voor botje met Bèr kennismaken. Ondertussen rezen in het Natuurhistorisch Museum Maastricht de twijfels. Dachten we aanvankelijk nog dat Bèr een prachtexemplaar was van de 'gewone' Maastrichtse Mosasaurus hoffmanni, gaandeweg het prepareerwerk bleken we een nieuwe soort in huis te hebben. Eéntje met bijzonder zware kaken. Van zijn bijnaam komt hij niet meer af, maar sinds 7 maart heeft Bèr ook een officiële naam: Prognathodon saturator. Hij is nu in volle glorie te bewonderen in het museum. Complete mosasaurusfossielen zijn zeldzaam in Maastricht. Losse tanden en verspreid liggende botten kom je wel eens tegen als je fossielen zoekt in de kalksteengroeve van ENCI (Eerste Nederlandse Cement Industrie) bij Maastricht. De laatste meer complete vondst van zo'n uitgestorven zeereptiel dateerde echter alweer van 1956. Wel kwamen van tijd tot tijd losse onderdelen naar boven. In de 18e eeuw, toen de kalksteen nog handmatig gedolven werd in de ondergrondse kalksteengroeven van de Sint-Pietersberg, maar ook tegenwoordig nu die handmatige ondergrondse blokkenwinning heeft plaatsgemaakt voor bulldozers en graafmachines bovengronds. Dat komt omdat het Natuurhistorisch Museum Maastricht en de Nederlandse Geologische Vereniging regelmatig gelegenheid krijgen de groeve af te speuren. Bèr is opgegraven in de mergelgroeven ten zuiden van Maastricht. Het duurde even voordat de wérkelijke omvang van de vondst van 8 augustus 1998 duidelijk werd. Amateur-paleontoloog Rudi Dortangs, die goed bekend is met de anatomie van mosasaurussen, herkende de staartwervel die uit de groevewand stak direct. Bij het vrijleggen bleek er een tweede wervel aan vast te zitten. En nóg een. Meerdere botten die nog in anatomisch verband liggen zijn in Maastricht buitengewoon zeldzaam. Dortangs identificeerde de wervels als 'pygalen' (wervels die 'vooraan' in de staart, dus het dichtst bij de romp zitten). Omdat de bolle kant van de wervel (de achterkant) uit de wand stak, zou het goed kunnen dat de rest van het meterslange dier nog in de groeve vastzat. Na overleg met het management van enci werd de kalksteenwinning ter plaatse onmiddellijk stilgelegd, zodat een inderhaast geformeerd opgravingsteam aan de slag kon. Limburgs Krijt De Maastrichtse kalksteen staat in de volksmond bekend als mergel, maar die benaming is niet helemaal correct. Echte mergel bestaat niet alleen uit kalk maar bevat ook andere componenten, terwijl de gele Limburgse 'mergel' vrijwel geheel uit pure kalk (CaCO3) bestaat. Deze kalksteen is gevormd op de bodem van een ondiepe tropische binnenzee die Limburg bedekte tegen het eind van het Krijt, zo'n 70 tot 65 miljoen jaar geleden. Onder de microscoop kunnen we zien dat de kalksteen in feite bestaat uit de kalkskeletjes van ontelbare micro-organismen. Maar de kalksteen is niet alleen onder de microscoop interessant. Het zijn de veelvoorkomende macrofossielen, zoals zee-egels, inktvissen, schelpen en koralen, die vele fossielenverzamelaars de steengroeven inlokken. Steeds meer amateur-verzamelaars realiseren zich dat niet alleen de fossielen interessant zijn, maar dat juist het registreren van de laag waaruit het fossiel komt het verhaal compleet maakt. Het kalksteenpakket dat in de steengroeven blootligt ('ontsloten' zeggen geologen) is onderverdeeld in een serie 'members', lagen, die inmiddels vrij nauwkeurig gedateerd kunnen worden. Omdat we in het museum steeds meer beschikking krijgen over nauwkeurig verzamelde, goed geregistreerde fossielen, kunnen we allerlei patronen van evolutie, migratie en uitsterven van soorten in steeds meer detail volgen. Bèr komt uit de top van de 'Kalksteen van Lanaye-member', een laag die we dankzij isotopenonderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam op iets meer dan 66 miljoen jaar dateren. Hubert Vonhof, verbonden aan de faculteit Aard- en Levenswetenschappen van de VU, heeft de afgelopen jaren in Limburg de resten van fossiele inktvissen verzameld. Hij zaagde die vervolgens door en bepaalde de aanwezigheid van de strontium-isotopen 87Sr en 86Sr. In zeewater schommelt de verhouding tussen deze isotopen. Sommige dieren nemen strontium uit het water in hun huisjes op en leggen zo de verhouding op dat moment vast. Op die manier vormen fossielen laag voor laag een archief van de isotopenverhouding in het zeewater. Door de in Maastricht gemeten waarden te vergelijken met afzettingen elders kon een aantal dateringen rondom Maastricht wat worden aangescherpt. Zeereptiel Bèr mocht dan op 'niveau 66' liggen, in november 1998 lag daar nog ruim drie meter kalksteen bovenop. De bovenste twee-en-een-halve meter kon een graafmachine verwijderen, de laatste halve meter groef het opgravingsteam voorzichtig met de hand af. Houweel, schep, hamer en beitel maakten op het niveau van het fossiel al snel plaats voor fijner gereedschap als oestermesjes, tandartsgereedschap en kwastjes. Uit de analyse van de kop van Bèr blijkt dat het een nog onbekende mosasaurussoort betreft. Een proefopgraving bevestigde al snel het vermoeden dat er meer lag. Toen begin december 1998 ook de schedel ontdekt werd, was het duidelijk dat we hier met meer dan een paar losse resten te maken hadden. De 'vondst van de eeuw' werd onder een dikke laag zand bedekt, zodat hij de winter zonder vorstschade kon doorkomen. In het voorjaar van 1999 hervatten we de opgraving. Mosasaurussen worden ten onrechte vaak met dinosaurussen verward. Na 250 jaar intensief verzamelen zijn welgeteld 23 kleine stukjes van dinosaurussen uit het Krijt ontdekt in Nederlands en Belgisch Limburg. Met het vasteland enige tientallen kilometers naar het zuidoosten is het op zich al bijzonder dat we in Maastricht nog wat terugvinden van landdieren als dinosaurussen. Mosasaurussen waren echter zeereptielen, en daarvan hebben we hier een veel beter beeld. Behalve mosasaurussen kennen we uit Maastricht ook zeeschildpadden, de langnekkige plesiosaurussen en zeekrokodillen. Een vlugge blik op de stamboom van de reptielen leert dat mosasaurussen weinig met dinosaurussen te maken hebben, maar veel dichter bij de slangen en hagedissen staan. Eén van de overeenkomsten met bijvoorbeeld de wurgslang Boa constrictor is een extra setje kaken achter in hun bek. Het 'pterygoïd', twee botten in het verhemelte, is bij mosasaurussen en boa's voorzien van twee extra rijen weerhaak-tanden. Het pterygoïd kan onafhankelijk van de bovenkaak bewegen, wat erg makkelijk is bij het naar binnen werken van grote of tegenstribbelende prooien. De flexibele opbouw van de onderkaak en de beweeglijkheid daarvan is een eigenschap die we ook bij varanen en slangen tegenkomen. Net als de dinosaurussen op het land hebben ook de mosasaurussen de meteorietinslag aan het eind van het Krijt niet overleefd. Tot die inslag echter bekleedden de mosasaurussen een comfortabele toppositie in de voedselpiramide van de Krijtzee. Een blik op de tanden verraadt al veel over de eetgewoonten van de eigenaar, maar vooral de fossiele maaginhoud kan als een gedetailleerde menukaart dienen. Helaas zijn voorbeelden van fossiele maaginhoud niet uit de omgeving van Maastricht bekend, maar uit de Verenigde Staten kennen we daar meerdere voorbeelden van die een prima beeld kunnen geven van de eetgewoonten van Bèr. Haaien hebben zich tegoedgedaan aan het lijk van Bèr, zo verraden de sporen van hun tanden op de botten. Kieskeurig waren de grote mosasaurussen niet. Vissen, haaien, inktvissen, vogels, schildpadden, krokodillen en zelfs kleinere soortgenoten zullen Bèr's kaken zijn gepasseerd. Pas na het uitsterven van de mosasaurussen hebben de haaien de ecologische positie van top-predator overgenomen. De grootste haaien uit het Maastrichtse Krijt kwamen niet ver boven de drie meter. Nieuwe soort Het skelet van Bèr lag behoorlijk door elkaar, dat werd tijdens de opgraving in het voorjaar van 1999 steeds duidelijker. Het schouderblad lag acht meter van de schedel verwijderd, de flippers en grote delen van de staart ontbraken, en de rug lag in een vreemde hoek van de nek weggedraaid. Eenmaal op de zeebodem was het kadaver van Bèr door aaseters uit elkaar getrokken. Dat vermoeden werd versterkt door de vondst van tanden van de haaien Squalicorax en Plicatoscyllium. Haaien wisselen hun tanden voortdurend; bij het eten vallen regelmatig oude tanden uit. De grote Squalicorax-haaien hebben waarschijnlijk eerst het kadaver aangevreten en uitééngerukt; de veel kleinere Plicatoscyllium-haaitjes maakten daarna het karwei af. De krassen van de haaientanden zijn in ieder geval op verschillende plaatsen op het skelet van Bèr nog duidelijk zichtbaar. De schedel van Bèr kwam pas in 2000 naar het museum. Dit deel van het skelet werd in één groot blok geborgen. Uiteindelijk konden we het geheel pas na het aanleggen van een extra fundering met een hijskraan op de binnenplaats van het museum plaatsen. In de tijdelijke behuizing die over het fossiel werd geplaatst, kon het publiek de vorderingen van het prepareerwerk volgen. Het is een goede gewoonte om een fossiel tijdens de opgraving zo min mogelijk bloot te leggen. De beste bescherming vormt immers de kalksteen die het fossiel al miljoenen jaren bedekte. Pas in de rust van het prepareerlab, met alle faciliteiten voorhanden, werd ook de laatste laag gesteente verwijderd. Gedurende het prepareren viel al op dat de kaak ongebruikelijk zwaar en gekromd was. Toen ook het 'quadratum', een voor iedere mosasaurussoort typisch bot uit de achterkant van de schedel, afweek, was het duidelijk dat we hier niet met de reeds bekende Mosasaurus hoffmanni te maken hadden. Het transport van de blokken mergel met daarin de fossiele resten vormde een secuur werkje met zwaar materiaal. Maar om welke soort gaat het dan wel? Deze maand verscheen de wetenschappelijke beschrijving van Bèr in het Netherlands Journal of Geosciences. Wie een nieuwe soort ontdekt, mag - mits voorzien van een duidelijke beschrijving - de nieuwe soort een naam geven. Daarbij dienen de regels van de ICZN, de internationale commissie voor de zoölogische nomenclatuur, strikt te worden opgevolgd. Eén van die regels stelt dat de eerste publicatie waarin de naam staat als 'officiële beschrijving' kan gelden - reden waarom we de soortnaam tot de officiële presentatie op 7 maart angstvallig geheim hielden. Stamboom In de beschrijving van Bèr gebruiken we een techniek die cladistische analyse heet. Een dergelijke analyse levert een cladogram op: een grafische weergave van verwantschappen, gebasseerd op een statistische analyse van de verschillen en overeenkomsten tussen verschillende soorten. Soorten die veel onderlinge overeenkomsten vertonen, zullen in de 'boom' dicht bij elkaar staan; soorten die weinig met elkaar van doen hebben, komen op verschillende takken terecht. We hebben een bestaande analyse van Noord-Amerikaanse mosasaurussen gebruikt, waarin we ook de gegevens van Bèr en een mosasauriër uit de collecties van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen hebben opgenomen. We onderzochten de twee mosasaurussen op in totaal 142 punten. Uit de analyse bleek dat Bèr in de stamboom clustert met mosasaurussen van het genus Prognathodon. Typische kenmerken van Prognathodon zijn onder meer de stevige, gekromde onderkaak en de relatief grote tanden in het pterygoïd. Bèr onderscheidt zich in een aantal opzichten van de tot dusver bekende Prognathodon-soorten, reden voor ons om Bèr als nieuwe soort te beschrijven. Afgezien van de verschillen in morfologie zijn ook de afmetingen van Bèr vrij ongewoon voor Prognathodon. Met een kaaklengte van 1,43 meter is Bèr's schedel een stuk groter dan die van Prognathodon giganteus. We beschikken helaas niet over het complete skelet van Bèr. Eerder gepubliceerde schattingen over de verhouding tussen kop- en lichaamslengte variëren van 10% tot 14%. Langer dan veertien meter zal Bèr dus niet geweest zijn. Onze Amerikaanse collega Mike Everhart suggereerde begin februari aan de hand van enkele metingen aan nieuwe, nauwverwante Amerikaanse mosasaurussen een lengte van elf à twaalf meter. Daarmee is Bèr weliswaar niet de langste mosasaurus ooit gevonden, maar wel één van de meest zwaargebouwde. Bèr gaat vanaf 7 maart onder de naam Prognathodon saturator door het leven. Prognathodon , de genus-naam, heeft betrekking op de vooruitstekende tanden van deze groep mosasaurussen; saturator, wat zoiets betekent als 'hij-die-voldoening-geeft', heeft een dubbele betekenis. Allereerst natuurlijk de voldoening van Rudi Dortangs, de vinder, maar de naam heeft ook betrekking op de voldoening die het karkas aan de Maastrichtse haaien schonk. Prognathodon saturator, het is een hele mond vol. Maastricht houdt het waarschijnlijk tot in lengte van dagen op Bèr.

Versteend hout
Versteend hout. Versteend hout in het Petrified Forest National Park. Een versteende boomstam in Californië. Een plak gepolijst versteend hout. Versteend hout, ook aangeduid met de Engelse term petrified wood, is een soort fossiel: het bestaat uit fossiel hout, waarin alle organische materialen zijn vervangen door mineralen (meestal silicaten, zoals kwarts), met behoud van de structuur van het hout. Het proces van verstening gebeurt onder de grond, wanneer een boom bedolven raakt onder sediment, en kan miljoenen jaren duren. Grondwater dat langzaam door de bodem sijpelt, zet mineralen af waar de lignine en cellulose wegrotten. Als de afzetting en rotting even snel gaan, blijft de vorm van de cellen behouden. De kleinste details kunnen worden vereeuwigd. Versteende jaarringen en verschillende weefsels kunnen tot op microscopisch niveau worden getraceerd. Versteend hout heeft een hardheid van 7 op de hardheidsschaal van Mohs, hetzelfde als kwarts. Het versteningsproces is inmiddels in een laboratorium tot enkele dagen teruggebracht. Kleuren Versteend hout komt voor in een breed spectrum aan kleuren door variatie in de afzettingen van mineralen als mangaan, ijzer en koper. Kwarts is kleurloos, maar wanneer ijzer wordt toegevoegd, ontstaan er kristallen met een rode of gele waas, zoals uit onderstaande lijst blijkt: Koolstof - zwart Kobalt - groen/blauw Chroom - groen/blauw Koper - groen/blauw IJzeroxides - rood, bruin, geel Mangaan - roze/oranje Mangaan oxiden - zwart Silica - wit, grijs Vindplaatsen Argentinië: Het Petrified Forest National Monument in het Argentijnse Santa Cruz wordt beschouwd als een van 's werelds best bewaarde versteende bossen; veel versteende bomen in Patagonië hebben een diameter van meer dan 3 meter en zijn langer dan 30 meter. Tsjechië: De grootste steen ligt in het Nová Paka museumdorp en is 8,20 m lang.[2] Griekenland: Het Versteende woud bij Sigri op de westpunt van het eiland Lesbos is waarschijnlijk het grootste versteende woud, meer dan 150 km². Er zijn stammen tot 22 meter lang. Grote bomen, compleet met hun wortels, staan er nog rechtop. Sinds 1985 is het een beschermd natuurmonument. Verenigde Staten: De grootste exemplaren in het land halen circa 1,8 m diameter en zijn dus beduidend kleiner dan die in zuidelijk Amerika. Een beroemd park is het Nationaal park Petrified Forest in de staat Arizona.

Fossielen (Paleontologie)
Fossielen (Paleontologie) “Walvissen in de Peel…….” Het klinkt onwaarschijnlijk. Toch is er een tijd geweest waarin er wel degelijk walvissen in deze streken geleefd hebben. In Liessel is een groot aantal fossiele resten van dergelijke dieren aangetroffen, die waarschijnlijk 10 miljoen jaar geleden voorkwamen in de toenmalige Noordzee die het grootste gedeelte van Nederland bedekte. De kust bevond zich toen niet ver zuidoostelijk van Liessel. Behalve walvissen waren er nog vele andere zeedieren, waarvan fossielen bewaard zijn gebleven: vissen, haaien, roggen, schelpdieren en tal van andere zeedieren. In de afdeling paleontologie van het museum zijn veel fossielen van deze dieren te zien. Veelal uit Liessel, maar ook uit Antwerpen in België waar uit dezelfde periode, het Boven-mioceen veel resten zijn gevonden. Zo zijn daar in de zestiger jaren van de vorige eeuw zelfs meerdere walvissen in situ (d.w.z. ter plaatse “begraven”) gevonden toen de grote ring, de snelweg rond de stad, werd aangelegd. Twee daarvan zijn in een grote vloervitrine tentoongesteld in het Natuurhistorisch Museum. In Liessel zijn ook fossielen uit latere afzettingen gevonden: houtresten, vruchten en zaden van verschillende struiken en bomen en ook enkele kiezen van mastodonten (vroege olifantachtigen) uit het Plioceen, toen dit gebied kennelijk geen zee meer was. De kustlijn was naar het noordwesten opgeschoven en Liessel lag in een rivierdelta-gebied. Nog veel later heeft door deze streken de Maas gestroomd, de “Veghel-Maas”, die ook nog eens een pakket sediment van zand en grind heeft achtergelaten. Van heel die lange wordingsgeschiedenis voordat de Peel het latere moerasgebied werd, geeft de afdeling paleontologie een uitvoerig verslag.

Enorme Calamites-achtige boom gevonden in versteen
Enorme Calamites-achtige boom gevonden in versteend bos Het geslacht Calamites behoort, vooral in het Carboon, tot de bekendste fossiele planten. Bijna altijd gaat het om afdrukken van de in kransen geplaatste bladeren, maar soms worden ook stammen gevonden van deze plant die kon uitgroeien tot een boom. Vaak gaat het daarbij om min of meer verkoolde exemplaren, maar onder gunstige omstandigheden kan de stam - net als bij andere stukken hout - als het ware molecuul voor molecuul worden versteend, waarbij de anatomische structuur bewaard blijft. Dat was ook het geval bij het onderste gedeelte van de stam van een exemplaar van een Calamites-achtige boom die onlangs werd aangetroffen in het versteende bos bij Chemnitz. Dit bos, dat zich bevindt in de Zeisigwald Tuff Horizon van de Leukersdorf-Formatie (278 miljoen jaar), stamt uit het Vroeg-Perm. Het bos, waarin veel bomen (waaronder het hier beschreven exemplaar) nog rechtop staan, werd gefossiliseerd door plotselinge begraving onder een laag vulkanische as. Dat leverde, zoals ook elders vaak het geval is, een voortreffelijke fossilisatie op, waardoor de gefossiliseerde planten goed kunnen worden gedetermineerd. Zo kon het nu beschreven exemplaar worden gedetermineerd als Arthropitys ezonata. Details van deze soort waren tot nu toe nauwelijks bekend, maar daaraan is nu in één klap een einde gekomen. De Calamites-achtige planten uit het Carboon en Perm hadden een holle stengel of stam, en de vondst van het nieuwe exemplaar, dat gelijk ook de grootst bekende Calamites-achtige is waarvan de fossilisatie de anatomische kenmerken heeft bewaard (de stam is zo'n 50 cm in doorsnede), levert interessante nieuwe gegevens op over deze groep die paleobotanici tot nu toe veel hoofdbrekens heeft gekost. Het gaat dan ook om een groep met nogal opmerkelijke karakteristieken, zoals een combinatie groei omhoog in combinatie met een ondergronds systeem van rhizosomen, holle stammen/stengels, een sterke verhouting, en een groei zonder de vorming van zijtakken. Hoewel deze groep, die in het Vroeg-Namurien verscheen, zich goed aan het milieu kon aanpassen, stierf hij uit bij de grote massauitsterving op de grens tussen Perm en Trias. Het gevonden reuzenexemplaar is opgenomen (nr. MfNC K 5200) in de paleontologische collectie van het Museum für Naturkunde in Chemnitz. Het verkeert uiteraard niet meer in de staat waarin het werd gevonden, want ten behoeve van het anatomisch onderzoek zijn er met behulp van een steenzaag zowel dwars- als een lengtedoorsneden uit gezaagd.

Fossiele schelpen
Fossiele schelpen De ouderdom van een schelp Een schelp heeft in het algemeen dezelfde ouderdom als de aardlaag waarin hij is gevonden. Er zijn talrijke methoden om die ouderdom vast te stellen. Hierbij wordt onder andere gebruikt gemaakt van zogenaamde 'gidsfossielen'. Van schelpen die niet meer in de oorspronkelijk aardlaag worden gevonden, doordat ze bijvoorbeeld op stranden aanspoelen, is het veel moeilijker vast te stellen hoe oud ze zijn. Dat geldt vooral voor soorten die nog in de recente fauna voorkomen. Van de meeste uitgestorven soorten is het voorkomen in de tijd gelukkig redelijk goed bekend, waardoor de ouderdom van deze schelpen goed is in te schatten. fossiel schelp Waar vind je fossiele schelpen? Overal waar oudere aardlagen zichtbaar zijn, kunnen we in principe fossiele schelpen vinden. Tenminste, als de omstandigheden waaronder zo'n aardlaag is ontstaan gunstig zijn. Het zijn vooral de zee-afzettingen die veel fossiele schelpen opleveren. Ze worden echter ook wel gevonden in rivier- of meerafzettingen en zelfs in löss, een door de wind afgezet sediment. Fossiele schelpen komen uiteraard ook aan de oppervlakte als er wordt geboord voor geologisch onderzoek. Vaak worden oudere aardlagen door de zee aangesneden en geheel of gedeeltelijk opgeruimd. In zulke gevallen spoelen de daaruit afkomstige fossiele schelpen weer aan op het strand, tussen de recente schelpen. In Nederland gebeurt dat vooral in Zeeland. Het is in dergelijke gevallen niet altijd gemakkelijk om de fossiele van de recente schelpen te onderscheiden. Hoe groot kunnen fossiele schelpen zijn? Zowel recente als fossiele schelpen zijn zeer uiteenlopend van grootte. In Nederland is de kleinst levende soort in volwassen staat slechts weinig meer dan één millimeter. Fossiele schelpen kunnen zelfs nog veel kleiner zijn. De grootste in Nederland recent voorkomende soort is een mossel, het groot tafelmesheft (Ensis siliqua, spoelt vooral aan op de Waddeneilanden), die een lengte kan bereiken van meer dan 20 centimeter. De in Nederland gevonden fossiele schelpen zijn niet veel groter. Elders, zoals in de tropische gebieden, kunnen schelpen van zowel slakken als mossels veel groter worden, tot soms wel meer dan een meter. Ook de schelpen van sommige fossiele inktvissen (ammonieten) uit het Mesozoïcum kunnen zeer groot worden, tot meer dan een meter.

Megacardita planicosta
Megacardita planicosta Iedereen heeft wel eens een schelp van het strand opgeraapt. Maar dat veel bruinige of blauwe schelpen vaak duizenden jaren oud zijn realiseert bijna niemand zich. Dergelijke schelpen komen massaal voor in oude strandafzettingen op enkele meters tot enkele tientallen meters diepte op de zeebodem vlak voor de kust. Op sommige plaatsen in Nederland kun je zelfs nog veel oudere schelpen vinden. De oudste komen uit Zeeland. Ze zijn samen met onder meer haaientanden losgespoeld uit lagen uit het Eoceen en zijn tot 45 miljoen jaar oud! De meest opvallende Eocene schelp is Megacardita planicosta (Lamarck, 1799). Een versteende schelp Megacardita planicosta is een grote, zware schelp. De schelp is vaak wit of bruin, en in een enkel geval blauw van kleur. Maar dit is waarschijnlijk meer de kleur van de bodem waarin de schelpen gelegen hebben dan de originele kleur. Opvallend zijn de grote hoeveelheden gaatjes die vaak in de schelp voorkomen. De meeste daarvan zijn veroorzaakt door een borende spons, Cliona, maar ook borende wormen hebben hun bijdrage geleverd aan het 'tekenen' van de schelpen. Tijdmachine Het losspoelen van fossielen uit oude lagen en de daaropvolgende menging met veel jongere schelpen wordt remaniëren genoemd. Door het remaniëren maken de fossielen als het ware een reis door de tijd. Het proces is algemeen: de blauwe en bruine schelpen die langs alle Nederlandse en Belgische kusten te vinden zijn, zijn geremanieerd, meestal uit afzettingen van enkele duizenden jaren oud. De schelpen van Megacardita planicosta maken deel uit van de collectie Nederlandse Stranden en Zeegaten van het Nationaal Natuurhistorisch Museum. Deze collectie is een van de omvangrijkste in Nederland. Veel van het materiaal werd beschreven in het boek Fossiele schelpen van de Nederlandse Stranden en Zeegaten, het standaardwerk voor de fossiele schelpen van het Nederlandse strand. De meeste schelpen in de collectie zijn in de loop van de tijd door particuliere verzamelaars aan het museum geschonken.

Minuscuul fossiel
Minuscuul fossiel kiesje wijst op landbrug over Atlantische Oceaan in Krijt SAMENVATTING In het Krijt van ENCI kalksteengroeve bij Maastricht is door twee amateurfossielenverzamelaars, Roland Meuris en Frans Smet, een kiesje ontdekt van de oudste tot nu toe bekende soort buideldier. Het buideldiertje leefde waarschijnlijk zo'n 66,1 miljoen jaar geleden en de vondst betekent dat buideldieren al minstens 10 miljoen jaar eerder Europa hebben bereikt dan tot nu toe werd aangenomen. Het piepkleine oppossumachtige zoogdiertje is waarschijnlijk via een landbrug vanuit Amerika overgestoken naar Europa (de opossumachtige buideldieren ontstonden naar alle waarschijnlijkheid in de loop van het Krijt in Noord-Amerika). Dit betekent dat er al veel eerder een dergelijke landbrug geweest moet zijn; daarmee ontstaat een nieuw beeld van de paleogeografie van het Laat-Krijt. Een landbrug in de tijd dat het diertje geleefd heeft (66,1 miljoen jaar geleden) is overigens zeker niet uitgesloten, want de zeespiegel stond toen zeer laag. In het noorden (boven 70° N.B.) zou de zogeheten Thule route grotendeels boven water gelegen kunnen hebben. Die route loopt via de eilanden van noordoost Canada, via Baffin Island, Groenland, de Farøer Eilanden en Groot-Brittannië naar het Europese vasteland. Waarschijnlijk was die route niet geheel drooggevallen, maar waren de te overbruggen afstanden door zee wel overkomelijk. Dit nieuwe paleogeografische beeld berust uiteraard volledig op de interpretatie van het kiesje als afkomstig van een buideldier. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat zoogdiertanden en -kiezen steeds meer gebruikt worden voor paleontologische en stratigrafische onderzoeken. De plaatsing van de uitsteeksels op het kauwvlak, de hoogte ervan, de onderlinge hoogteverschillen en de vorm en ligging van de 'vlakte' tussen de uitsteeksels zijn namelijk heel karakteristiek, waardoor het mogelijk is om zelfs op basis van één tand of kies de soort vast te stellen. Op basis van het gevonden tandje is het dan ook mogelijk om vast te stellen dat het gaat om een opossumachtig diertje dat een nieuwe soort (en een nieuw geslacht) vertegenwoordigt. Het is Maastrichtidelphys meurismeti genoemd (het Maastrichtse buideldier van Meuris en Smet). Dit dier heeft ongetwijfeld op het land geleefd. Dat het kiesje in mariene afzettingen gevonden is, doet daar niets aan af: het is ongetwijfeld als hetzij kiesje hetzij (deel van een) kadaver via een rivier naar zee getransporteerd.

Weekdieren
weekdieren. * Acila cobboldiae Geen Nederlandse naam * Alikruik (Littorina littorea) * Amerikaanse boormossel (Petricola pholadiformis) * Ammoniet * Amphidromus inversus Geen Nederlandse naam * Aziatische korfmossel (Corbicula fluminea) * Barnsteenslak (Succinea putris) * Bonte mantel (Mimachlamys varia) * Doopvontschelp (Tridacna gigas) * Driehoekige parelmoerneut (Nucula nitidosa) * Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha) * Egyptische korfmossel (Corbicula fluviatilis) * Geaderde stekelhoren (Rapana venosa) * Gevlekte akkerslak (Deroceras reticulatum) * (Gewone) Schijfhoren (Planorbis planorbis) * Gewone zeekat (Sepia officinalis) * Gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris]] * Grijze tapijtschelp (Venerupis senescens) * Grote aardslak of tijgerslak (Limax maximus) * Grote barnsteenslak (Succinea putris) officiële Nederlandse naam: Barnsteenslak * Grote poelslak (Lymnaea stagnalis) officiële Nederlandse naam: (Gewone) Poelslak * Grote strandschelp (Mactra corallina) * Grote wegslak (Arion ater rufus) officiële Nederlandse naam: (Gewone) Wegslak * Halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata) * Hartschelpen (Cardiidae) * Japanse oester (Crassostrea gigas) * Kauri * Kleine platschelp (Tellina pygmaea) * Kokkel (Cerastoderma edule) * Kolossale inktvis (Mesonychoteuthis hamiltoni) * Leverbotslak (Galba truncatuls) * Melkwitte arkschelp (Striarca lactea) * Messchede (Solen marginatus) * Mossel (Mytilus edulis) * naaktslakken * Nautilus * Nonnetje (Macoma balthica) * Noorse hartschelp (Laevicardium crassum) * Octopus * Oester (Ostrea edulis) Ook wel: Gewone oester, Platte oester * Otterschelp (Lutraria lutraria) * Ovale strandschelp (Spisula elliptica) * Paalworm (Teredo navalis) * Paardemossel (Modiolus modiolus) * Pijlinktvissen (Teuthida) * Planorbella trivolvis Geen Nederlandse naam. * Platte slijkgaper (Scrobicularia plana') * Portlandia arctica Geen Nederlandse naam * Posthorenslak (Planorbarius corneus) Ook wel: Grote posthoren(slak) * Purperslak (Nucella lapillus) * Rechtsgestreepte platschelp (Tellina fabula) * Reuzeninktvis (Architeuthis) * Schijfhoren (Planorbis planorbis) Ook wel: Gewone schijfhoren, Kleine posthoren (of: Kleine posthoorn) * Segrijnslak (Helix aspersa) * Sint-jakobsschelp (Pecten jacobeus) * Spaanse danseres (Hexabranchus sanguineus) * Strandgaper (Mya arenaria) * Tapijtschelp (Venerupis senegalensis) * Toegeknepen korfmossel (Corbicula fluminalis) * Tweetandschelpje(Mysella bidentata)] * Vampierinktvis (Vampyroteuthis infernalis) * Venusschelp (Chamelea striatula) * Wadslakje (Peringia ulvae) * Wegslak (Arion ater rufus) * Wijngaardslak (Helix pomatia) * Wijde mantel (Aequipecten opercularis) * Witgerande tuinslak (Cepaea hortensis) * Witte boormossel (Barnea candida) * Witte dunschaal (Abra alba) * Wulk (Buccinum undatum) * Zeekatten * Zoetwatermossel * Zwanemossel (Anodonta cygnea)

Sponsdieren.
Sponsdieren. Bouw Sponsdieren hebben een eenvoudige bouw. Ze bestaan uit een buis, waarvan het ene einde is vastgezet op de bodem. Het bovenste einde van de buis is open en wordt osculum genoemd. Binnenin bevindt zich een holte, de spongocoel. De buis heeft een skelet, meestal opgebouwd uit zogenaamde skeletnaalden (spicula). Door de wand van de buis heen wordt water naar binnen gezogen, dat via de bovenkant (het osculum) de buis weer verlaat. Sponsdieren hebben slechts enkele soorten cellen: * kraagcellen (choanocyten), die zich aan de binnenkant van de buis (grenzend aan de spongocoel) bevinden en die het voedsel verteren. Ze zijn voorzien van een zweephaar en veroorzaken daarmee een binnenwaartse stroming. Deze cellen lijken veel op choanoflagellaten, eencellige organismen die evolutionair verwant worden geacht met dieren. * Sluitcellen (porocyten), buisvormige cellen die door de wand van de spons heen buizen vormen. Hierdoor kan water naar binnen stromen. * Contractiele cellen, liggen om de poriecellen heen en ku nnen de poriën enigszins dichtdrukken, zodat de stroming vermindert. * Dekcellen (pinacocyten) aan de buitenkant van de buis, deze vormen gezamenlijk de huid. * Amoebocyten, cellen die in de wand leven en zorgen voor transport van voedingsstoffen tussen binnen en buitenkant, de opbouw van de skeletnaalden en de productie van voortplantingscellen. * Archeocyten, ongedifferentieerde cellen die onder andere kunnen uitgroeien tot eicellen. kokervormige rode sponsen op koraalrif kokervormige rode sponsen op koraalrif Bij sponsdieren bestaan er drie lichaamsvormen die bekersponzen (asconoid), geweisponzen (syconoid) en korstsponzen (leuconoid) worden genoemd. In zeker opzicht kan een sponsdier ook beschouwd worden als een kolonie van cellen en niet als een individu. Als de cellen van een spons bijvoorbeeld door een mixer worden gehaald, zullen de cellen elkaar daarna weer opzoeken en een spons vormen. Als meerdere soorten op deze wijze worden gemengd, zal elke soort weer een eigen spons vormen. Voortplanting Ongeslachtelijk Sponzen hebben een groot regeneratievermogen. Elke cel heeft de mogelijkheid om uit te groeien tot een nieuwe spons. Sponzen hebben daarnaast twee manieren voor ongeslachtelijke voortplanting: * Knopvorming. Aan de buitenkant van de spons vormen zich knoppen, die loslaten of afbreken en vervolgens uitgroeien tot een nieuwe spons. * Gemmulae. Een gemmula ontwikkelt zich aan de binnenkant van de spons, bevat veel kraagcellen (choanocyten) en is omgeven door skeletnaalden. Gemmulae kunnen uitdroging en bevriezing overleven. Vooral zoetwatersponzen produceren gemmulae om uitdroging of de winter te overleven. Geslachtelijk Sponsdieren zijn meestal hermafrodiet (tweeslachtig), of zijn wisselend mannelijk en vrouwelijk. Bij sommige soorten is er sprake van permanent mannelijke en vrouwelijke individuen. Voortplantingcellen kunnen ontstaan uit alle soorten cellen, maar spermacellen ontstaan meestal uit kraagcellen en eicellen meestal uit archeocyten. De spermacellen komen de vrouwelijke spons binnen met de waterstroom door de buis van de spons. Bevruchte eicellen ontwikkelen zich tot vrijzwemmende larven. In sommige gevallen bijft de larve enige tijd in de moederspons. Uiteindelijk vestigen de larven zich op de bodem en groeien uit tot een nieuwe spons. Sponzen in Nederland Sponzen worden in Nederland voornamelijk aangetroffen in de Oosterschelde, onder andere de Boorspons (Cliona celata), de Gewone broodspons (Halichondria panicea), de Geweispons (Haliclona oculata) en de Paarse buisjesspons (Haliclona xena). Deze laatste is niet inheems in Nederland, maar waarschijnlijk geïmporteerd met oesters. In het zoete water komt de zoetwaterspons (Spongilla lacustris) algemeen in het zoete water voor, meestal grijzig van kleur, maar soms groen door algen die in de spons leven. Indeling Oorspronkelijk werd de aanwezigheid van skeletnaalden als een voorwaarde gesteld voor de indeling van een organisme bij de sponsdieren. Een aantal fossiele groepen werden daarom bij de koraaldieren ingedeeld. De ontdekking van 15 levende soorten sponzen met een kalkskelet veranderde echter de inzichten en de koraalsponzen en enkele voorheen moeilijke groepen werden onder de sponzen gezet. * Hoornsponzen (Demospongiae). Het skelet bestaat uit spicula van spongine (een eiwit), kiezel of uit beide. Tot deze groep hoort de overgrote meerderheid van de soorten. Sponginevezels kunnen veel water opnemen, en de skeletten van deze sponsdieren werden (en worden) gebruikt als spons. * Kalksponzen (Calcispongiae). De spicula bestaan uit calciumcarbonaat. * Glassponzen (Hexactinellida). Het skelet bestaat uit 4 of 6 puntige spicula van kiezel (SiO2). Een bekende vertegenwoordiger van deze klasse is het Venusmandje (Euplectella aspergillum). * Koraalsponzen (Sclerospongiae). Deze groep werd als zodanig in 1970 onderscheiden. Ze hebben een gevouwen lichaam en kunnen extreem oud worden, 500 tot 1000 jaar. Uitgestorven: * Archaeocyatha. Uitgestorven in het Cambrium, deze groep wordt door sommigen als apart phylum genoemd. Deze groep heeft ook kenmerken van koraaldieren, maar er is inmiddels een redelijke consensus bereikt over plaatsing van deze groep bij de sponsdier

Walvissen in de Peel
Fossielen (Paleontologie) “Walvissen in de Peel…….” Het klinkt onwaarschijnlijk. Toch is er een tijd geweest waarin er wel degelijk walvissen in deze streken geleefd hebben. In Liessel is een groot aantal fossiele resten van dergelijke dieren aangetroffen, die waarschijnlijk 10 miljoen jaar geleden voorkwamen in de toenmalige Noordzee die het grootste gedeelte van Nederland bedekte. De kust bevond zich toen niet ver zuidoostelijk van Liessel. Behalve walvissen waren er nog vele andere zeedieren, waarvan fossielen bewaard zijn gebleven: vissen, haaien, roggen, schelpdieren en tal van andere zeedieren. In de afdeling paleontologie van het museum zijn veel fossielen van deze dieren te zien. Veelal uit Liessel, maar ook uit Antwerpen in België waar uit dezelfde periode, het Boven-mioceen veel resten zijn gevonden. Zo zijn daar in de zestiger jaren van de vorige eeuw zelfs meerdere walvissen in situ (d.w.z. ter plaatse “begraven”) gevonden toen de grote ring, de snelweg rond de stad, werd aangelegd. Twee daarvan zijn in een grote vloervitrine tentoongesteld in het Natuurhistorisch Museum. In Liessel zijn ook fossielen uit latere afzettingen gevonden: houtresten, vruchten en zaden van verschillende struiken en bomen en ook enkele kiezen van mastodonten (vroege olifantachtigen) uit het Plioceen, toen dit gebied kennelijk geen zee meer was. De kustlijn was naar het noordwesten opgeschoven en Liessel lag in een rivierdelta-gebied. Nog veel later heeft door deze streken de Maas gestroomd, de “Veghel-Maas”, die ook nog eens een pakket sediment van zand en grind heeft achtergelaten. Van heel die lange wordingsgeschiedenis voordat de Peel het latere moerasgebied werd, geeft de afdeling paleontologie een uitvoerig verslag.

Wie was Mary Anning?
Wie was Mary Anning? Aan het begin van de 19de eeuw maakte een arbeidersmeisje faam als één van de beste fossielenverzamelaars ter wereld. In de 19de eeuw was natuurlijke historie veelal een hobby van hoge heren. Met name in Engeland ontstond een ware verzamelaarsgekte. De verzamelaars waren niet altijd even professioneel. Zo besloot een Engelse lord op een kwade dag dat zijn verzameling trilobieten er wat saai uitzag. Hij liet ze toen allemaal goud verven, waardoor de wetenschappelijke waarde van de collectie verloren ging. Veel van de beroemde namen uit de 19de eeuw waren van huis uit geen natuurwetenschapper. Biologie en geologie bestonden nog niet als leervakken aan de universiteiten. Charles Darwin had, na een mislukte studie medicijnen, een opleiding genoten in de theologie. Ook Buckland was een theoloog. Charles Lyell, de grondlegger van de moderne geologie, was een jurist en Mantell, die de eerste dinosauriër ontdekte, was arts. In de lijst van bekende namen treffen we alleen mannen aan. Toch speelden op de achtergrond ook vrouwen een belangrijke rol. Mary Anning Door de verzamelgekte van de hoge heren ontstond een levendige handel in allerlei naturaliën. Zo leefde in Zuid-Engeland de timmerman Anning, die naast zijn werkplaats ook een zaakje in zelf verzamelde fossielen had opgezet. Toen hij overleed, zette dochter Mary de handel voort. Ze was toen pas 11 jaar. De jonge Mary bleek een ware neus voor fossielen te hebben. Ze had verder het geluk dat ze in Lyme Regis woonde, waar aan de kust hele fraaie fossielen uit het Onder Jura kunnen worden gevonden. Deze lijken sterk op de fossielen uit de beroemde Duitse vindplaats Holzmaden. Veruit de meeste fossielen die Mary vond, waren ammonieten. Maar in 1812 ontdekte ze op 12-jarige leeftijd de eerste vishagedis (ichtyosauriër) van de Britse eilanden. Het fossiel werd voor 23 pond aan een Engelse edelman verkocht. Faam Het Engelse arbeidersmeisje ontwikkelde al snel internationale faam. Niet alleen kon ze snel belangrijke fossielen herkennen, ze was ook erg goed in het opgraven van de resten. Zelfs de Franse baron Cuvier, de grondlegger van de paleontologie, kocht fossielen bij Anning. Na de ichtyosauriër werd ze in 1824 ook de ontdekker van de eerste Britse plesiosauriër. En in 1828 vond ze het eerste vliegende reptiel van de Britse eilanden. Mary Anning werd door haar vondsten beroemd. Andere vrouwen speelden vooral een rol op de achtergrond. Zo wordt Gideon Mantell algemeen gezien als de ontdekker van de eerste dinosauriër. In feite had zijn vrouw dat fossiel als eerste zien liggen. En ook John Gould, de beroemdste vogelkenner van de 19de eeuw, bleek het erg met zijn echtgenote te hebben getroffen. Gould werd behalve als wetenschapper ook geroemd om zijn schitterende tekeningen. Toch was het mevrouw Gould die het werk The birds of Europe grotendeels illustreerde.

Kaakloze vissen
Kaakloze vissen Phylum Chordata [Subphylum cephalochordata] Acraniata Pikaia De vertebraten (gewervelden) behoren tot de groep chordaten. De oudst bekende chordaat is de 535 miljoen jaar oude cephalochordaat (ook wel acraniaten genoemd) Pikaia uit het Midden-Cambrium van de Burgers Shale. Doordat Pikaia de oudst bekende chordaat is kan worden gesteld dat dit of een vergelijkbaar dier onze voorouder is. De gevonden fossielen van Pikaia zijn zo goed geconserveerd dat zelfs sporen van zacht weefsel werden gevonden. Klasse Agnatha De Agnatha waren de eerste gewervelde dieren. Resten van deze kaakloze vissen zijn aangetroffen in lagen van het Laat-Cambrium (520 miljoen jaar geleden). Kaakloze vissen bezaten zoals de naam reeds doet vermoeden geen kaken waarmee zij prooi konden pakken. Gepaarde vinnen ontbraken eveneens hetgeen niet bijdroeg aan hun stabiliteit. De Agnatha waren derhalve aangewezen op minuscule voedseldeeltjes of plankton. Het skelet was geheel opgebouwd uit kraakbeen dat niet fossiliseert. Wetenschappers konden hun aanwezigheid bepalen door de ontdekking van benige uitwendige pantsers. Deze pantsers zijn dus wel bewaard gebleven in gesteenten en het is daaraan dat de groep kaaklozen hun naam Ostracodermata (schaalhuidigen) te danken hebben. De kaaklozen beheersten de zeeën meer dan 130 miljoen jaar van het Vroeg-Ordovicium tot het Laat-Devoon, toen kwamen er nog maar twee groepen kaaklozen voor, wormvormige aasetende blinde prikken of slijmprikken en aalachtige, parasitaire prikken of lampreien. Onderklasse Conodonta De oudst bekende conodont is gevonden in het Carboon van Schotland, deze kleine, tandachtigen zijn gevonden in Paleozoisch gesteente uit het Laat-Cambrium tot aan het Trias. De primitieve mond was onder een paar goed ontwikkelde ogen geplaatst. De conodont Promissum uit het Laat-Ordovicium van Zuid Afrika werd ongeveer 40 centimeter lang dit dier bezat de primitieve bek van de conodonten onder de oogkassen en bezat tevens een primitieve ruggengraat. Orde Heterostraci De oudste vissen en de vroegste gewervelden worden de Heterostraci genoemd. Deze orde stamt uit het Vroeg-Ordovicium en vormen de grootste en meest diverse groep kaaklozen. Alle soorten binnen deze groep bezaten een kopschild dat gedurende hun leven bleef groeien. Gedurende het Late-Siluur en het Vroege-Devoon waren zij het talrijkst. Fossielen van jongere perioden zijn ook gevonden in zoetwater afzettingen. Orde Osteostraci De Osteostraci wel cephalaspiden (kopschildigen) genoemd verschenen voor het eerst tijdens het Laat-Siluur, ongeveer 80 miljoen jaar na de eerste Heterostraci. Deze kopschildigen waren platte bodembewoners die zich ontwikkelden in zee en later ook het zoetwater veroverden. De kopschilden bestonden uit een enkele beenplaat die met het bereiken van de volwassenheid niet meer doorgroeide. Deze soort was uitgerust met een rugvin, gepaarde flappen en een omhooggerichte staart. Het skelet bestond uit kraakbeen waarop een dunne laag been was afgezet, hierdoor zijn de fossielen van deze vissen goed bewaard gebleven. Orde Anaspida De anaspida bezaten geen kopschilden, deze kaakloze vissen hadden daarentegen dunne schubben en stabiliserende vinnen. Ze leven in oceanen en zeeën op het noordelijk halfrond tijdens het Laat-Siluur, daarna ten tijde van het Devoon, kwamen zij ook voor in zoetwater. Kraakbeenvissen Chondrichthyes Haaien, roggen en zeekatten behoorden tot de eerste gewervelden die kaken en benige tanden ontwikkelden. Het skelet van de Chondrichthyes bestond geheel uit kraakbeen waardoor alleen de gemineraliseerde tanden van deze dieren gefossiliseerd zijn. Het kraakbeen werd verstevigt door prismatische calciumcarbonaatkorrels die zich in de buitenste lagen van het kraakbeen bevonden welk werd bedekt met een dunne laag been. De gepaarde vinnen waren versterkt met vinstralen van kraakbeen. De huid was bedekt met vele tandvormige schubben. De buikvinnen deden bij de mannelijke vissen dienst als geslachtsorgaan, dit is een unieke eigenschap van kraakbeenvissen. De groep is onderverdeeld in de Elasmobranchi (plaatkieuwigen) en de Holocephalii (zeekatten) welke zich beide ontwikkelden gedurende het Vroeg-Devoon uit een gemeenschappelijke voorouder en beide hebben nog levende vertegenwoordigers. Onderklasse Elasmobranchii De plaatkieuwigen waartoe de haaien en roggen behoren ontstonden tijdens het Vroeg-Devoon. De haaien zijn sindsdien praktisch onveranderd gebleven. Het aantal vormen nam toe tijdens het Carboon, de moderne groepen ontstonden tijdens het Jura en zij verdrongen de ichthyosauriërs en de plesiosauriërs. Roggen (afgeplatte voor de zeebodem aangepast haaien) en zaagvissen ontstonden pas 200 miljoen na de haaien tijdens het Vroeg-Jura. Onderklasse Holocephali De holocephali of zeekatten zijn de tweede belangrijke groep kraakbeenvissen die voor het eerst tijden het Carboon in het fossiele record voorkomen. De moderne holocephali waarvan nu 25 levende soorten bekend zijn ontstonden net zoals de elasmobranchii tijdens het Jura. Klasse Acanthodii De Acanthodii zijn de oudst bekende vertebraten met kaken en worden ook wel aangeduid als 'Stekelhaaien ondanks de naam zijn zij geen familie van de haaien. De acanthodii bezaten een gestroomlijnd lichaam voorzien van met gepaarde vinnen die met uitzondering van de staartvin waren versterkt met benige stekels. De acanthodii verschenen reeds tijdens het Vroeg-Siluur ongeveer 50 miljoen jaar voordat de eerste haaien ten tonele verschenen. Mede door de opkomst van de primitieve beenvissen stierven zij tijdens het begin van het Perm uit. Klasse Placodermi Deze klasse die wordt opgedeeld in vier hoofdgroepen; de Rhenamda, de Ptycnodoniida, de Arthodira en de Antiarchi, vormt een afsplitsing van de evolutionaire tak die leidde tot het ontstaan van de beenvissen en wordt vertegenwoordigt door een bonte verzameling gepantserde vissen. De kop en voorste deel van de romp werden beschermd door een pantser. De fossiele resten van de placodremi worden gevonden in lagen van het Vroeg-Devoon tot aan het Vroeg-Carboon. De kaken van de placodermi waren uitgerust voor het verwerken van prooien met harde schelpen. Primitieve straalvinningen Klasse Osteichthyes Deze groep beenvissen worden in de moderne fauna vertegenwoordigt door meer dan 20.000 soorten en deze maken meer dan de helft van alle gewervelde dieren uit. Ten opzichte van diversiteit en kwantiteit zijn zij het succesverhaal van de gewervelden, het waren hun afstammelingen die als amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren het land veroverden. De overgang van kraakbeenvissen naar beenvissen kende een snel verloop. Tijdens het Devoon ontstonden er twee onderklassen die worden onderscheiden op grond van de verschillen in de bouw van het beenskelet van de vinnen. De onderklasse Actinoptergii (straalvinnigen) waarvan de moderne beenvissen afstammen en de Sarcopterygil (spiervinnigen) waarvan de voorouders van de eerste landdieren. Onderklasse Actinoptergyii Beenvissen waren de eerste straalvinnigen, aanvankelijk ontstonden zij in de zeeën en oceanen maar later wisten zij zich ook te handhaven in zoet water. Moderne beenvissen zijn directe afstammelingen van de actinoptergyii, ook de zeldzame steuren, lepelsteuren, Amerikaanse moddersnoeken en kaaimansnoeken stammen uit deze groep. De vinnen van deze groep worden ondersteund door benige parallelle vinstralen. Aanvankelijk waren deze vinnen niet erg beweeglijk, maar bij modernere vormen werden deze steeds flexibeler. Gedurende de evolutie van de actinoptergyii ontwikkelde deze groep uit gepaarde luchtzakken een zwemblaas waarmee het drijfvermogen kan worden gereguleerd. De aanvankelijk zware schubben werden vervangen door flexibelere en lichtere schubben. Moderne straalvinningen Orde Teleostei De eerste echte beenvissen ontstonden gedurende het Laat-Trias maar gingen het aquatische leven pas domineren aan het eind van het Mesozoicum toen de zeereptielen (tezamen met ondermeer de dinosauriërs op het land) ten onder gingen tijdens de massa-extinctie op de grens van het Krijt en het Tertiair. Moderne vormen zoals de zalm en de forel ontstonden tijdens het Midden-Krijt. De moderne hoogontwikkelde baarsachtige beenvissen ontwikkelden zich gedurende het Laat-Krijt en Vroeg-Tertiair. Spiervinnige vissen Onderklasse Sarcopterygii De nu nog bestaande zeven soorten van de sarcopterygii ontstonden tijdens het Vroeg-Devoon, tien miljoen jaar na het verschijnen van de straalvinnigen, beide soorten behoren tot de beenvissen. In de vinnen van de straalvinnigen bevinden zich geen spieren maar benige vinstralen die werden bewogen door middel van lichaamsspieren. Bij de sarcoptergyii zijn de borst- en buikvinnen echter gespierde lobben die worden ondersteund door onderling scharnierende beentjes die langs een centrale as zijn gerangschikt. De afgeronde toppen van de vinnen zijn verstevigd door benige vinstralen die onafhankelijk door spieren kunnen worden aangestuurd. Orde Onychodontiformes Een vrij onbekende uit het Devoon stammende tot de rhipidisten behorende groep, die de karakteristieke gespierde vinlobben missen maar toch zonder twijfel behoren tot de spiervinnigen. Orde Porolepiformes Deze groep met de voor spiervinnge vissen kenmerkende gespierde vinnen is alleen bekend van het Devoon en bezaten tevens een tweedelige schedel. Orde Osteolepiformes Deze groep ontstond tijdens het Vroeg-Devoon en stierf pas130 miljoen jaar later uit tijdens het Vroeg-Perm daarmee zijn zij de langst levende vertegenwoordigers van de rhipidisten De osteolepiforme rhipidist Eusthenopteron wordt door veel paleontologen gezien als de rechtstreekse voorouder van de amfibieën. Infraklasse Actinistia De acanthinisten veelal aangeduid als coelcanthiden maakten hun eerste opwachting gedurende het Midden-Devoon. De enig bekende nog levende vertegenwoordiger Latimeria chalumnae werd in 1938 ontdekt nabij de Comoren, waardoor de soort een tijdspanne heeft van 380 miljoen jaar. Infraklasse Dipnoi Gedurende het Vroeg-Devoon verschenen de eerste longvissen of Dipnoi, er zijn drie nog levende vertegenwoordigers van de Dipnoi vertegenwoordigd in de moderne zoetwatervissen Neoceratodus (Australische longvis), Protopterus (Afrikaanse longvissen) en Lepidosiren (Amazonolongvis). Longvissen kunnen in tijden van droogte overschakelen van kieuw- naar longademhaling door middel van uitwendige neusgaten.

complete mammoetschedel opgevist uit de Noordzee.

Dinsdag 28 juni kreeg visser Piet van Oost uit Stellendam een vrijwel complete mammoetschedel uit de laatste IJstijd in zijn netten. Van Oost deed de bijzondere vangst in de Eurogeul, een dertig meter diepe geul voor de kust van Rotterdam. Aan de grote kiezen en de dikke slagtanden is te zien dat de schedel van een ongeveer dertig jaar oude mammoetstier is. Het een van de grootste en gaafste exemplaren die in ons land zijn gevo

 Nederland mammoetland

Nederland, met name ons deel van de Noordzee, staat bekend als een van de rijkste vindplaatsen van mammoetfossielen in de wereld. Vissers hebben sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw met hun sleepnetten honderdduizenden mammoetbotten en -kiezen opgevist, samen met de resten van andere diersoorten zoals de wolharige neushoorn, de steppenwisent, het wilde paard, het rendier, de muskusos, de grottenleeuw, de sabeltandtijger en de grottenhyena.

Een van de opmerkelijkste vondstgebieden in de Noordzee is de Eurogeul. De Eurogeul is de vaarroute voor mammoettankers en grote containerschepen naar de haven van Rotterdam. Gigantische baggerschepen varen 365 dagen per jaar, vierentwintig uur per dag op en neer om de geul op de vereiste 30 meter diepte te houden. Alleen het zand wordt weggezogen: grote mammoetbotten blijven in het kielzog van de baggerschepen op de zeebodem achter. Boomkorkotters die in de Eurogeul op platvis vissen, krijgen deze botten vaak in hun netten. Dat overkwam dus ook Piet van Oost van de kotter GO 18 op dinsdag 28 juni.

Hoe komen mammoetbotten op de Noordzeebodem terecht?

In de laatste IJstijd (Weichselien, 100.000 tot 10.000 jaar geleden) lag de bodem van de Noordzee droog. De zeespiegel lag tachtig meter lager doordat veel water vanwege het ijzige klimaat in de vorm van gletsjerijs op het land werd vastgehouden.

Op de bodem van de Noordzee strekte zich de zogenaamde mammoetsteppe uit: een met grassen en kruiden begroeide vlakte. Dit ecosysteem was zo rijk aan leven dat het wordt vergeleken met de Serengeti in Oost-Afrika. Er was voldoende voedsel voor grote kudden wolharige mammoeten. Als dieren stierven werd hun vlees opgegeten door aaseters als de grottenhyena. Daarvan getuigen knaagsporen op botten. In de strenge kou vergingen kadavers maar heel langzaam. Als de bovenste laag van de bodem in het voorjaar ontdooide, raakten botten bedekt door zand dat door de Maas en de Rijn werd aangevoerd. Zo belandden in de loop van duizenden jaren enorme hoeveelheden mammoetbotten in steeds dikker wordende zandlagen. Dat ging zo door tot de mammoet ongeveer 20.000 jaar geleden uit onze omgeving verdween.

 Vanaf 10.000 jaar geleden werd het klimaat warmer. Een nieuwe periode brak aan: het Holoceen. Gletsjers smolten en de Noordzee begon vol te lopen. In de loop van het Holoceen voerden zeestromingen plaatselijk zandpakketten weg, waardoor de in het zand verborgen botten op de zeebodem terecht kwamen. Door het uitbaggeren van vaargeulen ten behoeve van de scheepvaart komen ook mammoetfossielen uit diepe lagen bloot te liggen.

 Waarom is de schedel bijzonder?

In Nederland zijn geen complete skeletten van mammoeten gevonden. Wel zijn op een aantal plaatsen meerdere delen van hetzelfde skelet dicht bij elkaar aangetroffen, zoals bij Orvelte (Drenthe) en Borne (Overijssel).

Mammoetschedels behoren tot de meest bijzondere IJstijdvondsten. De schedel van een mammoet is groot en licht gebouwd en daardoor erg kwetsbaar. De wolharige mammoet had een extreem hoog en bol voorhoofd dat grotendeels was opgebouwd uit holle ruimten. Door deze bouw heeft de schedel een groot oppervlak voor de aanhechting van nekspieren maar blijft hij toch licht.

De lichtgebouwde en uitstekende delen kunnen gemakkelijk breken of kapotgedrukt worden door baggermachines of door zware kettingen die voor de netten van boomkorkotters hangen. Gave mammoetschedels zijn daardoor uiterst zeldzaam.

De zware kettingen van het sleepnet van de GO 18 hebben de mammoetschedel behoorlijk toegetakeld. Deze kettingen woelen door de bodem om platvis op te jagen. Een groot gedeelte van het voorhoofd is door de kracht van de kettingen weggeslagen. Hieruit is af te leiden dat de schedel ondersteboven op de bodem van de Eurogeul moet hebben gelegen, dus in de positie waarin hij in Naturalis is te zien.

Desondanks is de schedel van grote wetenschappelijke waarde. Niet alleen zijn ver uitstekende delen zoals de jukbogen en de kiezen intact, ook laat de schedel een bijzondere fijnheid aan detail zien. Zelfs de kleinste bobbeltjes en richeltjes zijn bewaard gebleven. Deze perfecte conservering is typerend voor fossielen uit de Eurogeul. Voor de kennis van de schedelbouw (morfologie) van de mammoet en de variatie daarbinnen zijn juist deze kleine details die op andere schedels vaak ontbreken van groot belang.

 De mooiste mammoetschedel

Inmiddels zijn in Nederland een stuk of tien mammoetschedels geborgen. De gaafste werd in 1968 van twaalf meter diepte opgebaggerd uit een oude arm van de IJssel bij Olburgen (Gelderland). Deze relatief kleine schedel heeft slechts weinig beschadigingen en zowel de slagtanden als de onderkaak zijn aanwezig. Het schijnt 's werelds best bewaarde mammoetschedel te zijn. Met een C-14 datering van 22.160 jaar voor heden is het tevens de jongst gedateerde mammoetvondst uit ons land.

 


Fossielen en evolutie.

De herkomst van fossielen is lange tijd onbekend geweest. Onze voorouders bedachten de vreemdste verklaringen voor de raadselachtige stenen. Men had nog geen flauw idee van de ouderdom van onze planeet.

Fossielen zijn overblijfselen van planten en dieren die vroeger hebben geleefd. Dat kunnen versteende botten en schelpen zijn, maar ook gefossiliseerde kruipsporen en pootafdrukken.

Vroeger dacht men dat fossielen spelingen van de natuur waren, of dat het overblijfselen zouden zijn van organismen die de Zondvloed niet hadden overleefd. Vreemde fossielen die men helemaal niet kon plaatsen in de levende biodiversiteit beschouwde men soms als resten van draken, reuzen of andere mythologische monsters.

Het is niet zo verwonderlijk dat men vroeger zoveel moeite had om fossielen op een natuurwetenschappelijke wijze te interpreteren. De meest gangbare visie was dat de gehele biodiversiteit eenmalig en kant en klaar was geschapen, min of meer tegelijkertijd met de aarde en het heelal. Bovendien bestond toen het begrip geologische tijd nog niet. Men had nog geen flauwe notie van de ouderdom en de uitgestrektheid van onze planeet en het heelal.

Paleontologisch archief

Het duurde verschillende eeuwen voordat het menselijke tijds- en ruimtebegrip voldoende was opgerekt om fossielen te kunnen zien als een paleontologisch archief dat de ontstaansgeschiedenis van de biodiversiteit documenteert. Men besefte dat de aardkorst is opgebouwd uit verschillende lagen gesteenten, waarin een duidelijke opeenvolging is te herkennen. Zonder verstoring liggen de oudste gesteenten met de oudste fossielen onderaan en de jongste bovenaan. Omdat bepaalde fossielen altijd voorafgaan aan andere soorten fossielen, kan men uitspraken doen over de relatieve ouderdom van gesteenten.

Volgens moderne creationisten is dat een onjuiste visie die stoelt op een cirkelredenering. Enerzijds zouden fossielen worden opgevoerd als bewijs van de hoge ouderdom van de aarde, maar anderzijds zou die hoge ouderdom van de aarde worden voorondersteld bij de paleontologische interpretatie van fossielen. Dat verwijt is niet terecht: er zijn nog andere geologische, fysische en astronomische overwegingen die de ouderdom aangeven van de aarde en van de aardlagen waarin fossielen voorkomen. De gegevens afkomstig uit die verschillende vakgebieden passen als puzzelstukjes ineen, en deze onderlinge overeenstemming vormt een sterke ondersteuning van het huidige natuurwetenschappelijke wereldbeeld.

 

 


Fossielenvindplaats Messel.

Sinds het einde van de negentiende eeuw werd in Messel, tien kilometer ten noorden van Darmstadt in Duitsland, in dagbouw oliehoudende schalie gewonnen. In de kleischalie bevinden zich zoveel goed bewaarde fossielen dat wetenschappers spreken van een Lagerstätte: een plek met uitzonderlijke bewaaromstandigheden, waar je als het ware kunt terugblikken in de tijd. Het eerste fossiel, een krokodil, werd reeds in 1875 ontdekt. Sinds het begin van de jaren zeventig werd er intensief naar fossielen gezocht, zowel door amateurs als wetenschappelijke instellingen. De oliehoudende schalie werd 47 miljoen jaar geleden als klei afgezet in een kratermeer dat was gelegen in een subtropisch woud. De kleien en de zuurstofarme bodem van het meer zorgden voor een uitzonderlijke bewaring van gestorven organismen: planten, insecten, vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Bij veel fossielen zijn behalve het skelet ook de zachte delen bewaard gebleven, zoals de huid, ingewanden en veren.

De Messelgroeve is niet meer commercieel in gebruik. Er waren plannen om de groeve vol te storten met huisvuil, maar dankzij protesten heeft men dat kunnen voorkomen. Het gebied is zo belangrijk voor de wetenschap dat het sinds 1995 op de werelderfgoedlijst van de UNESCO staat.

Het kratermeer en de directe omgeving

Met een oppervlakte van 1,8 vierkante kilometer was het kratermeer van Messel relatief klein. Wel was het redelijk diep, zo'n 300 meter. Oorspronkelijk was het totaal afgescheiden van de omgeving door een ring van vulkanisch gesteente. Alleen in de bovenste twintig meter was een regelmatige watercirculatie, die zuurstof in het water bracht. Daar was dierlijk leven mogelijk. De diepere zones waren zuurstofloos en daardoor zonder leven. Dierlijke en plantaardige resten uit zowel het water als het bos zakten naar de bodem van het meer en bleven liggen. Nu vertegenwoordigen ze het meer en de omgeving, maar ook verder liggende gebieden. Dat maakt ze geschikt om reconstructies te maken van de vroegere leefomgeving en het klimaat. Sommige van de in Messel gevonden planten- en diersoorten komen tegenwoordig nog steeds voor in de tropen en subtropen. Toch is er geen enkel tropisch regenwoud dat precies overeenstemt met de geografische situatie van toen. Het ecosysteem van Messel is dus uniek.

 

Messel is een zogenaamde Fossillagerstätte

Paleontologen gebruiken de Duitse term 'Fossillagerstätte' om bijzondere fossielvindplaatsen aan te duiden, die van 'gewone' vindplaatsen verschillen door de aanwezigheid van een grote diversiteit aan organismen of omdat hun overblijfselen uitzonderlijk goed zijn bewaard.
 
Er kunnen twee typen worden onderscheiden: Bij een Konzentratlagerstätte is er sprake van één fossielrijke laag waarin een significant deel van een ecosysteem bewaard is gebleven. De grote diversiteit aan soorten stelt paleontologen in staat om zich een beeld te vormen van de vroegere leefgemeenschap. De Burgess Shale in Canada is hier een voorbeeld van. De kleischalie van de Burgess Shale  omvat een complete leefgemeenschap van meer dan 140 soorten uit het Precambrium (meer dan 500 miljoen jaar geleden).
Paleontologen spreken van een Konzervatlagerstätte als er nog fossiele weefsels herkenbaar zijn of in ieder geval afdrukken daarvan. In het Eoceen, ongeveer 47 miljoen jaar geleden, bevond zich bij Messel in de buurt van het Duitse Darmstadt een meer, omringd door een subtropisch regenwoud. In het zuurstofarme water werden dikke kleilagen afgezet. Dieren die in of vlakbij het meer stierven, zonken naar de bodem, waar ze zeer snel bedekt raakten met slib. Niet alleen skeletten bleven bewaard, maar soms ook de maaginhoud en afdrukken van de huid. Dergelijke anatomische details stellen paleontologen in staat om zich een goed beeld te vormen van de bouw en het uiterlijk van het organisme.

In de praktijk is de onderverdeling in Konzentratlagerstätte en Konzervatlagerstätte echter niet zo strikt. Waar veel organismen bij elkaar gevonden worden zijn de omstandheden namelijk vaak ook geschikt voor de conservering van zachte weefsels, en omgekeerd. Zo vinden we bijvoorbeeld in de kleischalie van Messel niet alleen vleermuizen met goed bewaarde maaginhoud en vlieghuid, maar ook andere diersoorten die in het regenwoud hebben geleefd zoals oerpaardjes, tapirs en zelfs vogels, nog met de veren aan hun lijf.

Ideale omstandigheden voor fossilisatie zijn zeldzaam en dus komen Fossillagerstätten niet al te veel voor. Messel is een van de weinige Lagerstätten die in Europa zijn te vinden. Ook in de wereld is Messel uniek. Er zijn maar een paar andere plekken waar fossiele resten van planten en dieren even goed bewaard zijn gebleven.

 

 


De eerste vogels

Tijdens het Trias(ca. 250 tot 210 miljoen jaar geleden) verschenen de eerste vliegende reptielen. Deze Pterosauria waren de eerste gewervelde dieren die het luchtruim kozen. Hun vlieghuid was bedekt met haren, en liep van de sterk verlengde pink naar de dij. Aan hun vleugel hadden zij een speciaal botje het 'pteroïd'. Hun spanwijdte variëerde van enkele decimeters tot 12 meter: Quetzalcoatlus was het grootste vliegende dier dat ooit geleefd heeft.

Onafhankelijk van de Pterosauria koos een tweede groep gewervelden het luchtruim in het Jura (ca. 210 tot 140 miljoen jaar geleden). Uit deze groep zijn de huidige vogels ontstaan. Archaeopteryx wordt beschouwd als de stamvader van de vogels. Deze oervogel was in het bezit van zowel reptielkenmerken als  vogelkenmerken. Op zaal Oerparade in Naturalis ligt een afgietsel van één van de zeven fossielen van Archaeopteryx die tot nog toe gevonden zijn.

In de Chinese provincie Liaoning zijn vanaf 1995 een groot aantal fossielen gevonden van gevederde dinosauriërs. Dat niet-vliegende dinosauriërs veren hadden, bevestigt volgens diverse wetenschappers dat vogels afstammen van de dinosauriërs. Maar hieruit volgt ook dat veren niet zijn geëvolueerd om te kunnen vliegen maar waarschijnlijk om warmte vast te houden (isolatie).


De mammoet in Nederland.
 

Nederland is het mammoetland bij uitstek. Nergens ter wereld worden op zo'n klein oppervlak zoveel fossielen van deze harige olifant gevonden. Tot enige tienduizenden jaren geleden liepen ze hier nog rond.

Kenmerkend voor de laatste koude periode (het Weichselien) van de IJstijd (Pleistoceen) is de wolharige mammoet, waarvan de overblijfselen veelvuldig in Nederland worden gevonden. Zo veel, dat de mammoetcollectie van Naturalis de grootste in de wereld is. De meeste mammoetbotten zijn afkomstig uit zuiggaten of door vissers opgevist uit de Noordzee.

De wolharige mammoet kwam voor van Engeland tot in Alaska. Over dat hele gebied strekte zich toen de zogenaamde mammoetsteppe uit. Dit landschapstype werd gekenmerkt door een koud en zeer droog klimaat. De mammoet was dan ook goed aangepast aan een koude omgeving. Dit is te zien aan zijn kleine oren, korte staart en zijn zeer lange haren met daaronder een wollige vacht. Mammoeten hadden de grootte van de hedendaagse Afrikaanse savanne-olifant en waren zo'n drie meter hoog.

Mammoeten in de tijd van de piramiden

Wanneer de mammoet in Nederland uitstierf is niet precies aan te geven, maar dateringen van mammoetmateriaal geven aan dat ze hier ongeveer 40.000 jaar geleden nog leefden. Toen de mammoet al uit ons land verdwenen was, wist hij elders nog te overleven. De jongste mammoetfossielen komen van Wrangel. Dit eiland ligt in de Oost-Siberische Zee, zo'n 200 kilometer ten noorden van de Siberische kust. De ouderdom van deze mammoeten is bepaald op 7000 tot 3900 jaar. Dat wil zeggen dat er nog wolharige mammoeten leefden in de tijd dat de grote piramiden werden gebouwd.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de mammoet uitstierf doordat zijn favoriete leefgebied, de mammoetsteppe, verdween. De huidige toendra's zijn veel drassiger dan de mammoetsteppe en deze olifanten konden daar kennelijk niet goed uit de voeten. Sommige wetenschappers menen dat ook de jacht op mammoeten door de steentijdmens tot zijn uitsterven heeft bijgedragen.

 

 


Fossielen zoeken 1

Fossielen zoeken

Één van de activiteiten die HINT Limburg organiseert om leden, ouders en kinderen, op een gezellige manier met elkaar in contact te laten komen is het jaarlijkse fossielen zoeken in september. Er zijn meer activiteiten die wegens groot succes vaker worden herhaald, zoals de picknick bij het Labyrint in Vaals, het bezoek aan het Explorion annex de sterrenwacht Schrieversheide in Heerlen en het zweefvliegen in Schinveld. Maar ik wil graag terugkomen op de eerste en daar een beetje meer over vertellen.

In het zuiden van Limburg wordt al sinds mensenheugenis mergel gewonnen. Soms ondergronds en waar de mergel dicht aan de oppervlakte komt, bovengronds. Deze inmiddels verlaten bovengrondse groeven zijn nog maar moeilijk in het landschap te herkennen omdat ze snel weer begroeid zijn geraakt, maar hier en daar staan in het landshap nog oude kalkovens als stille getuigen.

Een van de groeves waar tegenwoordig nog mergel wordt gewonnen is Groeve ’t Rooth van Ankerpoort NV, nabij Bemelen en Cadier en Keer in de gemeente Margraten. Hier kunt u kennismaken met een groeve in dagbouw die in de laatste 60 jaar is ontstaan, met mergel, fossielen, vuursteen, maar ook en vooral met een heringericht gebied dat is uitgegroeid tot een uniek natuurgebied. Zo uniek dat het tot Beschermd Natuurmonument is verklaard.

De zuivere kalksteen die we in Limburg mergel noemen, komt in Nederland alleen in Zuid-Limburg aan de oppervlakte. De officiële geologische benaming voor deze zachte kalksteen is Maastrichts Krijt, onderdeel van de Formatie van Maastricht. Mergel is tussen 70 en 65 miljoen jaar geleden ontstaan in de periode van het Boven-Krijt, toen ook de laatste Dinosauriërs leefden. In dit tijdperk was het klimaat warmer en het zeewater stond over de randen van het continent heen: Zuid-Limburg was ook overspoeld door een ondiepe tropische zee, waarin ontelbare planten en dieren leefden. Onder andere kwamen er ontelbare kleine zwevende eencellige diertjes met kalkskeletjes en zeewieren met kalkplaatjes (coccolieten) voor. De skeletten van deze dieren zonken na het afsterven naar de zeebodem en zo ontstond een dikke laag kalkslib. Dit kalkbezinksel is in feite de mergel die we nu winnen. Tussen het kalkslib zaten natuurlijk ook andere zeediertjes (schelpdieren, zee-egels, inktvissen, sponzen, koralen, kreeftachtigen), die we nu als fossielen in de mergel terugvinden. Kort na het einde van de krijtperiode heeft de zee zich teruggetrokken en is de mergel achtergebleven. Na deze periode van kalkzeeën werden op het kalksteen nog vele andere aardlagen afgezet en weer weggespoeld. Goed zichtbaar is de laag gemengd grind, zand en klei (stoll) bovenop de mergel. Dit materiaal is hier ooit door de Oer-Maas afgezet. De stoll wordt gebruikt om de groeve mee af te werken. Tot slot ligt er bovenop de stolllaag vaak nog een laag löss.

Zoals vele geologische lagen is ook mergel een schatkamer van het verleden. In mergelwanden van groeven zien we in feite een belangrijk deel van het ontstaan van Limburg.


Fossielen zoeken 3

Het bijzondere van Maastrichts Krijt is de hoge neutraliserende waarde ervan, en dat is het vermogen om zuur te neutraliseren. Ankerpoort levert de mergel daarom als product of grondstof voor producten die de verzuring van het milieu tegengaan. Het bedrijf verwerkt de mergel tot hoogwaardige producten als:

Kalkmeststof, die wordt verstrooid om de verzuring van landbouwgronden, bossen, water en van uw tuin tegen te gaan; Toevoeging aan een mengsel dat schoorsteengassen ontzwavelt (bijvoorbeeld in kolengestookte elektriciteitscentrales.

Daarnaast kan kalk worden ingezet als toevoeging aan veevoeder (zodat dieren sterke botten houden), maar ook als grondstof voor vulstoffen voor de weg- en waterbouw en als kleurstof in de bouw en keramische industrie. Alleen mergel kan de genoemde producten hun unieke werking geven.

Voordat de mergel gewonnen kan worden, moet de bovengrond (deklaag) worden verwijderd. Als de mergel is losgemaakt – en dat gebeurt door het los te schieten met springstof – kan door een schudzeef in de groeve de mergel worden gezuiverd van silex (vuursteen). De laatste wordt bijvoorbeeld in de groeve zelf na breken in kleine stukjes gebruikt voor de wegverharding. Vervolgens wordt de mergel per vrachtwagen naar de fabriek van Ankerpoort aan het Julianakanaal bij Itteren/Borgharen gebracht. Daar worden de grote brokken mergel gebroken, gedroogd en gemalen. Het resultaat is een zeer fijn poeder dat eventueel wordt gemengd met een of meerdere andere producten.

De mergel mag niet zomaar worden afgegraven. Voordat met ontginning kan worden begonnen, is met behulp van landschapsarchitecten zorgvuldig een plan voor de herinrichting van het gebied gemaakt, dat vervolgens door de provinciale overheid moet worden goedgekeurd. Bij de herinrichting gebruikt met de afgegraven dekgrond: de löss en het grind. Vervolgens kan de natuur zich opnieuw ontwikkelen, al dan niet door mensenhand op weg geholpen. Het klimaat van mergelgroeven draagt alle uitersten in zich. Hellingen die op het zuiden gericht zijn warmen zeer snel op. Daarnaast ligt de groeve beschut, waardoor de wind bijna niet voor afkoeling zorgt. Al in het vroege voorjaar kunnen de temperaturen oplopen tot boven de 30 graden. In de zomer wordt op zonbeschenen hellingen gemakkelijk 50 graden gehaald. Dit trekt grote aantallen bijzondere insecten aan. Zo komen hier de oranje luzernevlinder en de sikkelsprinkhaan voor. In Groeve ’t Rooth treffen we regelmatig soorten aan die in zuidelijkere delen van Europa veel algemener zijn, bijvoorbeeld de zuidelijke oeverlibel. Op de kalen delen jagen hagedissen op kleine insecten en er is een hele wereld aan gespecialiseerde bijen en wespen die hun nesten in de zonbeschenen zandwanden uitgraven. Anderzijds zijn er delen van de groeve waar de zon bijna nooit schijnt. De hellingen op het noorden blijven het hele jaar door koel en vochtig. In het voorjaar kan er nog ijs op de poelen liggen, ook al is de temperatuur al weken ver boven nul. Deze plekken zijn het domein van allerhande varens en mossen.


Fossielen zoeken 5

Voor het bezoek aan de groeve verzamelen  bij het kantoorgebouwtje bij de ingang. In het gebouw is een maquette van de groeve tentoongesteld, terwijl in een andere ruimte veel fossielen uit de mergel in vitrines liggen. Zo kom je te weten wat je straks misschien zelf tegenkomt. Onder leiding van een paar ervaren gidsen – onder aanvoering van Wiel Felder – en allen leden van de afdeling Limburg van de Nederlandse Geologische Vereniging gaan we in niet te grote groepjes de groeve in. Onderweg staan de gidsen steeds stil bij de dingen die we hierboven al hebben verteld en wijzen ons op hetgeen we soms niet uit onszelf zien. We komen langs het Geologisch Monument: een verzameling van 16 grote gesteenteblokken uit Maasgrind in Zuid-Limburg, elk van een verschillende samenstelling. Degenen die al eerder met deze activiteit hebben meegedaan weten natuurlijk hoe deze enorme keien uit Frankrijk en België hier terecht zijn gekomen… En ook wie dat diepe ronde gat in een stuk kalksteen gemaakt heeft…

Tenslotte, als we boven in de groeve op het plateau aankomen waar de losgeschoten mergelblokken klaar liggen om door ons onderzocht te worden, gaan we een fijne dag tegemoet, waarin we naar hartelust zelf op zoek mogen gaan naar mooie fossielen.


Lijst van musea met fossielen.

 Nederland:

Teylers museum (Haarlem) Collectie bezit één originele archaeopteryx. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden ("Naturalis") Natuurhistorisch Museum Maastricht Visserij museum Breskens Zeeland Geologisch Museum Hofland [Laren NH] Oertijdmuseum De Groene Poort (Boxtel) International Fossil Shell Museum (Utrecht) Ruim 4000 foto's: http://www.fossilshells.nl. Natuurmuseum Fryslân  

België:Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (Brussel) Natuurhistorisch Museum Boekenberg (Deurne) Schoolmuseum Michel Thiery (De Wereld van Kina) (Gent) Documentatiecentrum van het arduin en het glas (Zinnik)

Frankrijk:Muséum national d'Histoire naturelle (Parijs en verschillende plaatsen in Frankrijk) Verenigd

Koninkrijk:Natural History Museum (Londen)


Schelpen

buitenkantbinnenkant

 

Nederlandse naam

Schaalhoren.


Wetenschappelijke naam

Patella vulgata (Linnaeus, 1758).


Behoort tot de 

Slakken (Gastropoda).


Belangrijkste kenmerken

Stevige schelp in de vorm van een hoedje of muts. De schelp is puntiger bij exemplaren die hoog op de kust leven en platter bij exemplaren onder of langs de waterlijn.


Grootte

Tot 6 cm breed en 5 cm hoog.


Kleur

Binnenzijde mat geelgroen, buitenzijde grijsgroen met donkere strepen. Door begroeiing met zeepokken is er van de kleur vaak niets te zien.


Voorkomen in Nederland

In Nederland vrij zeldzaam, alleen in Zeeland levend te vinden.


Voorkomen in de tijd

Aantallen nemen in Zeeland sterk toe. De schaalhoren is sinds enkele jaren ook langs de Hollandse kust (Scheveningen, Den Helder) te vinden.


Leefomgeving

Schaalhorens leven vastgezogen op een harde ondergrond, zoals pieren, dijken en rotskusten, tot enkele meters diep. Vaak zitten ze op plaatsen met weinig wierbegroeiing.


Naamgeving 

Omgekeerd lijkt de schelp op een puntige schaal, de schaalhoren heeft daaraan zijn naam te danken. Overigens wordt de soort soms ook napslak genoemd.


Vergelijkbare soorten

De schaalhoren kan verward worden met andere soorten zoals de ruwe schaalhoren of de gekleurde schaalhoren. Deze komen echter niet veel voor langs de Nederlandse kust. Bij levende dieren kan de kleur van de voetzool als onderscheidingskenmerk gebruikt worden. Bij de schaalhoren is deze grijsgroen, bij de ruwe schaalhoren zwart en bij de gekleurde schaalhoren geelwit.  De ruwe en de gekleurde schaalhoren hebben ook duidelijke ribben op het oppervlak van de schelp.


Weetjes

Schaalhorens bevinden zich bij laagwater permanent op dezelfde plaats en zijn dan bijna niet los te krijgen. Bij hoogwater kruipen de dieren rond om algen te eten. De schaalhoren verandert ongeveer elke vier jaar van geslacht.



Fossielen zoeken in de mergelgroeve 't Rooth.
Fossielen zoeken in de mergelgroeve 't Rooth. Tientallen volwassenen en kinderen hakten met beitels en geologenhamers in grote brokken kalksteen. Ze zochten fossielen in de mergelgroeve 't Rooth. De ernst waarmee ze dat deden was verbluffend, hun opgetogenheid als ze iets gevonden hadden hartverwarmend. Het was eind september. De zon blikkerde op de witte kalksteenbrokken. Een meisje liet me opgewonden een stuk tufkrijt zien vol penhoornachtige slakkenhuisjes. Een ander kind had een bruine wervel te pakken, die volgens een aanwezig lid van de Nederlandse Geologische Vereniging van een Maashagedis moest zijn. In een bestelauto lagen twee grote fossiele zee-egels, pas gevonden in de groeve. Een huismoeder zat op een kampeerstoeltje een boek te lezen, haar voeten rustend op een bonk kalksteen. Vader, geologenhamer in de hand, liet een wakend oog gaan over zijn kroost. In het bezoekerscentrum in een kantoortje van mergelexploitant Ankerpoort bij de ingang van de groeve, waar je je moet melden voor een bezoek in verband met de veiligheid, is een aardige collectie fossielen bijeengebracht. Mergel is eigenlijk een verkeerde naam voor de Zuid-Limburgse kalksteen. Mergel bestaat voor 30 tot 50 procent uit kalk en verder uit klei en zand, terwijl de Limburgse mergel vaak voor meer dan 95 procent uit kalk bestaat en dus kalksteen zou moeten heten. Limburgse geschiedenis De steilwanden, die na exploitatie overblijven, tonen 66 miljoen jaar Zuid-Limburgse geschiedenis. Door kleur en structuur zijn de verschillende aardlagen gemakkelijk te onderscheiden. De onderste laag is uiteraard het oudst. Die bestaat uit kalksteen en ontstond 66 tot 65 miljoen jaar geleden in een warme ondiepe zee. Het Late Krijt was een subtropische periode met andere planten en dieren dan tegenwoordig in onze streken bestaan. Het is een merkwaardige gedachte dat Zuid-Limburg miljoenen jaren geleden zee was. In die zee bezonken overblijfselen van kalkwieren (coccolieten) en eencellige diertjes met kalkskeletjes (foraminiferen). Zij vormden een tientallen meters dikke laag kalkslib, de kalksteen die nu wordt gewonnen. Die kalksteen is bijzonder rijk aan fossielen van schelpdieren, kreeften, zee-egels, koralen, sponsachtigen en inktvissen. Alles wat doodging zonk naar de zeebodem en werd ingebed in het slib. Harde delen bleven bewaard en getuigen nog van de zeedierenwereld in het Late Krijt. De middelste laag (boven op de kalksteenlaag) bestaat uit enkele tientallen meters zand, 38 tot 34 miljoen jaar geleden afgezet in het Oligoceen. Oorspronkelijk was de zandlaag vele honderden meters dikker, maar het zandpakket uit het latere Mioceen en Plioceen is door rivieren en regen in de loop van de tijd weggespoeld. Ook in het Oligoceen was Limburg een warme en ondiepe zee, maar van een volkomen ander karakter dan de Krijtzee: getijdelagunes en dagelijks tweemaal onderlopende mangrovebossen, waarin veel zand en slib bezonk, werden afgewisseld door moerassen en palmenstranden. Opperlaag uit ijstijden De bovenste laag bestaat uit Maasgrind, vermengd met zand en klei. Afgezet door de Oer-Maas, zo'n 800000 tot 600000 jaar geleden, dus in de ijstijden, toen Limburg door de druk van het landijs op de noordelijker gebieden boven de zeespiegel oprees. De rivier bracht grote hoeveelheden grind uit de Ardennen aan. Sindsdien is Zuid-Limburg steeds hoger komen te liggen en heeft de Maas zich ten westen van het Plateau van Margraten ingesleten en het terrassenlandschap van het tegenwoordige Maasdal gevormd. Boven op de Maasafzetting ligt vaak nog een laag löss, door noordwestenwinden als fijn leemstof afgezet in de laatste ijstijd. Er komen heel wat zee-egels voor in het Limburgse krijt. Een van de grootste en mooiste is Hemipneustes. Deze zee-egel heeft wel iets weg van de tegenwoordige zeeklit, waarvan de tere skeletjes soms op het strand liggen. Hemipneustes, om zijn bolle bovenkant door de groevearbeiders 'schildpad' genoemd, is zo talrijk in het Maastrichtse krijt dat in 't Rooth wordt gewonnen, dat er hele lagen van brokstukjes in voorkomen. In de steile mergelwanden op de winlocaties zijn grote verticale trechters te zien, waaruit de kalksteen verdwenen is. Dat zijn 'geologische orgelpijpen', plekken waar relatief zuur regenwater door de tijd heen de kalk heeft opgelost. Vervolgens vulden de orgelpijpen zich met materiaal uit de bovenliggende lagen. Kiezelzuurverbindingen Uit de kalk komen ook grote vuursteenknollen. Vuursteen is in de mergel ontstaan door scheiding van de zure siliciumverbindingen van de basische kalksteen. Waarschijnlijk zijn die kiezelzuurverbindingen afkomstig uit enorme hoeveelheden sponsnaaldjes, die tegelijk met de kalkskeletjes op de zeebodem werden afgezet. Opmerkelijk zijn ook de grote rotsblokken langs de weg van het kantoor naar de winlocatie. Die zijn afkomstig uit het grind boven op de oligocene lagen. Deze stenen zijn ooit door de Oer-Maas met ijsschotsen uit de Franse en Belgische Ardennen aangevoerd. Denk aan de vorming van grondijs, zoals ik dat een maand geleden beschreef in het artikel over de Bussumse Zanderij. Het einde van de Krijttijd was tevens het einde van de dinosauriërs, die miljoenen jaren op aarde hadden rondgezworven. De Maashagedis (Mosasaurus) was geen dinosauriër, maar een aan het leven in zee aangepaste varaanachtige hagedis met een slangachtig lichaam van twaalf tot vijftien meter lengte. Een ware Leviathan, waarvan nog steeds resten worden gevonden en een paar jaar geleden een vrijwel gave schedel en andere delen van het skelet uit de Sint-Pietersberg door het Natuurhistorisch Museum Maastricht zijn geborgen.

Barnsteen
Barnsteen De naam barnsteen is eigenlijk een misleidende naam, die suggereert dat het een steensoort is, maar dat is niet het geval. Barnsteen is een fossiel hars van naaldbomen. Dat is ook de reden van het lichte gewicht van de barnsteen en van de zaden, insecten of takjes die er soms inzitten. Barnsteen kan heel gemakkelijk nagemaakt worden en het verschil is op het eerste gezicht echt niet te zien. Een proef om de echte van de namaak te kunnen onderscheiden is zelf uit te voeren. Leg wat papiersnippers klaar en wrijf de barnsteen stevig met een wollen lap, een trui of iets anders van wol. Houdt dan de barnsteen vlak boven de papiersnippers. Als de snippers meteen worden aangetrokken dan heeft men te maken met de echte barnsteen. Bij namaak lukt dit niet. Als gebleken is dat het om een echte barnsteen gaat, dan is een echt zonnetje in huis gehaald,want de gouden tot goudbruine heldere barnsteen is een hartverwarmde steen (letterlijk en figuurlijk) die veel kracht geeft aan koude en verkilde mensen. Alle goede eigenschappen van de zonnekracht zijn in de barnsteen ruimschoots vertegenwoordigd. In de heldere wat sterker dan in de troebele, ondoorzichtige soort. Voorbeelden van toepassingen: Voor baby;s die op het punt staan tanden te krijgen en daar pijn van hebben is het aan te bevelen om een piepklein barnsteentje in het hemdje te spelden. De pijn zal dan zeker verminderen en de tandjes zullen sneller doorkomen. Barnsteen is de beste steen om bij astma te dragen, en dan zo dicht mogelijk bij de luchtpijp. Bij zware vermoeidheid en ernstige depressies, die zelfs tot een fobie geleid kunnen hebben, is een barnsteen de aangewezen steen. Hij helpt de levensmoed weer terug te krijgen en de angst te overwinnen. Mensen die moeite hebben om warmte te delen met anderen moeten zeker een barnsteen gaan dragen om dit weer beter te kunnen. En tot slot: in ons koude, natte klimaat is de barnsteen een goede beschermer van onze luchtwegen.

Eurogeul - Baggeren en vissen naar fossielen.
Eurogeul - Baggeren en vissen naar fossielen De haven van Rotterdam is diep genoeg om de grootste schepen ter wereld te ontvangen. Daarvoor is voor de kust, in de Noordzee, de Eurogeul gegraven. Die vaargeul is 23 meter diep en heeft een lengte van 57 kilometer. Om de Eurogeul opdiepte te houden wordt er continu gebaggerd. Bij het wegzuigen van zand en slib blijven zware voorwerpen, zoals fossiele botten van zoogdieren, op de zeebodem liggen. Deze skeletdelen belanden als bijvangst in de netten van kleine vissersboten, de zogenaamde boomkor-vissers. In de afgelopen vijf jaar zijn er zo duizenden botten en kiezen van ijstijdzoogdieren gevonden. De fossielen komen bij verzamelaars thuis of in collecties van natuurhistorische musea terecht. De Eurogeul heeft een lengte van 57 kilometer en is rijk aan ijstijdzoogdierfossielen. Meest algemeen: wolharige mammoet De meeste opgeviste fossielen zijn botten van de wolharige mammoet. Maar ook van andere uitgestorven dieren uit de ijstijd worden resten gevonden, bijvoorbeeld van reuzenhert, wolharige neushoorn en grottenleeuw. En, behalve van landdieren komen er ook fossielen van zeezoogdieren uit de netten: orka, grijze walvis, zadel- en ringelrob, walrus en beloega. Zowel de land- als de zeezoogdieren stammen uit de laatste ijstijd. Dit maakt de Eurogeul tot een uitzonderlijke fossielen vindplaats waarin zoogdieren van het land- en de zee elkaar ontmoeten. Gave fossielen Fossielen uit de Eurogeul zijn uitzonderlijk goed bewaard gebleven doordat ze tussen het moment van baggeren en opvissen relatief kort blootliggen. Uit andere delen van de Noordzee worden ook fossielen opgevist, maar die hebben duizenden jaren open en bloot op de zeebodem gelegen en zijn daardoor altijd gebroken, brokkelig of bedekt met zeepokken en ander aangroeisel. Dankzij de onbedoelde samenwerking tussen baggerindustrie en visserij is er een schat aan fossielen boven water gekomen en is onze kennis over de ijstijd met grote stappen toegenomen.

Vissen naar geschiedenis:Het genootschap Kor + bot
Vissen naar geschiedenis: het genootschap Kor en Bot Er gebeuren veel leuke dingen op de Oosterschelde. Ooit van het Olifantenputje gehoord? Toch hebben daar op de bodem van de Oosterschelde tussen Schouwen en Noord-Beveland ooit olifanten gelopen. Dat weten we dankzij de activiteiten van het genootschap Kor en Bot. Dat schijnbaar mysterieuze genootschap vist, in de Oosterschelde, »»n keer per jaar naar geschiedenis. Of, beter gezegd: naar de prehistorie van Zuid-West-Nederland. Het verhaal begint in 1951. In dat jaar stelde de Zierikzeese visser Ben Schot zijn mosselkotter ZZ8 voor »»n dag ter beschikking aan de wetenschap. Een groep geleerde heren en eiland-notabelen van Schouwen-Duiveland, toen nog een echt eiland, stapten in d ehaven van Zierikzee bij Schot aan boord. Op de gok. Wat was er gebeurd? Op het strand van Cadzand, in de monding van de Westerschelde, waren fossiele haaientanden gevonden. Leidse wetenschappers namen vervolgens het inititiatief om op de Oosterschelde naar fossielen te gaan vissen. Ze wisten dat voor de kust bij Zierikzee en bij de Schelphoek( aan de zuidkust van Schouwen) oude pleistocene lagen onder water 'aan de oppervlakte' kwamen. Op een diepte van 40 tot 50 meter. Zo visten ze dwars van het aloude etablissement de Heerenkeet, bij de Schelphoek, olifantenbotten op. Die plek noemden ze voortaan het Olifantenputje. Die eerste fossielenvisserij werd een traditie. Het Genootschap Kor en Bot bestaat in steeds wisselende samenstelling inmiddels al vijftig jaar. Na Ben Schot zetten zijn zoons Jaap en Wim de traditie voort. Inmiddels is het genootschap aan de derde generatie Schot toe, met schipper Jaap Schot Wzn (Wimzoon). Nog altijd staat er »»n keer per jaar een gemengd gezelschap geleerde heren op de wal in Zierikzee om botten te gaan vissen met de mosselkorren van de nieuwere en grotere ZZ 10. Het genootschap kent geen statuten en geen bestuur. Als voorzitter fungeert de burgemeester van Zierikzee. De wetenschappelijke verantwoordelijkheid ligt bij het Leidse Naturalis. Van hier uit worden de geologen, paleontologen en biologen uitgenodigd die deel uitmaken van dit selecte genootschap. Jelle Reumer, directeur van het Natuurmuseum Rotterdam maakt deel uit van het genootschap Kor en Bot. In NRC Handelsblad van 23 september 2000 beschreef hij de eerste vangst van de tocht van dit jaar: De inhoud van de netten wordt op het dek gestort. Een krioelende massa van zeesterren, krabben en een enkele kreeft valt op de planken. Conservator John de Vos van Naturalis zoekt in de maasa en houdt triomfantelijk een brok olifantebot omhoog. Tijd om een traditie in leven te houden: een proost op de erste vondst. Om twee minuten over tien die morgen gaat de jeneverfles rond op het dek van de ZZ10.

Waar komen die haaientanden vandaan?
Waar komen die haaientanden vandaan? Cadzand Cadzand is vooral bekend om zijn haaientanden. Die zijn daar zomaar langs het strand te vinden. Maar waar komen die haaientanden vandaan? Meestal lees je verhalen over vele miljoenen jaren geleden. De schattingen lopen uiteen van 15 tot 55 miljoen jaar geleden. Maar de werkelijkheid ligt veel dichterbij. Ongeveer drieduizend jaar geleden, in de periode van 1500-500 voor Christus, hebben er grote beroeringen plaatsgevonden over de hele aarde. Velikovsky Dr. Immanuël Velikovsky is een bekend geleerde uit de vorige eeuw, die zijn vele onderzoekingen van deze rampen beschreven heeft. Dat deed hij o.a. in zijn boeken 'Aarde in beroering' en 'Werelden in botsing'. Hij beschreef daarin niet alleen de vele historische documenten van volken over de hele wereld, maar ook toonde hij aan dat er in de natuur veel keihard bewijsmateriaal te vinden is voor recente grote beroeringen. Grote rampen De zgn. 'zondvloed' zo'n wereldomvattende ramp geweest (± 2500 v.Chr.). Dat verhaal is behalve in de bijbel ook terug te vinden in de klassieke literatuur van zeer veel oude culturen. Maar met de zondvloed hielden de rampen niet op. Niet alleen door inwendige vulkanische activiteit werden grote natuurrampen veroorzaakt, maar Velikovsky geeft vele bewijzen dat er in de periode van 1500-500 voor Chr. regelmatig grote kometen de aarde schampten. In het verwoestende geweld van water en zand en rotsen werden massa's dieren en mensen bedolven. Begraven De bodem van de zee, de bergen, de stenen en de beenderen getuigen ervan dat er tijdens meerdere catastrofes gedurende die periode van duizend jaar hele werelden in de oceanen zijn bedolven. Overal ter wereld zijn grote en kleine zandgraven gevonden, soms wel 150 km lang, waarin tijdens die catastrofale vloedgolven grote massa's vis de dood vonden. In veel gevallen zijn de skeletten gaaf bewaard, maar vaak getuigen de vondsten ook van een totale verwoesting. Zand en grind bedekten de grafvelden in het water. Op het vaste land, in bijvoorbeeld Engeland, Duitsland en Italië, zijn duizenden vindplaatsen onderzocht. Maar in de zeeën en de oceanen is dat onderzoek veel moeilijker. Vandaar dat het haaiengraf voor de kust van Vlaanderen nog niet exact bepaald is. Europa De catastrofes van continentale afmetingen woedden dus zo'n drieduizend jaar geleden over de hele wereld en over Europa. In die tijd ontstonden bijvoorbeeld ook de Rhônegletscher en de Alpengletschers. Op het vaste land zijn in Engeland, Frankrijk, Gibraltar in rotsspleten grote massa's beenderen gevonden. Deze botten zijn vergruizeld en nog vers; ook menselijke delen van botten werden ertussen gevonden, en werktuigen. Ook bij Elsloo aan de Maas in Limburg zijn veel haaientanden gevonden. De Noordzee www.sharksteeth.comDe geleerden zijn het erover eens dat de Noordzee in 1500 voor Christus is ontstaan. De aanleiding was een zgn. 'klimaatval'. Voor die tijd was er een zee, maar deze werd bedekt met puin uit de bergen van Noorwegen, zodat er geen zee meer overbleef. Er zijn vele bewijzen dat dit gebied toen bewoond werd, maar korte tijd later vormde de Noordzee zich opnieuw bij een catastrofale vloedgolf. Er bevinden zich massagraven van grote scholen haaien die bij de herhaalde vloedgolven bedolven werden onder het zand. De haaientanden die tegenwoordig gevonden worden bij Cadzand zijn de laatste tijd vrijgekomen door het verschuiven van de aardlagen en door de februari-storm van 1953 waardoor ze nu aanspoelen op de kust. Ook door het opspuiten van zand uit zee om het strand en de duinen te versterken, kwamen veel haaientanden op het strand terecht.

Sneeuwstormen en ijskappen
Sneeuwstormen en ijskappen Mammoeten leefden in het Pleistoceen. Dit is de periode die zo'n 1,65 miljoen jaar geleden begon en 12.000 jaar geleden ophield. In het Pleistoceen wisselende het klimaat op aarde sterk. Soms was het kouder dan nu, maar soms ook wel warmer. De koude perioden noemen we ijstijden. In het noorden kon het extreem koud zijn. De ijzige wind joeg sneeuwstormen over heel Noord-Europa en Noord-Amerika. Grote gebieden waaronder ook Nederland waren soms met ijskappen bedekt. Vanuit de bergen strekten gletsjers zich ver uit over het landschap. Enorme stenen werden met het ijs meegevoerd en kwamen in het laagland terecht: de zwerfkeien. Dan brak er weer een warmere periode aan. Het ijs smolt en de plantengroei keerde terug. Haren tot op de grond Er hebben drie soorten mammoeten bestaan. De eerste op aarde was de zuidelijke mammoet, daarna kwam de steppenmammoet, en laat in het Pleistoceen -zo'n 600.000 jaar geleden- leefde de meest bekende mammoet: de wolharige mammoet. Het hele lichaam van de wolharige mammoet was uitgerust om de echte ijstijden te doorstaan. Hij had een dikke vacht waarvan de haren soms tot aan de grond reikten. De oren waren klein en ook bedekt met haren. De twee andere mammoeten waren lang niet zo dik behaard. Omdat veel van het water op aarde bevroren was, waren sommige zeeën drooggevallen. Daardoor kon de wolharige mammoet zich verspreiden over grote delen van de wereld. Hij kwam voor in Noord-Amerika, Europa en Azië.

Fossielen vertellen geschiedenis
Fossielen vertellen geschiedenis Bijna alles wat de mensheid weet van het ontstaan en de ontwikkeling van de aarde, is aflkomstig van de kennis die fossiele vondsten ons verschaft hebben. Men noemt fossielen ook de versteende getuigen uit het verleden, de in gesteente bewaarde resten of sporen van toenmalig leven, zoals dat duizenden of miljoenen jaren geleden plaatsvond. Omdat maar weinig fossielen de onvoorstelbare temperaturen kunnen doorstaan, zoals die voorkomen bij de vorming van stollingsgesteente* en afzettingsgesteente* en bij vulkaanuitbarstingen, vindt men fossielen bijna uitsluitend in sediment-gesteenten*, die bestand zijn tegen de grote hitte. Dergelijke sedimenten zijn o.a. grind, zand, klei en slik, die bij de zee natuurlijk in grote maten aan te treffen zijn. Zo ook in Zeeuws Vlaanderen - en in die sedimenten zijn grote aantallen haaientanden en andere fossielen te vinden. Niemand hoeft zich zorgen te maken dat er in de komende vakantie geen fossielen meer te vinden zijn op het strand. En ook de volgende generaties zullen zich er nog volop over kunnen verbazen en er plezier aan beleven. Terugblik op de geschiedenis De Zeeuwse kust heeft natuurlijk niet altijd de vorm gehad die ze nu heeft. In vroeger tijden heeft de zee stukken land prijsgegeven en weer teruggenomen. Want de aarde is niet de definitief vastgelegde bol zoals zij dat in ons korte mensenleven lijkt te zijn. Als we sneden door gebergten en vormden dalen. Kustlijnen verschoven en hele continenten dreven uit elkaar. Als kortstondige bezoeker van deze kust interesseren wij ons uiteraard voor de veranderingen die zich nu afspelen: eb en vloed, wind en storm, spring- of stormvloed of veranderingen die door mensenhanden zijn veroorzaakt. Aan alle kuststroken dus ook aan de Zeeuwse, knaagt de zee, elk moment, dagelijks. Vroeger of later zullen we weer verbaasd staan kijken, als de vele kleine veranderingen in hun totaliteit zichtbaar worden, of als de zee weer eens met zijn oerkracht grote stukken uit de zojuist nog met grote moeite opgespoten duinen* rukt, wanneer de storm een grote massa zand de duinen over blaast en zo wegen en grasvelden met een soms metersdikke laag zand bedekt.

Hoe wordt een fossiel gevormd?
Hoe wordt een fossiel gevormd? Fossielen zijn versteende overblijfselen van organisch materiaal, die ontstaan waarneer mineralen in de grond door bijvoorbeeld een dinosaurusbot worden geabsorbeerd. Het bot of ander lichaamsdeel dat wordt versteend moet dus bedekt zijn met mineraalhoudende aarde of modder. Deze verstening kan plaatsvinden binnen enkele uren tot een paar duizend jaar. Belangrijk is dat het een zuurstofarme omgeving moet zijn, want in een zuurstofrijke omgeving krijgen micro-organismen de kans om energie te onttrekken aan de organische stoffen, waarbij zelfs de harde botelementen wegrotten. Fossielen worden dus meestal gevormd in waterrijke omgeving. Andere mogelijkheden zijn woestijnachtige gebieden of veenmoerassen. In de meeste gevallen krijgen bacteriën toch de kans om de zachte delen van een kadaver te laten ontbinden, waardoor gefossiliseerde organen, vacht of maaginhoud slechts heel zelden worden gevonden. Een andere mogelijkheid van fossilisatie is dat de botelementen daadwerkelijk wegrotten, maar in de hardgeworden modder een mal achterlaten die dan opnieuw met mineralen en gesteenten wordt opgevuld. Dit proces heet het Cast en Mould principe, waarbij op natuurlijke wijze een kopie van het oorspronkelijke fossiel wordt gemaakt. Dit kan alleen voorkomen in sedimentaire gesteenten, die ongeveer 25% van de aardkorst uitmaken. Bijzonder is wel dat deze mallen soms worden opgevuld met zeldzame gesteenten, zo zijn er in Australië fossielen gevonden die uit Opaal bestaan, en in Canada werden dinosaurusbotten van Pyriet gevonden. Naast een zuurstofarme omgeving is er nog een vereiste voor het fossilisatieproces, namelijk dat de organische stoffen snel moeten worden bedekt met modder, zand of afgekoelde lava zodat de mineralen kunnen binnendringen. Eén van de beste methoden waarop dat gebeurd is drijfzand, waar dieren in vast komen te zitten en wegzinken in de bodem. Een vergelijkbare methode is bij meertjes waar op natuurlijke wijze asvalt wordt gevormd, zoals in het Californische la Brea. Maar gewoonlijk worden fossielen begraven door het aangevoerde sediment in rivieren. In rivieren eroderen de oevers aan één kant van een bocht en wordt het sediment weer opgeworpen aan de andere kant van de bocht, waardoor deze scherper wordt. Hierdoor ontstaat een typisch kronkelpatroon, waarbij een grote rivier op sommige plaatsen vele kilometers verschuiven. Als er zich tussen het sediment organische resten (zoals botten) bevinden kunnen deze snel bedekt worden onder het sediment en fossiliseren. We weten dat dit waar is omdat grote aantallen fossielen vaak worden gevonden in scherpe bochten van wat destijds grote rivieren waren, bijvoorbeeld in Patagonië, bij de vindplaats van Giganotosaurus en Argentinosaurus. Zulke dieren zouden misschien zijn verdronken bij het oversteken van de rivier, zoals ook tegenwoordig nog dikwijls verschillende gnoes verdrinken waarneer de kudde haastig een snelstromend water oversteekt. Een andere veel voorkomende manier waarop fossielen worden gevormd is door een plotselinge regenbui na een lange droogte. Net als tegenwoordig werden vroeger veel gebieden de ene helft van het jaar blootgesteld aan een tijd van droogte, het droge seizoen, en de ander helft van regens, het natte seizoen. Tegen het eind van het droge seizoen droogde zelfs de laatste poeltjes en riviertjes op, en dieren die hier kwamen zoeken naar drinkwater stierven dan van de dorst in het opgedroogde meer of rivierbedding. Waarneer het natte seizoen dan vervolgens aanbrak werden deze weer snel gevuld met water, en de dode lichamen die er in lagen werden bedekt met modder en sediment, waardoor ze fossiliseerde. Hierdoor vinden we veel skeletten, bijvoorbeeld in de Noord-Amerikaanse Morrison Formation, liggend in wat vroeger meertjes of rivierbeddingen waren. Onder andere het befaamde Allosaurusskelet Big Al, is op die manier gefossiliseerd. Dat er bij fossilisatie vaak water aan te pas komt wil niet zeggen dat dit essentieel is, het gaat er ten slotte om dat er weinig zuurstof aanwezig is die bacteriën in leven houdt die aan het kadaver knagen, en dat kan ook voorkomen in heel droge omstandigheden. De fossielen uit Mongolië, zoals van Velociraptor en Protoceratops tijdens het late-Krijt hebben hun conservering te danken aan het zand dat hun lichamen bedekte, waarschijnlijk tijdens een zandstorm. Behalve deze gangbare fossilisatiemethodes zijn er nog uitzonderlijke situaties waarbij een dood lichaam extreem goed geconserveerd wordt, bijvoorbeeld doordat het wordt bedekt met vloeibare boomhars. Waarneer deze stroperige substantie opdroogt wordt het keihard (Dit noemen we barnsteen of amber.), en alles wat zich hierin bevind wordt volledig afgesloten van de buitenwereld en perfect geconserveerd. Helaas kunnen alleen kleine dieren volledig bedolven worden onder de boomhars, dus de dieren die zo bewaard blijven zijn insecten, spinnen en ander klein gedierte. Ook is er een fossilisatiemethode waarmee we geluk hebben dat we leven in een periode waarbij we net een ijstijd achter de rug hebben. Tijdens de ijstijd zijn verschillende grote dieren waaronder mammoeten door het ijs van lichtbevroren poelen gezakt. Waarneer de poel of meertje dan geheel bevroor werden de dode lichamen geconserveerd als in een natuurlijke diepvries. Sinds de ijstijd is het al veel minder koud, maar toch vinden we in Siberië en Noord-Canada soms de bevroren lijken, men spreekt van ijsmummies, van deze dieren terug, zoals Dima, de babymammoet. Ook werd in een gletsjer in Oostenrijk de beroemde ijsmummie 'Ötzi' terug gevonden, een man van ongeveer 5000 jaar oud, geconserveerd in het ijs. Tenslotte zijn zuurstofarme veenlagen geschikt voor fossilisatie, in Europa en Noord-Amerika zijn een kleine 500 menselijke veenlijken gevonden, waaronder het Nederlandse 'meisje van Ype'.

Een beknopt overzicht over 3,5 miljard jaar.
Een beknopt overzicht over 3,5 miljard jaar. Tegen het licht gehouden van uit welke tijd de verschillende gevonden fossielen stammen (Over de integriteit van dateermethodes gaat dit hoofdstuk.) zien we dat een geleidelijke ontwikkeling en gemeenschappelijke oorsprong niet meer dan de enige verklaring is. In de alleroudste aardlagen, die van het Precambrium, tot 3,5 miljard jaar geleden worden enkel microfossielen aangetroffen, gevormd door ééncelligen. In Australië is eens een 3,45 miljard jaar oude stromatoliet, een pilaarachtige kolonie van ééncelligen gevonden. maar verder was het enige leven op aarde niet groter dan een bacterie. Multicellulaire (meercellige) dieren treffen we aan in het late Precambrium. Vanaf 680 miljoen jaar geleden zien we voor het eerst sporen van gravende dieren, mogelijk wormachtige wezens. Hun fossielen zijn nooit gevonden, maar hun tunneltjes wel. Vanaf 610 miljoen jaar geleden verschijnen de eerste vormen van wat we de Ediacaran of Vendian fauna noemen, kleine kwal -en wormachtige zeedieren. Sommige waren filtervoeders, die aan een rots waren vastgeketend en viste voorbij komende ééncelligen uit het water. Veel dieren uit deze periode hebben voor zover we kunnen zien geen orale en anale lichaamsopeningen en geen maag. Hun voedsel werd waarschijnlijk verwerkt door bacteriën die zich in hun lijf bevonden. Ook afwezig zijn alle sporen van ogen, oren, reukzin, poten en hersens, hun enige zintuig was tastzin. Vanaf 570 miljoen jaar geleden ontstonden de eerste Brachiopoden (Schelpdieren), deze ontwikkelden hun beschermende schaal tegen roofdieren, maar deze ontwikkelde op hun beurt een drilboorachtig orgaan om de schelp te doorboren. De oudste schelpen vertonen al gaatjes veroorzaakt door deze roofdieren, en tot vandaag de dag gaat dit door. Met het binnentreden van het Cambrium namen de aantallen en de variatie binnen de fossielen snel toe, zodanig dat men rond het begin van de 20ste eeuw sprak van de 'Cambrische explosie'. Sinds er nieuwe fossielen zijn gevonden weet men dat het Cambrium heel wat minder explosief was dan men aanvankelijk dacht, maar het blijft een periode waarin de soortvorming en variatie op een hoger pitje stond dan normaal. In de 518 miljoen jaar oude lagen van wat tegenwoordig de Burgess Shale heet worden vele fossielen van de vreemde voorwereldse dieren uit het Midden-Cambrium gevonden. De meeste van hen zijn geleedpotigen, zoals Marella, Anomalocaris en vroege Trilobieten bijvoorbeeld Naraoia. Ook waren er wormen, bijvoorbeeld Canadia, en dieren die over zulke vreemde kenmerken beschikken dat niemand er een touw aan kan vastknopen, zoals de vijfogige, en van een slurf voorziene Opabinia. Zeer belangrijk is de vondst van Pikaia, een 5 centimeter lang aalachtig diertje dat de eerste sporen van een ruggengraat vertoont. Na het Cambrium volgde het Ordovicium, dat liep van 490 tot 443 miljoen jaar geleden. Rond 445 voltrok zich een massa-extinctie, die alleen wordt overtroffen door de Perm-Trias extinctie. De meest waarschijnlijke oorzaak hiervan was een ijstijd. Tijdens het Ordovicium ontwikkelden zich de eerste echte gewervelde. Dit waren de Agnatha, vissen zonder kaken of vinnen, maar het een benig koppantser, ze leken op 10 centimeter lange gepantserde kikkervisjes. Anders dan in latere perioden waren gewervelde niet de meest opvallende levensvorm. De vissen konden zich niet ontwikkelen tot roofdieren vanwege een gebrek aan kaken, in plaats daarvan voedde ze zich met organisch afval op de zeebodem. De echte roofdieren waren de Euryteriden oftewel de zeeschorpioenen, verwanten van spinnen en schorpioenen, die soms een meter tot twee meter lang werden en voorzien waren van pantsers en machtige scharen om hun prooi aan repen te scheuren. Daarnaast waren er verschillende soorten cephalopoden, ongetwijfeld de meest indrukwekkende soorten weekdieren, waar de hedendaagse octopussen en inktvissen toe behoren. In vroegere tijden waren er nog meer soorten van deze dieren met hun bewegelijke vangarmen, zoals belemnieten, Ammonieten en Orthoceren. Orthoceren leken ongeveer op pijlinktvissen, behalve dat hun lange achterlijf in een grote schelp was verborgen. Het waren onmiskenbaar roofdieren, die door gassen in of uit hun schelp te lopen konden stijgen en dalen in het water. Met hun tentakels grepen ze prooien van de zeebodem en beten deze in stukken met hun harde snavelachtige bek. De meeste orthoceren waren klein, maar er is een monsterachtige grote Orthoceer uit het Ordovicium bekend, de minstens 10 meter lange Cameroceras. Tenslotte floreerden Trilobieten in het Ordovicium, evenals de Agnatha leefde zij van organisch afval op de zeebodem, en dit was een zeer succesvol bestaan, Trilobieten zijn veelvuldig bekend uit het Cambrium, Ordovicium en Siluur, vanaf het Devoon begonnen ze in aantal af te nemen en stierven definitief uit aan het einde van het Perm. Maar bij elkaar hebben ze ruim 300 miljoen jaar bestaan, en momenteel zijn er zo'n 15000 verschillende soorten bekend. Sommige Trilobieten konden vrij zwemmen, andere kropen alleen over de zeebodem en/of groeven zich in in de bodem. Sommige hadden lange voelsprieten, of ogen op steeltjes, die ze boven het zand uitstaken als ze zich hadden ingegraven. De meeste trilobieten waren enkele centimeters lang, andere bereikte een lengte van een halve meter. Na het Ordovicium volgde het Siluur, de omstandigheden waren niet veel anders dan in het Ordovicium. Nog steeds leefde er Trilobieten, Agnatha en zeeschorpioenen. Zeeschorpioen Rond deze tijd leefde er ook Graptolieten, een diersoort die in kolonies leefde zoals het tegenwoordige Portugees oorlogsschip. Deze parapluachtige kolonie werd gevormd door verwanten van de gewervelde, de chordaten, die als larve een klein ruggengraatje bezitten en als volwassenen zich vastklampen aan een rots of in dit geval aan elkaar. Bijzonder is dat tijdens het Siluur de eerste vissen kaken ontwikkelden. Kaken waren al eerder uitgevonden door verschillende diergroepen, maar tot nog toe hadden de gewervelde verstek laten gaan. Rond 435 miljoen jaar geleden vormden enkele vissen de voorste bogen van hun kieuwskelet om tot een soort bijtorgaan, waarop tanden groeiden. Met deze wapens konden vissen de rol van toproofdieren overnemen, want anders dan de geleedpotigen en cephalopoden beschikte vissen over de juiste lichaamsbouw om snelheid te ontwikkelen, en hierdoor namen vissen vrij snel de wereld over. Dit gebeurde met het binnentreden van het Devoon, tijdens deze gouden eeuw van de vissen werden verschillende andere diersoorten verdrukt door deze nieuwe vormen van roofdieren. Zo verdwenen met het Devoon 4 ordes van trilobieten (Alleen de orde der Proetida overleefde.), de meeste kaakloze vissen (Er bestaan vandaag de dag nog twee soorten, die een aasetend bestaan leiden.), de Orthoceren verloren hun plaats aan de top van de voedselketen, en de schorpioenen en spinnen werden het land op gedreven. De wapenwedloop in zee was definitief gewonnen door de vissen, en dit is nog steeds merkbaar tot vandaag de dag. In het Devoon verschenen de eerste van wat een uiterst succesvolle familie van roofvissen zou worden, de haaien, maar in het Devoon stonden deze nog in de schaduw van de gepantserde Placodermen. Enorme Placodermen zoals Dunkleosteus maakten de zee onveilig, en maakte van hun nieuwe bijtgereedschap gebruik om andere vissen te bejagen. Anders dan de zeeschorpioenen en Orthoceren waren zij snelle jagers, die hun prooi bliksemsnel konden grijpen met een krachtige zwaai van hun staart. Andere groepen vissen waren de spiervinnigen, die zich met name ophielden in zoet water, waarvan enkele zeer benige vinnen ontwikkelden zoals Eusthenopteron. Een weinig later ontwikkelden ze ook nog eens vingers, en hierdoor waren enkele spiervinnigen in staat om voor het eerst het water te verlaten en een kijkje boven water te nemen. Zulke vissen met poten zoals Acanthostega openden de evolutionaire deur richting het vasteland. Hierna volgde het Carboon, genoemd naar de steenkoollagen die uit deze tijd stammen. Het Carboon is inmiddels verdeeld in twee tijdperken, het Mississipian en het Pennsylvanian. Gedurende deze tijd ging het bergafwaarts met verschillende groepen vissen, ten gunste van één succesvolle groep, de straalvinnigen. Hiertoe behoren bijna 90% van de huidige vissen, en dit succes ging ten koste aan de Placodermi, die geheel uitstierven en de spiervinnigen, waarvan enkel nog wat longvissen en de Coelacanth toe behoren. Van de oude vissoorten zijn alleen de haaien er nog redelijk van af gekomen. Ondertussen zat het leven op het land ook niet stil, uit halfaquatische amfibieën hadden zich volledig terrestrische reptielen ontwikkeld, die zich aangepast hadden aan een leven op het land. Deze ontwikkeling ging overigens niet zo heel vlot, het eerste echte reptiel ontstond pas tegen het einde van het Pennsylvanian. In het Perm kwamen de landdieren pas tot ontwikkeling. Het meest prominent waren de Synapside reptielen, die zich ontwikkelden tot zowel herbivoren als carnivoren, tot deze familie behoort onder meer Dimetrodon. Tegen het einde van het Perm deed zich een verwoestende ramp voor, die bijna 90% van het leven op aarde vernietigde. Hoewel het leven daarna in eerste instantie weer verder ging alsof er niets gebeurd was stonden er toch veranderingen op tilt. Met het binnenkomen van het Trias ontwikkelde zich een andere familie van reptielen, de Archosauriërs. Deze familie bracht verschillende uiterst succesvolle diergroepen voort, zoals krokodillen, pterosauriërs en dinosauriërs. Samen met verschillende soorten marine reptielen, zoals ichtyosauriërs en plesiosauriërs, beheerste zij de rest van het Mesozoïcum. In deze perioden leefde vele van de grootste dieren die de wereld ooit gezien heeft. Maar hoe machtig de dinosauriërs en hun verwanten ook waren, ze verdwenen van de aardbodem (Met uitzondering van de krokodillen en vogels.) tijdens de overgang van het krijt naar het Tertiair. Sinds het Trias waren veel van de Synapsiden verdwenen, maar helemaal uitgestorven waren ze niet. Ze overleefden het Mesozoïcum, maar waren hierdoor alleen wel onherkenbaar veranderd in wat we tegenwoordig zoogdieren noemen. Nu de Archosauriërs uit de weg waren konden de zoogdieren hun kans grijpen en namen de wereld over. Waar ze ook kwamen paste ze zich aan, zo ontstonden er aquatische zoogdieren zoals walvissen en zeeleeuwen, in bomen levende intelligente primaten, kleine knaagdieren, forse planteneters en snelle roofdieren. Ze deelden hun wereld met vogels, die afkomstig waren van dinosauriërs die rond het Jura en krijt experimenteerde met een bepaalde soort van huidbedekking, die we tegenwoordig veren noemen. Rond 8 miljoen jaar geleden zette de primaten de eerste stap richting mensheid, door rechtop te gaan lopen en hun handen te gebruiken voor nuttiger doeleinden. Na verloop van tijd gaven zij gestalte aan de mens van vandaag de dag, en hiermee eindigt het fossielen bestand.

Archiveren van vondsten
Archiveren van vondsten Als men fossielen gevonden heeft is het van belangrijk om gegevens bij te houden. Welk fossiel is waar gevonden. Uit welke laag komt het en wanneer hadden we dat ook alweer gevonden. Als men dit niet doet is de hele verzameling waardeloos ook al zitten er bijzondere stukken tussen. Dus zonder goed archiveren schiet het niet op. Van elk gevonden fossiel zal een verzamelaar op z'n minst de volgende dingen genoteerd moeten hebben: de vindplaats, de geologische formatie, de kalksteen soort, de datum. De latijnse naam is nog niet eens zo belangrijk dit kan altijd nog opgezocht worden. Dus geen paniek als het determineren niet opschiet, als alles maar goed beschreven is kan de naam van het fossiel altijd nog opgezocht worden. Voorbeeld naamkaartje: Reg nummer: 0414 NL naam: Belemniet, inktvis Latijnse naam: Belemnitella junior (Nowak, 1913) Vindplaats: Groeve 't Rooth (62A-7) gem. Margraten Geologische formatie: Boven-Krijt, Formatie van Maastricht Kalksteen: Nekum Datum: 2003-11-01 Opmerking: gevonden 2 meter onder de top van Nekum, behandeld met houtlijm Om alles goed bij te houden kan een kaartenbak gemaakt worden met op elk kaartje alle gegevens per fossiel. Maar met computers tegenwoordig kan de verzameling ook digitaal bijgehouden wordren. Zorg wel regelmatig voor een goede backup en een uitgeprinte versie van al je data. Het zou namelijk zonde zijn als er iets mis zou gaan met de computer. Om nou overal een kaartje bij het fossiel te leggen is ook niet handig. Daarom is het handig om op de fossielen een registratienummer aan te brengen. Aanbrengen registratienummer Het aanbrengen van een registratienummer op de fossielen is nodig om gegevens bij te kunnen houden. Je moet kunnen bijhouden waar elk fossiel gevonden is. Bij een fossiel dat in een blokje zit is het mogelijk met wat schuurpapier een klein stukje vlak van de kalk vlak te maken. Vervolgens als het geheel geconserveerd is (met een oplossing van houtlijm en water) kan met nagellak het vlakke stukje ingesmeerd worden. Laat het goed drogen. Nu kunnen we een nummer aanbrengen met oost-indische inkt en een kroontjespen. Laat het weer goed drogen. Tot slot weer een laagje nagellak erover en het is klaar. Doordat er een laagje nagellak over het nummer zit zal het niet zo snel meer verdwijnen. Bij donker gekleurde fossielen kan ook gebruik gemaakt worden van type-ex, dan natuurlijk wel alleen als ondergrond om op te schrijven. Nog enkele opmerkingen, zorg ervoor dat de nummering niet hinderlijk is als het fossiel tentoongesteld wordt. Het beste is om het nummer aan de zijkant aan te brengen, aan onderkant zou het kunnen afslijten als het veel verplaatst wordt. Denk er ook aan dat, afhankelijk van de nummering, sommige nummers onderste-boven ook te lezen zijn, klein steepje aan onderkant doet later veel iritatie voorkomen. Wanneer een klein fossiel in een doosje zit kan het nummertje ook op het doosje aangebracht worden. Verstandig is dan het nummertje aan de onderkant van doosje aan te brengen omdat dekseltjes verwisseld kunnen worden.

Gereedschap
Gereedschap Als men fossielen gaat zoeken is het belangrijk goed gereedschap te hebben. De gebruikte uitrusting is afhankelijk van de manier van zoeken. De een kijkt liever de ander splijt blokken en weer iemand anders gebruikt een zeef. Ook het materiaal waarin gezocht wordt heeft invloed. Bij hard materiaal heb je zwaarder gereedschap nodig. Hieronder een overzicht wat een verzamelaar nodig kan hebben, we zullen dit ook verder toelichten. Hamer Houweel Vuisthamer Beitel Zaag Kranten Doosjes Borstel zakmes Papier Pen Rugzak Oude kleding Regenjas Stevige schoenen helm veiligheidsbril Hamer Belangrijk is een hamer vooral als je materiaal wil gaan splijten. Er zijn diverse soorten, veel gebruik is bijvoorbeeld een geologen hamer. Hiervan zijn er verschillende soorten, er is verschil in lengte van de steel en het gewicht. Een houweel is beter bij hele grote blokken. Vuisthamer Soms kan een moker (vuisthamer) handig zijn bij het splijten van hard gesteente eventueel met een beitel. Beitels zijn handig voor het splijten van stenen en afkappen van stukken steen. Ook bij deze zijn er diverse soorten en maten (lengte, gewicht, spitse punt, platte punt met en zonder bescherm kap). Zaag Een oude houtzaag of nog beter een gasbetonzaag van zo'n 30-40 cm lengte. Deze kun je gebruiken om een blokje uit te zagen als je een fossiel hebt gevonden. Zodat je niet hele grote stukken mee hoeft te nemen. Oude kranten Deze zijn voor het inpakken van de gevonden fossielen. Om fossielen te beschermen en heelhuids thuis te krijgen. Ook de uitgezaagde blokjes met fossielen kun je met kranten inpakken, zodat niet je hele tas vol met mergel komt te zitten. Doosjes Bij kleine los gevonden fossielen is het handig om wat doosjes bij te hebben. Fotoroldoosjes zijn handig. Doe wel eerst wat losse kalk in het doosje zodat het fossiel wat je erin doet niet te veel rammelt (eventueel het doosje helemaal opvullen met losse kalk zodat het geen kant meer op kan). Wat ook gebruikt kan worden zijn luciferdoosjes, plastic boterbakjes of zelfs ijsbakjes. Borstel Een borstel of handveger is handig om de oppervlaktes van de blokken schoon te vegen zodat teminste zichtbaar is of er fossielen op zitten. Een tandenborstel is handig bij het kleinere werk. Eventueel gebruik makend van een zakmes om voorzichtig wat schoon te maken om te kijken of het fossiel heel is (alleen om te kijken of het heel is, prepareren doet men thuis Pen en Papier Om te noteren waar vondsten gedaan zijn gedaan. Handig is een notitieboekje met een harde achterkant zodat het beter schrijfbaar is. In plaats van een pen kan een potlood handiger zijn als het regent. Rugzak, tas Als je veel gereedschap meeneemt kun je een goede stevige rugzak nemen. Als je door een groeve loopt te zoeken wil je niet steeds terug lopen naar waar je je gereedschap hebt gelaten. Soms kan een riem waaraan je gereedschap hangt handig zijn, je gereedschap heb je dan direct bij de hand. Tot slot draag stevige schoenen en oude kleding en zeker geen nieuwe kleding. In sommige groeves is voor je eigen veiligheid een helm verplicht. Soms kan een veiligheidsbril handig zijn vooral bij harde steensoorten waar stukken vanaf springen. Vergeet geen regenjas, het weer kan soms tegenzitten. Eventueel: Pleisters Fles water, om dingen af te spoelen, handen te wassen, te drinken of om te gebruiken wanneer er kalk in je ogen is gekomen. Fototoestel Eventueel aangevuld met: Zakmes, voor schoonkrabben van gevonden fossielen ) Zeef, voor het zeven van fijn materiaal (bv voor haaietanden). Loupe, om klein materiaal te bekijken. Het belangrijkste gereedschap blijven je ogen... Let op bij het slaan op vuursteen, bescherm je ogen met een veiligheidsbril. Het belangrijkste gereedschap blijven je ogen...

Uitgestorven trilobieten
De thans uitgestorven trilobieten (een soort schaaldieren) waren de meest voorkomende wezens in de zeeën tijdens het cambrium, ongeveer 500 miljoen jaar geleden. Uit de vroege soorten ontwikkelden zich vele andere soorten en ze bereikten hun hoogtepunt in de ordovicium-periode. Ze waren nog steeds van belang tijdens het silurium, maar daarna bleven er slechts enkele soorten meer over. De laatste trilobieten kwamen voor gedurende de perm-periode, zo'n 220 miljoen jaar geleden, waarna ze voorgoed verdwenen. De trilobieten vormen een afzonderlijke orde van geleedpotige dieren (de arthropoden : met gewrichten). De naam van de orde is trilobieten, naar de manier waarop het lichaam was verdeeld in drie (tri) gedeelten (lobben), door twee groeven in de lengterichting. Net als de andere anthropoden hadden de trilobieten hun 'skelet buiten het lichaam' ! Het was waarschijnlijk hoornachtig en, aan de buitenkant, zeer sterk doordrongen met calcium-carbonaat. Fossielen van trilobieten worden vaak in gedeelten gevonden, maar een volledig exemplaar zou laten zien, dat naast de verdeling in drie delen in de lengte het lichaam ook drie delen had in de andere richting. Aan de bovenkant bevindt zich het halfronde/driehoekige kopschild. Het middengedeelte van het kopschild is iets bol en staat bekend als de 'glabella'. Het loopt door in het middelste gedeelte van de rest van het lichaam. Over de glabella lopen gewoonlijk een aantal rimpels of groeven, die de gelding voor de oorsprong van de kop aangeven. Deze rimpels komen voornamelijk voor bij de vroegere exemplaren, maar zijn langzamerhand verdwenen toen de latere soorten zich ontwikkelden. Enkele van de meest ontwikkelde exemplaren vertonen zelfs helemaal geen groeven. De buitenste delen van het kopschild staan bekend als de kaken en bij de meeste soorten komen hierin de ogen voor. Achter het hoofd komt het borststuk of thorax, dat is opgebouwd uit een aantal delen of geledingen. In het algemeen hadden de vroege soorten meer borststukgeledingen dan de latere soorten, maar de agnostus en dergelijke andere soorten zijn duidelijke uitzonderingen. De middelste gedeelten van de geledingen vormen een soort van 'ruggengraat'. Het derde deel van het lichaam is het pygidium of de staart. Bij enkele van de primitieve soorten is die niet aanwezig. Het pygidium bestaat uit geledingen, ongeveer zoals het borststuk, maar deze geledingen zijn samengevoegd en niet beweegbaar. In de staart loopt de ruggengraat wel door, maar niet tot het einde. Elke geleding (behalve de laatste) had een paar ledematen. Het eerste paar ledematen of aanhangsels waren lange draadjes of voelsprieten. De overige waren gevorkt en dienden ongetwijfeld voor de voortbeweging.De onderkanten van de poten aan de kopzijde waren getand en deden mogelijk dienst om te bijten. Sommige trilobieten waren de 'reuzen van de zee' uit het cambrium, hoewel de grootste slechts 45 cm lang waren. De gemiddelde lengte was ongeveer 21,5 cm. Sommige waren zelfs zo klein, dat men ze enkel met een microscoop ging kunnen zien.

Enorme Calamites-achtige boom gevonden in versteen
Enorme Calamites-achtige boom gevonden in versteend bos Het geslacht Calamites behoort, vooral in het Carboon, tot de bekendste fossiele planten. Bijna altijd gaat het om afdrukken van de in kransen geplaatste bladeren, maar soms worden ook stammen gevonden van deze plant die kon uitgroeien tot een boom. Vaak gaat het daarbij om min of meer verkoolde exemplaren, maar onder gunstige omstandigheden kan de stam - net als bij andere stukken hout - als het ware molecuul voor molecuul worden versteend, waarbij de anatomische structuur bewaard blijft. Dat was ook het geval bij het onderste gedeelte van de stam van een exemplaar van een Calamites-achtige boom die onlangs werd aangetroffen in het versteende bos bij Chemnitz. Dit bos, dat zich bevindt in de Zeisigwald Tuff Horizon van de Leukersdorf-Formatie (278 miljoen jaar), stamt uit het Vroeg-Perm. Het bos, waarin veel bomen (waaronder het hier beschreven exemplaar) nog rechtop staan, werd gefossiliseerd door plotselinge begraving onder een laag vulkanische as. Dat leverde, zoals ook elders vaak het geval is, een voortreffelijke fossilisatie op, waardoor de gefossiliseerde planten goed kunnen worden gedetermineerd. Zo kon het nu beschreven exemplaar worden gedetermineerd als Arthropitys ezonata. Details van deze soort waren tot nu toe nauwelijks bekend, maar daaraan is nu in één klap een einde gekomen. De Calamites-achtige planten uit het Carboon en Perm hadden een holle stengel of stam, en de vondst van het nieuwe exemplaar, dat gelijk ook de grootst bekende Calamites-achtige is waarvan de fossilisatie de anatomische kenmerken heeft bewaard (de stam is zo'n 50 cm in doorsnede), levert interessante nieuwe gegevens op over deze groep die paleobotanici tot nu toe veel hoofdbrekens heeft gekost. Het gaat dan ook om een groep met nogal opmerkelijke karakteristieken, zoals een combinatie groei omhoog in combinatie met een ondergronds systeem van rhizosomen, holle stammen/stengels, een sterke verhouting, en een groei zonder de vorming van zijtakken. Hoewel deze groep, die in het Vroeg-Namurien verscheen, zich goed aan het milieu kon aanpassen, stierf hij uit bij de grote massauitsterving op de grens tussen Perm en Trias.

Naturalis toont fossiele schedel spitssnuitdolfijn
Naturalis toont fossiele schedel van een spitssnuitdolfijn De zeldzaam gave schedel van Choneziphius planirostris (Cuvier, 1823) die op 9 juli uit de Westerschelde is opgevist is tot half augustus in Naturalis te zien. Vissen naar fossielen Waar nu de Westerschelde (Zeeland) stroomt, was het ook miljoenen jaren geleden zee. In de 'oer-Noordzee' kwamen dieren voor die nu op uiteenlopende plekken op aarde leven: walrussen, zeehonden, zeekoeien, baleinwalvissen. En ook tandwalvissen als de potvis en de spitssnuitdolfijn. Fossiele resten van deze dieren zitten opgeborgen in dikke aardlagen, maar de Westerschelde spoelt ze vrij en zo komen ze op de bodem terecht, klaar om te worden opgevist. Zo werd op zaterdag 9 juli de zwaar versteende schedel van de spitssnuitdolfijn Choneziphius planirostris gevangen in de netten van de mosselkotter ZZ10 van de schelpdiervissers Jaap en Wim Schot uit Zierikzee. Zij nemen elk jaar wetenschappers van Naturalis en het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen een dag lang aan boord om in de Westerschelde naar fossielen van zeezoogdieren te vissen. Bijzondere vangst Schedels van Choneziphius planirostris worden zelden gevonden. Slechts enkele tientallen zijn er op de wereld bekend. Het was dus een geluk dat de ZZ10 een vrijwel gaaf exemplaar in de netten kreeg. Naturalis heeft vijf schedels van Choneziphius in de collectie, alle opgevist uit de Westerschelde

De Winterswijkse steengroeve: een unieke atractie
De Winterswijkse steengroeve: een unieke atractie voor Nederland Natuurliefhebbers, geïnteresseerden in geologie, mineralen en fossielen kunnen in Winterswijk volledig aan hun trekken komen. Op veel plaatsen in onze gemeente komen oude aardlagen aan of nabij het aardoppervlak voor. Vooral liefhebbers van het zoeken naar fraaie en interessante overblijfselen uit onze aardkorst krijgen in Winterswijk ruime gelegenheid. Alom bekend is de Winterswijkse Steen- en Kalkgroeve in de buurtschap Ratum in het oostelijk deel van de gemeente. Jaarlijks trekt deze groeve tussen de 2000 en 3000 bezoekers uit feitelijk heel West-Europa, in hoofdzaak natuurlijk mineralen- en fossielenverzamelaars, maar ook de in de Oost-Achterhoek verblijvende toeristen zijn welkom. Een bezoek loont voor een ieder die actief wil zijn met hamer en beitel op zoek naar een “aardschat”! Echt beroemd is de steengroeve om de mooie vondsten van allerlei sauriërs. Er zijn fraaie loopsporen gevonden van een vijftal verschillende “prehistorische reptielen” met daarbij soms een sleepspoor van de staart tussen de pootafdrukken. Het bekendste spoor uit Winterswijk is: Rhynchosauroides peabodyi, zoals het wetenschappelijk wordt genoemd. Naast sauriërsporen zijn ook een grote hoeveelheid botten, schedels en tanden van deze dieren gevonden; zelfs complete skeletten zijn bekend. Verder komen hier veel andere fossielen voor, zoals een tiental verschillende vissen; ongeveer twintig soorten schelpen (feitelijk schelpafdrukken); zeldzamer zijn enkele soorten kreeften, brachiopoden, ammonieten en slakken. De veel in de kalksteen voorkomende graaf-, kruip- en vraatsporen zijn afkomstig van onbekende ongewervelde dieren. Over de vondsten en geologische aspecten van de Winterswijkse Muschelkalkgroeve (Muschelkalk is de geologische periode) is veel gepubliceerd.In Museum Freriks aan de Groenloseweg zijn onder andere veel fossielen en mineralen van deze vindplaats tentoongesteld. Het is handig om dat eerst te bekijken en te weten hoe deze dingen eruit zien. De kalksteen moet, zoals gezegd, gespleten worden met behulp van een hamer en beitel, die uzelf dient mee te nemen. Wel is het zo, dat bepaalde lagen in de groeve meer kunnen opleveren dan andere. Deze informatie krijgt u als u deelneemt aan een geologische excursie of als u dat vraagt aan een ervaringsdeskundige, die meestal wel in de groeve aanwezig is tijdens de “Opendagen”. Over de bezoekmogelijkheden vertel ik u meer aan het eind. Dan de mineralen. Er zijn inmiddels acht verschillende mineralen uit deze groeve bekend: pyriet, markasiet, calciet, galeniet, sfaleriet, strontianiet, coelestien en gips. Met name coelestien komt onderin de groeve veel voor en dan nog wel in verschillende kleuren (blauw, rood, rose, transparant) en verschillende kristalvormen. Feitelijk is op het gebied van de fossielen uit deze 240 miljoen (!) jaar oude aardlagen nog veel meer te melden, maar op deze plaats zou dat te veel worden. Als u meer wilt weten kunt u informatie inwinnen bij leden van de Ned.Geol.Ver. afd. Winterswijk. Enkele leden die u hierbij van dienst willen zijn: Voor algemene informatie over de groeve kunt u natuurlijk ook terecht bij de VVV/ANWB: Markt 17A 7101 DA Winterswijk Tel.: 0543-512302 Hoe en wanneer kunt uzelf een bezoek brengen aan de steengroeve: Elke eerste zaterdag van de maanden april t/m november van ’s morgens 9 uur tot ‘s middags 16.30 uur (Opendagen). Aanmelden een week van tevoren bij de VVV/ANWB. Entree is gratis, maar een vrijwillige bijdrage wordt op prijs gesteld. In de maanden juli en augustus van 2005 zijn vier excursies naar de steengroeve gepland, t.w. op 16 en 30 juli en op 13 en 20 augustus. Ook hiervoor is aanmelding bij de VVV/ANWB noodzakelijk. Kosten per deelnemer zijn € 7,50. Er wordt dan gestart om 12.30 uur bij Museum Freriks, Groenloseweg 86, 7101 AK Winterswijk met een bezichtiging van het museum en een korte diapresentatie over de groeve. Om ongeveer 14 uur gaan we met eigen auto’s naar de groeve. De excursie duurt tot ongeveer 16.00 uur. Voor zowel de “Opendagen” als voor de excursies is het dragen van een veiligheidshelm verplicht. Als u zelf een helm bezit, neemt u deze dan mee. Enkele leenexemplaren zijn beschikbaar. De steengroeve is verder niet toegankelijk. Bezichtiging is wel mogelijk vanaf de scheidingswand tussen de oude (meest oostelijke groeve) en de nog in werking zijnde groeve.

Terebratula grandis.
Terebratula grandis. Terebratula’s zijn een niet zeldzame verschijning in het Westerschelde materiaal, maar de vondst van een doublet is toch wel opmerkelijk. Het stuk, verzameld door Albert Hoekman in augustus-september 2002 aan boord van BR (Breskens) 8 in of de Wielingen, de Honte of de Put van Terneuzen (helaas heeft hij geen precieze gegevens meer). Het meest waarschijnlijk lijkt mij toch wel de laatste vindplaats, alwaar ik zelf in juli ook verschillende Terebratula’s heb verzameld. Het stuk is begroeid met recente zeepokken. De steelklep is enigszins beschadigd. De twee kleppen zijn aaneengekit door grijs tot grijsgroene fijnkorrelige zandsteen. Als de Put van Terneuzen de herkomst is van dit exemplaar, dan gaat het waarschijnlijk om een Laat Miocene of Vroeg Pliocene vondst (Wesselingh & van Nieulande, deze aflevering). Het exemplaar doet me erg denken aan de doubletten die we in de Naturalis collectie hebben van de zanden van Deurne (Laat Mioceen) uit de omgeving van Antwerpen. Echter, het wat grijzige karakter van de zandsteenopvulling zou erop kunnen wijzen dat dit exemplaar van Pliocene ouderdom is, daar vrijwel alle fossielhoudende Mioceen afzettingen in de omgeving van Zeeland een donkergrijze tot groenzwarte kleur hebben.

Achterhoekse sauriër: Nothosaurus Winterswijkensis
Achterhoekse sauriër: Nothosaurus Winterswijkensis. Hij behoorde tot de sauriërs die in het water van een ondiepe binnenzee op jacht ging naar visachtigen. De Nothosaurus Winterswijkensis leefde in de Trias-periode, zo'n 240 miljoen jaar geleden. In de muschelkalklagen die in Winterswijk aan de oppervlakte komen, zijn skeletdelen en loopsporen gevonden van het prehistorische reptiel. Het Amerikaanse blad 'Journal of Paleontology' publiceert in juli over de vondst, die is gedaan door een werkgroep van de Nederlandse Geologische Vereniging, afdeling Winterswijk. Een grotere uitvoering, de Nothosaurus Giganteus, had een lengte van ongeveer zes meter. Volgens een beschrijving van de anatomie van dit dier door de Duitser S. Schmidt uit Tübingen, bewoog het reptiel zich op het land kronkelend en op vier poten voort. De Nothosaurus had een lange nek en een lange staart. De achterpoten met daarin zwemvliezen, gebruikte het dier in het water als roer. Fossielen van de Nothosaurus zijn onder meer gevonden in Duitsland, Italië, Zwitserland, Nederland, China, Israël Rusland en Noord-Afrika. De vondst in Winterswijk - vandaar de naam Nothosaurus Winterswijkensis. -

DE FOSSIELEN SPREKEN
DE FOSSIELEN SPREKEN 2. Steenkool en de evolutietijdschaal Steenkool zou je een massagraf van planten kunnen noemen, want steenkool is eigenlijk niets anders dan versteende plantenmassa's. Geweldige hoeveelheden planten en bomen die van de buitenlucht afgesloten raakten, doordat ze werden bedolven onder grote massa's zand en aarde. Onder die geweldige druk en door een oplopende temperatuur werden de planten en bomen steenkool. Zijn het nu alleen fossielen van planten die daar worden gevonden of komt er wel eens wat meer uit te voorschijn? Daarover wordt in de literatuur o.a. het volgende gerapporteerd. In 1912 werd in Oklahoma (V. S.) een ijzeren pot aangetroffen in een groot brok steenkool. Ook in Schotland werd eens in een stuk steenkool een ijzeren werktuig aangetroffen. Er zijn ook enkele gevallen bekend waarin ijzeren nagels in oude aardlagen werden gevonden. (Het is natuurlijk van belang dat in zulke gevallen is vastgesteld dat deze voorwerpen niet pas later in deze aardlagen zijn terechtgekomen, maar op het moment dat de aardlagen ontstonden.) Dat is natuurlijk heel vreemd. Want zo'n pot of zo'n ijzeren spijker (of wat dan ook) hoort natuurlijk helemaal niet thuis in zulke oeroude lagen. Tenminste niet als de evolutieleer gelijk heeft. Want deze steenkoollagen zijn voor het grootste deel gevormd in het tijdperk dat door evolutionisten het Carboon wordt genoemd. Hoe zit dat eigenlijk met die tijdperken? Hoe je het wendt of keert, of je nu met steenkoollagen van het Mioceen of van het Carboon te maken hebt: volgens het evolutiemodel is het onmogelijk dat er zich menselijke overblijfselen in bevinden. De mens is in de evolutieleer immers pas een paar miljoen jaar oud en de Carboonlagen zijn honderden miljoenen jaren oud! Nu we het toch over steenkool hebben, nog een paar interessante feiten. Volgens de evolutionist vertegenwoordigt elke steenkoollaag een periode waarin het landoppervlak tot een laag niveau zonk en zich moerassen en veenplassen vormden; daarna werden de opgehoopte plantenmassa's door sedimenten bedekt en het landoppervlak rees weer, waarna zich het hele proces herhaalde. Maar hier zijn de feiten: 1. Er zijn heden vele veenmoerassen, maar voor zover bekend vormt geen daarvan in benedenwaartse richting een ononderbroken reeks met steenkoollagen en tussenlagen; de moerastheorie wordt in de hedendaagse natuur niet bevestigd, de catastrofistische verklaringswijze zoveel te meer. 2. Fossiele bomen worden soms onder een hoek of zelfs op hun kop in de steenkoollagen aangetroffen, wat meer wijst op transportatie van plantaardig materiaal van elders (zoals in een grote vloed) dan op langzame bezinking ter plaatse. 3. Steenkoollagen splitsen zich af en toe in twee lagen, die van elkaar zijn gescheiden door aangevoerde mariene afzettingen (d.w.z. lagen met fossielen van zeedieren). 4. Mariene fossielen (wormen, sponzen, koralen, weekdieren enz.) worden vaak zelfs in de steenkoollagen zelf aangetroffen, wat in een catastrofistisch model heel gemakkelijk voorstelbaar is. Maar hoe zulke vermengingen van oceaandieren en landplanten volgens het evolutiemodel zouden kunnen optreden, is een raadsel. 5. Dikwijls vindt men in steenkoollagen reusachtige keien, die daar onmogelijk kunnen voorkomen in een model dat zeer geleidelijk bezinking van plantaardig materiaal aanneemt. 6. De zogenaamde stigmaria die men soms als de wortels van de in de koolbedden aangetroffen bomen heeft beschouwd, die erop zouden wijzen dat de bedden uit ter plaatse ontwikkelde en afgestorven wouden zouden zijn ontstaan - blijken volgens nieuwere onderzoekingen brokstukken te zijn die niet met bepaalde bomen zijn verbonden en in feite door waterstromingen naar die plaats zijn getransporteerd. 7. Maar het vreemdste aan de steenkoolbedden is wel hun enorme aantal. In de Damuda-series in India komen wel 50 tot 60 lagen boven elkaar voor, sommige wel 30 meter dik, in een vaak herhaalde cyclus van steenkool, zandsteen en schalie ( = versteende klei). In Nova Scotia (Canada) heeft men wel 76 lagen boven elkaar gevonden, in Engeland 80 en in Duitsland tot 100 lagen boven elkaar. Het tart elke verbeelding te moeten aannemen dat het landoppervlak op één bepaalde plek 80 tot 100 keer rees en daalde en daarbij steeds nieuwe moerassen vormde. De aanzienlijk eenvoudiger verklaring voor dit fenomeen is dat talloze opeenvolgende vloedgolven tijdens een gigantische watervloed steeds nieuwe plantaardige materialen aanvoerden en deze lieten bezinken. Dat daarbij eerst de zwaarste materialen (de bomen) bezinken, daarna het zand en vervolgens de klei (die schalies vormt), ligt voor de hand en verklaart de afwisseling van steenkool, zandsteen en schalie op bepaalde plaatsen. Bovendien kan men zich de omzetting van de planten in steenkool onder catastrofe-omstandigheden (d.i. onder enorme druk, hitte en door adiabatische samenpersing, d.i. zonder opname of verlies van warmte) heel wat gemakkelijker voorstellen dan in een model dat langzame verticale ophoping van sedimenten aanneemt. Recente onderzoekingen hebben bovendien aangetoond dat hout in minder dan een uur kan worden omgezet in steenkool (en organisch afval in petroleum), onder toepassing van hoge druk en temperatuur.

Wat zijn ammonieten?
Wat zijn ammonieten? Ammonieten behoren met hun opgerolde schelp tot de fraaiste fossielen. Het zijn de resten van een uitgestorven groep inktvissen. De naam ammoniet is afgeleid van de Egyptische god Ammon, die werd voorgesteld als een ram. De vorm van de fossiele schelp lijkt dan ook op een ramshoorn. In de Middeleeuwen werden ammonieten slangenstenen genoemd. Volgens de legende had de heilige Hilda de slangen die haar plaagden in steen veranderd. Soms werd de overeenkomst met een opgerolde slang versterkt door het fossiel te verfraaien met een uitgehakte slangenkop. Het Engelse plaatsje Whitby in Yorkshire draagt drie van deze ammoniet/slangen in zijn wapen. Tegenwoordig weten we dat ammonieten de schalen zijn van een uitgestorven groep inktvissen. Net als de recente Nautilus, een tropische inktvis die leeft in het westen van de Stille Oceaan, hadden deze inktvissen een uitwendige schelp. Ammonieten zijn echter meer verwant met de pijlinktvissen. Net als deze dieren hadden ze waarschijnlijk tien armen. Gidsfossielen van het Mesozoïcum De oudste ammonieten vinden we in het Devoon (410-360 miljoen jaar geleden). De oudste soorten hebben een min of meer rechte schelp. In de loop van de evolutie zou die schelp steeds verder oprollen. In de Duitse vindplaats Hunsrück is een aantal prachtig bewaard gebleven fossielen uit het Vroege Devoon gevonden. De inktvissen van deze vindplaats laten zien dat er in die tijd een grote variatie was. Sommige soorten hadden rechte schelpen, bij andere soorten is de schelp helemaal opgerold. Allerlei tussenvormen zijn ook aanwezig. Bij typische ammonieten is de schelp spiraalvormig opgerold. Vooral in het Krijt ontstaan er veel ontrolde vormen. Er ontstaan dan allerlei merkwaardige schelpen, die weinig op typische ammonieten lijken. Ammonieten hadden hun bloeitijd in het Mesozoïcum (250-65 miljoen jaar geleden). Ze waren zo talrijk en wijdverspreid, dat de indeling van het Mesozoïcum grotendeels op ammonieten is gebaseerd. Aan het eind van de periode stierf de groep uit. Levenswijze Waarschijnlijk konden ammonieten, net als de recente Nautilus, zwemmen. De Nautilus kan drijven doordat er lucht in de kamers van zijn schelp zit. Als er gevaar dreigt, kan hij door hard water weg te spuiten, zich uit de voeten maken. Sommige soorten ammonieten hielden zich dicht bij de bodem op. Daar waren ze op zoek naar allerlei diertjes en leefden mogelijk ook van aas. In de 19de eeuw ontdekte een Duitse paleontoloog dat in vindplaatsen van ammonieten groepjes van twee soorten waren te onderscheiden. Als ze klein waren was er weinig verschil, maar de volwassen exemplaren verschilden in de vorm van de buitenste windingen. Tegenwoordig denkt men dat het hier helemaal niet om twee soorten gaat. De kleine (microconchen) en grote (macroconchen) schelpen behoren tot dezelfde soort, maar verschillen in geslacht. Waarschijnlijk zijn de microconchen de mannetjes en de macroconchen de vrouwtjes van de soort. Naturalis en ammonieten Ammonieten zijn één van de fossiele groepen waaraan de wetenschappelijke staf van Naturalis onderzoek doet. Dat onderzoek richt zich de laatste jaren vooral op de ammonieten van het Krijt van Zuid-Spanje. Die ammonieten zijn afkomstig uit gesteentepakketten ten westen van Murcia. Het wetenschappelijk onderzoek aan grote fossiele ongewervelde dieren geniet de laatste jaren steeds minder belangstelling. Men richt zich meer en meer op het onderzoek aan microfossielen. Tijdens proefboringen voor bijvoorbeeld aardolie komen duizenden microfossielen naar boven. De kans dat men een ammoniet in een boring aantreft is echter zeer klein. Microfossielen lijken dus veel nuttiger. De indeling van het Mesozoïcum is echter oorspronkelijk vastgesteld met behulp ammonieten. Daarom is het juist belangrijk dat we voldoende kennis houden over

Hoe oud werden de tyrannosauriërs?
Hoe oud werden de tyrannosauriërs? Een uitgebalanceerde leeftijdsopbouw van een gemeenschap is van groot belang, onder meer om te zorgen dat er voldoende nakomelingen komen, maar ook om te voorkomen dat alle voedsel (bijv. prooidieren) worden geconsumeerd zodat er voor het nageslacht niets overblijft. De leeftijdsopbouw van een gemeenschap wordt bepaald door de (statistische) kans voor ieder individu om een bepaalde leeftijd te bereiken. Voor tal van fossielgroepen is hierover reeds veel bekend (omdat er grote aantallen exemplaren gevonden zijn waarvan de leeftijd - bijv. via groeiringen - kon worden vastgesteld), maar van andere fossiele diergroepen is daarover nauwelijks iets bekend. Dat geldt bijv. voor de dinosauriërs, waarvan per soort in het algemeen te weinig exemplaren zijn gevonden uit dezelfde tijd en omgeving om een statistisch verantwoord beeld te krijgen. Daarin is nu verandering gekomen. Onderzoekers stelden de leeftijd vast van 22 exemplaren van de tyrannosauriër Albertosaurus sarcophagus , die zo'n 70 miljoen jaar geleden - waarschijnlijk binnen enkele weken of maanden - waren samengespoeld aan de oever van een rivier zo'n 200 km ten noorden van het huidige Calgary. De onderzoekers gaan er vanwege deze omstandigheden van uit dat de leeftijden van die exemplaren de opbouw van de toenmalige gemeenschap van die soort redelijk weergeven. De leeftijd van de individuen werd vastgesteld met een betrekkelijk nieuwe techniek, waarbij groeilijnen kunnen worden geteld, onder meer in beentjes uit de voet. Vergelijking tussen de levensverwachtingen van mensen, dino-groepen zoals de tyrannosauriërs, en vogels (als directe afstammelingen van de dinosauriërs) Bij de groep waren geen zeer jonge exemplaren. In het algemeen geldt bij gewervelde dieren dat zo'n 50-80% van deze jongste groep slachtoffer wordt van rovers, en dat nemen de onderzoekers ook aan voor deze gemeenschap. Het aantal exemplaren tussen 2 en 13 jaar was groot (het sterftecijfer bedroeg 3,5%); kennelijk was dit een leeftijdsgroep met goede overlevingskansen. Dat schrijven de onderzoekers toe aan het feit dat individuen van deze soort zelfs op tweejarige leeftijd al even groot of zelfs groter waren dan de roofdieren die destijds hun woongebied onveilig maakten; die roofdieren zochten dus liever een andere prooi. Jong exemplaar van Gorgontosaurus, een geslacht dat dezelfde levensverwachtingen had als de tyrannosauriërs In hun tienertijd (14-23 jaar) steeg de kans op overlijden echter aanzienlijk, en wel tot 22,9%. Daarvoor is geen directe oorzaak aan te wijzen. De onderzoekers denken dat er verband bestaat met het bereiken van de vruchtbare leeftijd: vrouwtjes zouden relatief weerloos zijn (en misschien ook fysieke problemen hebben) bij het leggen van eieren, en de mannetjes zouden elkaar wellicht hebben bevochten om de gunsten van een vrouwtje te winnen. Slechts weinig individuen van Albertosaurus sarcophagus werden oud: de onderzoekers vonden slechts één exemplaar van 28 jaar. Om na te gaan of de gevonden leeftijdsopbouw een meer algemene geldigheid heeft, hebben de onderzoekers ook de botten onderzocht van drie andere tyrannosauriërs (van diverse vindplaatsen in Canada en de Verenigde Staten), te weten Tyrannosaurus, Gorgosaurus en Daspletosaurus. Daarbij vonden ze een soortgelijk beeld, zodat de gevonden leeftijdsopbouw waarschijnlijk algemene geldigheid heeft voor tyrannosauriërs.

Fossiele schedel van een muskusos
Fossiele schedel van een muskusos. De schedel is opgevist uit de Noordzee en vermoedelijk tussen de 35.000 en 50.000 jaar oud. Ook deze muskusos zal zijn hoorns gebruikt hebben voor onderlinge gevechten, en om zich te beschermen tegen roofdieren. Muskusossen gaan in een ring om hun jongen staan om ze tegen wolven te beschermen. Hun hoorns staan naar buiten gericht en vormen zo een ondoordringbare muur. Zie fotoboek.

Oudste strand van Zeeland in Nieuw-Namen
Oudste strand van Zeeland in Nieuw-Namen [Bron: Provinciale Zeeuwse Courant, 5 mei 2007] In Nieuw-Namen bevindt zich een unieke oude zandgroeve, waar een miljoenen jaren oude aardlaag uit het Plioceen boven de grond komt. De groeve is echter volgestort met huisvuil. Het is tegen twaalven op een warme maandagmorgen in Nieuw-Namen. Een Belgische touringcar draait langzaam het dorp binnen. Het gezelschap dat uitstapt staat onder leiding van de grijze professor André Ozer van de Universiteit van Luik. In zijn kielzog een bont gezelschap studenten uit een twintigtal landen van herkomst. Mozambique, Kenia, Mali, Canada, Spanje, Frankrijk, Zambia, Madagascar, noem het maar op. Ozer bracht ze naar de groeve van Nieuw-Namen. De Meester van der Heydengroeve om precies te zijn. Dat lijkt gek, maar de Luikse professor weet maar al te goed waar hij mee bezig is. Hij is er niet voor de eerste keer. Want wat heel veel mensen die er met hun neus bovenop wonen niet weten, is dat deze oude zandafgraving een unieke plek in Europa is. Nergens anders kun je fossielen, schelpen en zand uit het Pleistoceen en het Plioceen, meer dan 2,5 miljoen jaar oud, gewoon in de bovengrond zien. De groeve is een meter of zes diep en je stapt er letterlijk in de prehistorie. Als je de verschillende aardlagen in de groeve bekijkt en je laat het je uitleggen door iemand die er verstand van heeft, zoals gids Richard Blijenberg, kun je de miljoenen jaren oude historie lezen, aan de hand van de fossielen die er te vinden zijn. Eigenlijk is de groeve het oudste stukje strand van Zeeland. Dat die unieke plek is ontstaan heeft zeer waarschijnlijk gewoon met het toeval te maken. Heel Zeeland en de verre omtrek bestonden nog niet. Daar golfde ruim 2,5 miljoen jaar geleden een ondiepe zee. En toevallig ergens in de buurt waar nu Nieuw-Namen ligt verzamelden zich onder invloed van stroming en bij laag water de wind, wat schelpen. Dat schelpenbankje groeide aan; er bleef wat zand tussen de schelpen hangen en zo ontstond een bultje. Op die manier zijn veel later elders in Zeeland ook wel duinen ontstaan. Om een lang verhaal kort te maken; zo'n bult was in die tijd een aantrekkelijke ofwel veilige plek voor mensen om te vertoeven. Steentijd, bronstijd, alles kwam en ging. Het landschap veranderde in de loop van de honderdduizenden jaren, er ontstonden nederzettingen (we hebben het over een plek die ter plaatse bekend staat als de Kauter, een woord dat bebouwd land betekent) en nu is daar het dorp Nieuw-Namen. Deze geschiedenis is geen verzinsel. De groeve heeft hem met feiten gestaafd. Ze gaf fossiele schelpen prijs, evenals pijlpunten, bronzen potstukken en andere vondsten die de historie van de Kauter vertelden. Wie echter nu in het gebied direct bij de groeve gaat graven vindt iets heel anders. Inderdaad stukjes menselijk geschiedenis, maar niet bepaald iets om trots op te zijn. Aanvankelijk werd de bult gewaardeerd als een plek voor de zandwinning. En zand was er niet zo veel in het Zeeuwse zeekleigebied. Zo ontstond in de eerste helft van de vorige een diepe kuil waar niemand veel belang aan hechtte. Het zand werd gebruikt als verhardingsmateriaal voor wegen. Zo zijn dus tonnen aan fossielen links en rechts onder wegen in het Zeeuws-Vlaamse landschap gestort. De kuil werd vervolgens opgevuld met huisvuil, want Nieuw-Namen moest zijn rommel ergens kwijt. Omstreeks die tijd ontstond ook de belangstelling van wetenschappers voor het plekje. Zij wisten de aandacht te vestigen op de historische waarde van het gebied en in 1955 kocht Staatsbosbeheer de stortplaats. Ruim twintig jaar geleden is de groeve gerestaureerd en is de miljoenen jaren oude groevewand goed zichtbaar gemaakt. Maar het is slechts het topje van de figuurlijke ijsberg. Op die oude vuilnisbelt zit nog een belangrijk stuk prehistorische Zeeuwse geschiedenis in de grond. Nieuw-Namen zit op een unieke waardevolle archeologische schat, maar het lijkt wel alsof bijna niemand dat in de gaten heeft.

Krokodillen van Messel
Krokodillen van Messel Diplocynodon Tijdens de opgraving van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in de groeve van Messel werden verschillende vrij volledige krokodillen gevonden. De meest voorkomende groep is Diplocynodon, waarbij een groot specimen van 1,52 m. Het pantser met verschillende rijen beenplaatjes bedekt de nek, de rug en een deel van de staart en de buik. Diplocynodon is verwant met de alligators, de snuit is korter dan bij de echte krokodillen, de tanden van de bovenkaak grijpen over die van de onderkaak en vooraan zijn de onder- en bovenkaken voorzien van twee paar grotere tanden. De schedel van Diplocynodon vertoont gelijkenis met die van een kaaiman. De vindplaats Messel en de opgravingen van het Instituut Messel is een kleine gemeente een tiental km ten noorden van Darmstadt. Sinds het einde van de vorige eeuw werden er in dagbouw oliehoudende schalie gewonnen. Het eerste fossiel, een krokodil, werd reeds in 1875 ontdekt. Sinds het begin van de jaren zeventig werd er intensief naar fossielen gezocht, zowel door amateurs als wetenschappelijke instellingen. De oliehoudende schalie werd 45 miljoen jaar geleden als klei afgezet in een meer gelegen in een subtropisch woud. De kleien en de zuurstofarme bodem van het meer zorgden voor een uitzonderlijke bewaring van gestorven organismen: planten, insecten, vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Bij vele fossielen zijn weekdelen bewaard gebleven, pluimafdrukken bij vogels en kevers met gekleurde dekschilden. Het koninklijk Belgisch instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) was de enige buitenlandse instelling die aan de opgravingen mocht deelnemen. Van 1983 tot 1990 werden er ieder jaar opgravingen verricht waarbij honderden fossielen gevonden werden, waaronder drie Messel-paardjes: twee volledige en een fragment. Het KBIN beschikt verder over een uitzonderlijke verzameling van schildpadden, vleermuizen en vogels.

Hoe leeft een koudwaterkoraal?
Hoe leeft een koudwaterkoraal? Koudwaterkoralen zijn diertjes, die in het complete donker en bij hele lage temperaturen kunnen leven. Ze behoren tot de groep dieren, ook wel Cnidaria genoemd en zijn familie van de zee-anemonen. Koralen leven netals anemonen op een vaste plaats en halen voedsel uit het water met hun tentakels. Sommige koralen op het rif bestaan uit een enkele poliep, terwijl andere soorten kolonies vormen van soms wel honderden tot duizenden poliepen. Deze poliepen hebben een ring van bewegende tentakels, die om de mond heen zitten. Met hun kleverige tentakels vangen koralen voedseldeeltjes uit het water. Netelcellen in de tentakels kunnen de prooi verlammen en door de tentakels te bewegen wordt het voedsel deeltje naar de mond gebracht. Koudwaterkoraal Koralen vangen passief voedsel uit het water, daarom leven koralen graag in gebieden, waar het heel hard stroomt, omdat er genoeg voedsel voorbijkomt en de koralen vrij gehouden worden van sediment, zodat ze niet begraven worden. Koralen hebben een harde en stevige ondergrond nodig om zich te vestigen. In het gebied waar wij onderzoek doen, worden veel grote stenen gevonden op de zeebodem. Deze stenen liggen daar al sinds de laatste ijstijd en zijn meegevoerd door ijsbergen. Als ijsbergen smelten valt het meegebrachte puin op de zeebodem. Deze zogenaamde dropstones vormen een goede basis voor de koralen om op te groeien. Ook dood koraal wordt weer gebruikt als ondergrond voor nieuwe koraal kolonies. Hierdoor kan er een rif ontstaan en worden de riffen in de tijd steeds een klein beetje hoger. Het dode en levende koraal vormt ook een goede schuilplaats voor vele andere dieren in de diepzee, zoals sponzen, schelpdieren, anemonen, vissen en zeesterren. Koud water koraalriffen worden daarom ook wel oases van de zeebodem genoemd. Een bijzonder beest, dat op de koralen leeft is een de worm Eunice. Deze worm maakt perkamenten buisjes, die door het koraal gecalcificeerd worden. De worm is hierdoor meer beschermd en het koraal heeft er ook voordeel van, doordat de wormengangen dwarsverbindingen vormen tussen de koraal takken en zo voor meer stevigheid zorgen. Koralen kunnen zich op twee manieren voortplanten, zowel sexueel als asexueel. Als je een koraaltakje afbreekt van een grote kolonie, kan deze gewoon verder groeien en een nieuwe grote kolonie vormen. Koralen planten zich echter ook voor door larven. Deze zweven tijdens de eerste fase van hun leven in het water en vestigen zich dan op een stevige ondergrond op de zeebodem, waar ze groeien en zo nieuwe kolonies kunnen vormen.

Oudste zoogdier
Oudste zoogdier Het oudste zoogdier dat als voorouder van de mens wordt beschouwd is een kleine, op een huismuis lijkende diersoort met de naam Eomaia scansoria (vrij vertaald: oude moeder). Een zeer goed bewaard gebleven fossiel van dit diertje is onlangs gevonden in China. Vindplaats is de beroemde Yixian formatie waar ook overblijfselen van gevederde dinosauriërs werden gevonden. Het bijzondere van deze vondst is de goede staat waarin het (bijna complete) fossiel verkeert. Het fossiel is zo goed bewaard gebleven dankzij het vulkanische materiaal waarmee het werd bedekt. Botten van handen en voeten en een vacht waarin ten minste twee verschillende haartypen voorkomen kunnen worden onderscheiden. Eerder gevonden resten van prehistorische zoogdieren bestonden slechts uit stukjes gebit. De onderzoekers hebben daarom een goed beeld van de manier waarop het diertje geleefd moet hebben. De vorm van de poten, afmetingen van de ledematen en lange vingers en tenen wijzen op een behendige klimmer. Het ongeveer 16 cm lange diertje heeft meer overeenkomsten met de huidige placentale zoogdieren (inwendige dragers) dan met de buideldieren. Het oudste tot nu gevonden fossiel van een placentaal zoogdier had een ouderdom van 110 miljoen jaar. Deze vondst lijkt er nu op te wijzen dat de het oudste placentale zoogdier minstens 125 miljoen jaar oud is. De splitsing tussen buideldieren en placentale zoogdieren heeft dus voor het ontstaan van Eomaia plaatsgevonden. Alhoewel Eomaia waarschijnlijk niet de directe voorouder van alle zoogdieren is kan deze soort worden gezien als een verre oom of tante van de mens.

Boorspons
De boorspons (Cliona celata) is een in zee levende sponssoort Boorspons De spons heeft een borende levenswijze en kan daarbij enkele centimeters diep het substraat binnen dringen. De gaten zelf hebben een ronde doorsnede en kunnen een diameter hebben van enkele (vaak ongeveer 5) millimeters. De boorgaten kunnen elkaar raken waardoor een soort galerij ontstaat waarin slechts enkele geperforeerde wanden van het oorspronkelijke substraat over blijven. Het hele stelsel van onderling verbonden ruimtes wordt door het sponslichaam gevuld. Het grootste deel van de spons bevindt zich binnenin deze ruimte, slechts een klein deel is aan het oppervlak zichtbaar. Dit zichtbare deel heeft een honingraatstructuur met zeefvormige in- en uitstroomopeningen en is goudgeel, maar soms ook oranje, gekleurd. Habitat en leefwijze Deze boorspons wordt aangetroffen vanaf de lagere getijdenzone tot een waterdiepte van meer dan 100 m. De soort wordt zelden uit dieper water gemeld maar 200 meter komt voor. De soort leeft in helder zeewater en verdraagt geen bodems met een hoog slibgehalte. Vanwege de borende lefwijze heeft de spons een hard substraat nodig wat kan bestaan uit zachte kalksteen en verlaten schelpen van weekdieren, koraal wordt ook gemeld. Waterverontreiniging en veel slib in suspensie worden niet verdragen. Er bestaat een betrekkelijke tolerantie ten opzichte van het zoutgehalte, echter waarden lager dan 10 à 15 ‰ (totaal zoutgehalte) worden niet overleefd en waarden bij 20-25 ‰ lijken optimaal. De boorspons is 'overblijvend', dwz leeft tijdens alle seizoenen en maakt niet elk jaar tijdens bv het winterseizoen een ruststadium aan. De groeisnelheid is temperatuursafhankelijk: bij hogere temperatuur treedt snellere groei op. Individuen kunnen vrij groot worden. Maximale individuele grootten zijn opgegeven van 100 cm doorsnede en 50 cm hoog (dik). Individuen die dicht bij elkaar leven en tegen elkaar aan groeien, kunnen 'fuseren' tot één individu. Areaal De spons komt wereldwijd voor. Recent voorkomen De boorspons leeft in Nederland alleen in de Oosterschelde. ] Fossiel voorkomen Boorgaten van boorspons soorten zijn in het Noordzeegebied bekend uit kalkstenen en schelpen uit het Kwartair en het Plioceen. Hoewel vaak wordt aangenomen dat het om Cliona celata gaat, is dat niet met zekerheid bekend. Boorgaten worden het meest gevonden in schelpen van oestersoorten. Dat heeft te maken met de schelpdikte en waarschijnlijk ook met overeenkomende ecologische eisen.

Sponzen in Nederland
Sponzen worden in Nederland voornamelijk aangetroffen in de Oosterschelde, onder andere de Boorspons (Cliona celata), de Gewone broodspons (Halichondria panicea), de Geweispons (Haliclona oculata) en de Paarse buisjesspons (Haliclona xena). Deze laatste is niet inheems in Nederland, maar waarschijnlijk geïmporteerd met oesters. In het zoete water komt de zoetwaterspons (Spongilla lacustris) algemeen in het zoete water voor, meestal grijzig van kleur, maar soms groen door algen die in de spons leven. Indeling Oorspronkelijk werd de aanwezigheid van skeletnaalden als een voorwaarde gesteld voor de indeling van een organisme bij de sponsdieren. Een aantal fossiele groepen werden daarom bij de koraaldieren ingedeeld. De ontdekking van 15 levende soorten sponzen met een kalkskelet veranderde echter de inzichten en de koraalsponzen en enkele voorheen moeilijke groepen werden onder de sponzen gezet. * Hoornsponzen (Demospongiae). Het skelet bestaat uit spicula van spongine (een eiwit), kiezel of uit beide. Tot deze groep hoort de overgrote meerderheid van de soorten. Sponginevezels kunnen veel water opnemen, en de skeletten van deze sponsdieren werden (en worden) gebruikt als spons. * Kalksponzen (Calcispongiae). De spicula bestaan uit calciumcarbonaat. * Glassponzen (Hexactinellida). Het skelet bestaat uit 4 of 6 puntige spicula van kiezel (SiO2). Een bekende vertegenwoordiger van deze klasse is het Venusmandje (Euplectella aspergillum). * Koraalsponzen (Sclerospongiae). Deze groep werd als zodanig in 1970 onderscheiden. Ze hebben een gevouwen lichaam en kunnen extreem oud worden, 500 tot 1000 jaar. Uitgestorven: * Archaeocyatha. Uitgestorven in het Cambrium, deze groep wordt door sommigen als apart phylum genoemd. Deze groep heeft ook kenmerken van koraaldieren, maar er is inmiddels een redelijke consensus bereikt over plaatsing van deze groep bij de sponsdieren.

Een zee van leven .
Een zee van leven . Ordovicium, Siluur en Devoon -488 Ma tot -359 Ma 500 miljoen jaar geleden gingen organismen alle delen van de zee verkennen, kruipend, drijvend of zwemmend. Voordien waren er bijna uitsluitend zeebodembewoners. Trilobieten passen zich aan aan specifieke niches in de zee. Nieuwkomers zijn vissen en graptolieten, en een weelde aan tweekleppige schelpdieren, de brachiopoden. Op het einde van het Ordovicium wordt het klimaat veel kouder. De evolutie wordt afgeremd, maar herneemt al gauw. Trilobieten en graptolieten zullen echter nooit meer hun vroegere bloei kennen. Kaakloze vissen kunnen zich enkel met zacht weefsel voeden. Vanaf het Devoon ontwikkelen zich vissen met kaken en een gepantserde kop. Die kunnen zoveel voedsel de baas dat sommige meters lang worden. Vissen worden steeds beweeglijker dank zij de verdere ontwikkeling van vinnen. In de Devoontijd liggen veel kustgebieden in de warme wateren rond de evenaar, waar een rijkdom aan leven mogelijk was. Organismen die kalk afscheiden, vormen hoge riffen. Op het einde van het Devoon, bij de overgang van de Frasniaan- naar de Famenniaantijd, verdwijnen de riffen plots. Veel organismen in ondiepe tropische en subtropische zeeën sterven uit. De oorzaak is een globale verslechtering van het klimaat, misschien geholpen door een extraterrestrische impact. In de kleibodem van de Devoonzee in de Hunsrück bleef een uitzonderlijk rijke diversiteit aan fossielen bewaard. Het is het best bewaarde voorbeeld van marien leven uit die tijd, met zelfs afdrukken van weke delen. Tot de toppers van de Hunsrück-fossielen behoren trilobieten met bewaring van de fijne structuur van aanhangsels, oogzenuwen en spijsverteringskanaal, die zichtbaar worden op radiografiën. Bijzonder mooi zijn de zeesterren en zeelelies. Er komen relatief veel vissen voor, kaakloze pantservissen en placodermen. Verder zijn er zeer zeldzame soorten degenkrabben, krabben, zeespinnen en glassponzen.

Tiktaalik was een eind op weg naar de verovering.
Tiktaalik was een eind op weg naar de verovering van het land Omstreeks 380 miljoen jaar geleden wisten dieren het land te veroveren. Dat ging niet in één klap, maar via een geleidelijke evolutie die miljoenen jaren duurde, en waarbij zich uit vinnen ledematen ontwikkelden die steeds beter aan het leven op het land werden aangepast. Een van de eerste dieren die ledematen ontwikkelde, waarschijnlijk nog vooral om op de bodem van ondiepe plassen te steunen, en om daarop ook te lopen, was Panderichthys, waarover eerder in Geonieuws is bericht. In het noorden van Canada (Ellesmere Island) is nu een fossiel van 375 miljoen jaar oud aangetroffen dat ca. 10 miljoen jaren jonger is dan Panderichthys, en dat al veel verder ontwikkelde ledematen heeft. Het waren in ieder geval extremiteiten die veel beter waren om op te staan (rusten) dan om te zwemmen. Dit fossiel, dat de naam Tiktaalik roseae heeft gekregen, was vrijwel klaar om het land op te gaan. Het dier, dat nog de kaken van een vis had, en dat een krokodilachtig hoofd had, bezit kenmerken die de vissen niet hadden, maar die niet meer voorkomen bij de echte landdieren. Daarmee wijkt het af van eerdere vondsten, die toch vooral vis of vooral landdier waren. Opvallend is dat er maar liefst drie exemplaren van het fossiel zijn gevonden. Ze variëren in lengte van anderhalve tot drie meter, en hebben een breed, afgeplat lichaam. De aanwezigheid van schubben is nog typerend voor een vis. Dat geldt uiteraard ook voor de nog aanwezige vinnen. Daar staat echter tegenover dat hoofd en schouders onafhankelijk van elkaar konden bewegen, zoals dat met de meeste viervoeters (tetrapoden) op het land het geval. Ook het skelet van Tiktaalik vertoont kenmerken die meer geschikt lijken voor een leven op land dan voor leven in water. Zo zijn de ribben betrekkelijk breed (wat bij vissen niet het geval is), en liggen ze deels over elkaar heen, waardoor het lichaam veel steviger was dan dat van een vis. De vraag is natuurlijk of Tiktaalik ook werkelijk het land op ging. Daarvoor bestaan geen directe bewijzen. Aanwijzingen zijn er echter wel, vooral in de vorm van de borstvinnen. Dat waren, wat uiterlijk betreft, nog wel vinnen, maar inwendig was er een groot verschil met bijv. Panderichthys, en wel in de aanwezigheid van een serie botjes die onafhankelijk van elkaar konden bewegen. Het lijkt erop dat er (nog primitieve) schouder-, elleboog- en polsgewrichten waren. Met licht gebogen schouders en met de 'vingers' op de grond moet Tiktaalik zo hebben kunnen staan en lopen, zeker in ondiep water, maar waarschijnlijk ook op het land. De echte verovering van het land was in ieder geval nog maar een kleine stap.

De evolutie van de planten
De evolutie van de planten Een beknopt overzicht van de ontwikkeling van de flora III. Perm - Vroeg-Krijt PlantenevolutieI. Siluur en Devoon II. Carboon en Vroeg-Perm IV. Krijt - heden Rode PermlagenIn het Vroeg-Perm veranderden de omstandigheden. Het werd langzamerhand heter en droger en dat leidde tot woestijnvorming op vele plaatsen. De rode kleur van veel bodems die in die tijd gevormd werden, is een gevolg van dat hete, droge klimaat. Zie de foto links. Dit hangt samen met het feit dat alle continenten langzamerhand tegen elkaar aan zijn komen te liggen en één groot supercontinent (Pangea) vormden. Daardoor was er een enorm binnenland ontstaan met een extreem landklimaat. In het Perm ontwikkelden zich dan ook veel plantensoorten die bestand waren tegen hitte en droogte. En ook tegen dierenvraat! Want de amfibieën en de reptielen, die toen de dienst uitmaakten op het land, vraten alles op wat ze tegenkwamen en de planten ontwikkelden als reactie daarop allerlei afweermiddelen zoals stekels en gif. De indeling in Paleozoïcum, Mesozoïcum en Kenozoïcum is eigenlijk niet van toepassing op planten. Daarom spreekt men wel van Paleophyticum (Siluur t/m Vroeg-Perm), Mesophyticum (Vroeg-Perm t/m Jura) en Kenophyticum (Vroeg-Krijt - heden). Autinia conferta De zaadvarens gingen nog flink door, zelfs tot in het Jura. Wel verdwenen veel groepen, maar die werden vervangen door andere groepen. In een groeve bij Lodève zijn veel fossiele planten uit het Onder-Perm gevonden. Ze zijn echter lang niet zo goed geconserveerd als de planten van het steenkolenmoeras. Dat komt omdat deze planten door rivieren van andere plaatsen zijn aangevoerd en bij dat transport vaak zwaar werden beschadigd. De wolfsklauw- en paardenstaartbomen verdwenen geleidelijk en stierven uit tijdens het Perm. De kruidachtige paardenstaarten en wolfsklauwen zijn wel blijven bestaan, maar zijn te beschouwen als overblijfselen van groepen die vroeger veel succesvoller waren. Walchia piniformis De coniferen ontwikkelden zich sterk, zoals de Walchia , die veel op de kamerden lijkt. De plant is verwant met de Araucaria, die tegenwoordig veel in tuinen wordt aangeplant. De coniferen verschenen in het laat-Carboon, maar werden pas in het Perm algemeen en soms zelfs dominant. Verder ontstonden de eerste cycas- en ginkgoachtige planten . Maar pas in het Trias en het Jura kwamen die tot volle ontplooiing. De varens gingen gewoon door met hun ontwikkeling, zoals ze tot op heden doen. Taeniopteris Glossopteris Het zuidelijk deel van het supercontinent Pangea, bestaande uit Afrika, Australië, Antarctica en India, wordt Gondwana of Gondwanaland genoemd. Hier ontwikkelde zich tijdens het Perm een aparte flora, waarvan men nog niet goed weet wat voor soort planten dat waren. De planten worden aangeduid met de naam Glossopteris en het meest waarschijnlijk is dat het om zaadvarens ging. Maar er kunnen ook wel andere planten bij zitten. Glossopteris-planten waren bomen met langwerpige bladeren met netvormige nerven, Op de bladeren zaten soms voortplantingsorganen. Ook tijdens het Trias waren er nog Glossopteris-planten, maar daarna zijn ze uitgestorven. Klik op de foto links om enkele bladeren te zien. Aan het einde van het Perm vond de grootste uitsterving aller tijden plaats, waarbij 95% van alle diersoorten het loodje legde. Bij de planten was de schade minder groot, hoewel ook daarbij veel soorten verdwenen en later vervangen werden door andere. Toch ging het Perm wat de plantenwereld betreft globaal gezien vrij vloeiend over het in Trias. Plantenfossielen uit het Perm worden o.m. gevonden in Duitsland in Rheinland/Pfalz bij Sobernheim, en ook in Thüringen bij Manebach. Verder in Frankrijk bij Lodève. Equisetites Trias-plantenfossielen zijn vrij schaars in onze omgeving. In de eerste 10 miljoen jaar van het Trias zijn de leefomstandigheden waarschijnlijk erg slecht geweest met o.a. een door vulkanische gassen vergiftigde atmosfeer. In de Elzas worden wel Triasplanten gevonden, vooral coniferen. Het Boven-Trias, ook wel Keuper genoemd, heeft in Duitsland goede vindplaatsen opgeleverd. De flora werd daar gedomineerd door paardenstaartachtigen, maar ook andere groepen waren aanwezig, zoals varens, zaadvarens, coniferen, ginkgo- en cycasachtigen. Belangrijke ontwikkelingen zijn het verschijnen van moderne varens en van Bennettitales (zie verder). Het boek 'Keuperpflanzen' van Kelber en Hansch geeft er een prachtig beeld van: klik op de foto links. Bij Unternschreez (Bayreuth) is het een en ander te vinden uit het bovenste deel van het Trias: klik op de foto rechts. Coniferentakje uit het Rhaet In het warme Jura komen plant en dier weer tot volle ontplooiing. De groeiomstandigheden zijn overal op aarde goed tot zeer goed en er ontwikkelt zich een uitbundige plantengroei. De bossen hebben een totaal ander aanzien gekregen dan die van het Carboon: het zijn nu de naaktzadigen die domineren. Jurawoud In de eerste plaats zijn er de coniferen in vele vormen. Dan de Araucaria's met hun regelmatige kransen van takken en hun zeer stijve, schubvormige bladeren, waardoor ze soms 'apenverdriet' genoemd worden. In de tuinen zijn ze erg geliefd tegenwoordig. Er waren verder vele soorten Ginkgo, ook al een laan- en tuinboom in de tegenwoordige tijd. De Ginkgo, met zijn driehoekige blaadjes, is een echt levend fossiel. In Yorkshire worden fossiele Ginkgo-blaadjes gevonden, die heel erg lijken op de huidige (enige) soort. Cycasachtigen Een heel belangrijk element van de flora in het Jura vormden de Cycas-achtige planten met hun palmachtig geveerde bladeren. Er ontwikkelde zich ook een groep planten die erg leken op de Cycas, maar die toch heel anders waren. Zij hebben zelfs de eerste bloemen voortgebracht. De groep heet Bennettitales (er is geen Nederlandse naam voor;Men heeft lang gedacht dat de moderne bloemplanten van deze groep afstamden maar dat is niet zo. De groep is nu geheel uitgestorven. Zamites sp. In het begin van het Jura waren er nog wat zaadvarens, maar die stierven dan uit. De echte varens vormden een belangrijk element van de flora in het Jura. Er waren zowel boomvarens als kruidachtige varens. Van diverse groepen, die in het Jura voorkwamen, bestaan nu nog steeds vertegenwoordigers, maar het zijn wel altijd andere soorten dan destijds. Alle soorten uit het Jura zijn uitgestorven. Het strand bij Whitby Voorkomens van fossiele Jura-planten zijn niet dik gezaaid. De belangrijkste in onze omgeving liggen langs de kust van Yorkshire in Engeland. Verder zijn er ook nog vindplaatsen bij Bayreuth in Duitsland.

De beroemde vindplaats Burgess Shalei.

De beroemde vindplaats Burgess Shalei.

 

De beroemdste vindplaats van dierlijke fossielen is wel de Burgess Shalein de bergen van Brits-Columbia, Canada. De lagen daar zijn uit het Midden-Cambrium, zo'n 520 miljoen jaar oud. Ze zijn daarmee maar iets jonger dan de oudstbekende fossielen. Vanaf 543 miljoen jaar geleden , aan het begin van het Cambrium, komen fossielen algemeen voor. Het bijzondere van de Burgess Shale is dat de fossielen daar uitzonderlijk goed geconserveerd zijn. Zelfs de zachte delen zijn bewaard gebleven. Op verreweg de meeste andere plaatsen zijn alleen de harde delen, zoals schelpen en pantsers gefossiliseerd. In de lagen van de Burgess Shale zijn talloze, vaak zeer vreemde dieren gevonden, die in veel gevallen van geen enkele andere plaats bekend zijn. Alleen in China zijn de laatste tijd vergelijkbare vondsten gedaan (die nog iets ouder zijn).
Uit de fossielen blijkt dat er in die (begin)tijd zeer veel levensvormen bestonden, die later blijkbaar uitgestorven zijn. Men spreekt wel van de Cambrische explosie, waarmee de enorme radiatie (uitwaaiering) van levensvormen in die periode bedoeld wordt.

De zeer eigenaardige dieren zoals de Anomalocaris, een tot 2 meter grote rover met ogen op korte steeltjes, met een mond in de vorm van een ananas-ring en een paar gevaarlijke grijpers. Dit was verreweg het grootste dier in de Burgess Shale.

De Sidneyia was een geleedpotig roofdier van ongeveer 10 cm dat de stamouder van de spinachtigen, trilobieten en schorpioenachtigen zou kunnen zijn.
De Leanchoilia was een blinde geleedpotige met grote aanhangsels aan de kop die eindigden in drie zweepachtige tentakels.
Dit zijn maar drie van de meer dan 120 soorten dieren die in de Burgess Shale gevonden zijn.

Fossiele zoogdieren op de Maasvlakte.
De Maasvlakte bij Rotterdam was jarenlang een waar paradijs voor verzamelaars van fossiele zoogdieren. De botten die hier zijn gevonden, komen uit verschillende aardlagen. Sommige stammen uit het Vroeg Pleistoceen andere uit de laatste ijstijd.

De Maasvlakte is een opgespoten gebied ten westen van Rotterdam. Het zand waarmee de vlakte is opgespoten is afkomstig uit de Noordzee, waarbij materiaal tot een diepte van veertig meter is gebruikt. Met het zand zijn allerlei botten van zoogdieren meegekomen. In de loop van de jaren tachtig en begin jaren negentig hebben amateurverzamelaars veel van deze botten verzameld.

Net als bij de fossielen van de Noordzeebodem, weten we van de fossielen van de Maasvlakte niet precies uit welke aardlaag ze afkomstig zijn. Sterker nog, de fossielen van de Maasvlakte komen uit verschillende aardlagen, gezien de mengeling van Midden en Laat Pleistocene soorten die we hier aantreffen.

De oudste fossielen

Een eerste indicatie van de ouderdom van de fossielen van de Maasvlakte is de manier waarop deze zijn gefossiliseerd. Een aantal fossielen is zeer donker gekleurd en zwaar gefossiliseerd. Het zijn de oudste fossielen die we hier kunnen vinden. De gevonden soorten geven aan dat dit materiaal stamt uit het Midden Pleistoceen en ongeveer één miljoen jaar oud is. We vinden bijvoorbeeld resten van de zuidelijke olifant, Mammuthus Mammuthus meridionalis. Deze soort kennen we ook uit Tegelen, maar de kiezen van de Maasvlakte zijn duidelijk van een geavanceerder type. Deze fauna van de Maasvlakte is dan ook een stuk jonger dan die van Tegelen.

Naast de olifant bevat de fauna onder andere ook de uitgestorven beverTrogontherium, de neushoornStephanorhinus etruscus en het nijlpaardHippopotamus Hippopotamus major. Een vergelijkbare fauna is opgevist uit de Deep Water Channel in de zuidelijke Noordzee.

De laatste ijstijd

In de Noordzee worden veel fossielen gevonden van zoogdieren die hier leefden in de laatste ijstijd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vertegenwoordigers van deze fauna ook te vinden zijn op de Maasvlakte. Dit materiaal is veel minder zwaar gefossiliseerd dan dat uit het Midden Pleistoceen. Het is dan ook veel jonger en heeft een leeftijd van enkele tienduizenden jaren.

De meest kenmerkende soort van deze Weichselien fauna is de wolharige mammoet, Mammuthus primigenius. Daarnaast zijn op de Maasvlakte fossielen gevonden van de holenleeuw, de holenhyena, de steppewisent, de wolharige neushoorn, het reuzenhert en het rendier. Fossielen van deze dieren zijn, behalve uit de Noordzee, ook bekend uit de zuiggaten langs de grote rivieren.

Het Holoceen

Naast de botten van ijstijdzoogdieren zijn op de Maasvlakte ook botten gevonden van na de ijstijd. Deze botten zijn hooguit 10.000 jaar oud en zijn niet of nauwelijks gefossiliseerd. Veruit de meeste botten behoren tot gedomesticeerde soorten zoals schapen, geiten, koeien en varkens. Daarnaast zijn verschillende resten van allerlei soorten muizen, bevers, marters, wezels en herten gevonden. Ook deze stammen van na de laatste ijstijd.

Behalve de landzoogdieren zijn ook botten gevonden van zeezoogdieren. Zo zijn er botten aangetroffen van verschillende soorten zeehonden, bruinvissen, dolfijnen en zelfs van een narwal. Over de ouderdom van deze zeezoogdieren is weinig te zeggen.



Fossillagerstätte.
Paleontologen gebruiken de Duitse term Fossillagerstätte om bijzondere fossielvindplaatsen aan te duiden, die van 'gewone' vindplaatsen verschillen door de aanwezigheid van een grote diversiteit aan organismen of omdat hun overblijfselen uitzonderlijk goed zijn bewaard.
Er kunnen twee typen worden onderscheiden: Bij een Konzentratlagerstätte is er sprake van één fossielrijke laag waarin een significant deel van een ecosysteem bewaard is gebleven. De grote diversiteit aan soorten stelt paleontologen in staat om zich een beeld te vormen van de vroegere leefgemeenschap. De Burgess Shale in Canada is hier een voorbeeld van. De kleischalie van de Burgess Shale  omvat een complete leefgemeenschap van meer dan 140 soorten uit het Precambrium (meer dan 500 miljoen jaar geleden).
Paleontologen spreken van een Konzervatlagerstätte als er nog fossiele weefsels herkenbaar zijn of in ieder geval afdrukken daarvan. In het Eoceen, ongeveer 45 miljoen jaar geleden, bevond zich bij Messel in de buurt van het Duitse Darmstadt een meer, omringd door een subtropisch regenwoud. In het zuurstofarme water werden dikke kleilagen afgezet. Dieren die in of vlakbij het meer stierven, zonken naar de bodem, waar ze zeer snel bedekt raakten met slib. Niet alleen skeletten bleven bewaard, maar soms ook de maaginhoud en afdrukken van de huid. Dergelijke anatomische details stellen paleontologen in staat om zich een goed beeld te vormen van de bouw en het uiterlijk van het organisme.

In de praktijk is de onderverdeling in Konzentratlagerstätte en Konzervatlagerstätte echter niet zo strikt. Waar veel organismen bij elkaar gevonden worden zijn de omstandheden namelijk vaak ook geschikt voor de conservering van zachte weefsels, en omgekeerd. Zo vinden we bijvoorbeeld in de kleischalie van Messel niet alleen vleermuizen met goed bewaarde maaginhoud en vlieghuid, maar ook andere diersoorten die in het regenwoud hebben geleefd zoals oerpaardjes, tapirs en zelfs vogels, nog met de veren aan hun lijf.

Ideale omstandigheden voor fossilisatie zijn zeldzaam en dus komen Fossillagerstätten niet al te veel voor. Op eilanden is tot dusver zelfs nog geen enkele Fossillagerstätte aangetroffen, maar het vermoeden bestaat dat het moeras Mare aux Songes op Mauritius er wel een is. Zo is met boringen en graafacties aangetoond dat zich op een meter onder het maaiveld een ongestoorde bottenlaag bevindt met goed geconserveerde botten van een grote diversiteit aan vogels, reptielen en zoogdieren. Ook zachte delen van planten zoals bladeren, takjes en zaden zijn aangetroffen. Dodo-vindplaats Mare aux Songes zou dus zowel een Konzentratlagerstätte als een Konzervatlagerstätte kunnen zijn. Een ideale uitgangspositie om het verdwenen ecosysteem van Mauritius te kunnen reconstrueren maar bijvoorbeeld ook om te zien in hoeverre fossiele planten verschillen van soortgenoten die nog steeds op het eiland voorkomen.



De eieren van dinosauriërs.
Evenals de meeste tegenwoordige reptielen en vogels legden ook dinosauriërs eieren. Er zijn er al heel wat gevonden.

De eieren van dinosauriërs zijn over het algemeen erg groot, zo'n tien tot twintig centimeter lang. Meestal weten we niet van welke dinosauriërs gevonden eieren afkomstig zijn. Heel soms wordt er wel eens een embryo in het ei gevonden en kunnen we achterhalen bij welke volwassen dinosauriër het ei hoort.

De meeste eieren die worden gevonden zijn gebroken. Soms komt dat doordat het jonge dier al uit het ei is gekropen. Meestal echter hebben de gesteenten, waaronder het ei lange tijd begraven lag, het ei in elkaar gedrukt.

Mesozoïsche kraamkamers

Op enkele plaatsen zijn zelfs nesten en broedplaatsen met vele nesten gevonden. Bekende voorbeelden zijn de broedplaatsen en nesten van Maiasaurus in de Verenigde Staten en de nesten van Velociraptor in de Gobi woestijn van China en Mongolië.

De nesten in de Gobi woestijn werden aanvankelijk toegeschreven aan Protoceratops. In één van de nesten hadden paleontologen een Velociraptor in gevecht met Protoceratops gevonden. Ze meenden dat Velociraptor (letterlijk: snelle rover) de eierrover was. Toen ze echter in één van de eieren een embryo van Velociraptor vonden, bleek dat Protoceratops de eierrover was.



Geologie
Geologie De bodem van Winterswijk is geologisch uniek voor ons land. Lagen uit verschillende perioden komen op een relatief klein gebied aan de oppervlakte.  De geologische afdeling geeft hiervan een mooi beeld en toont verscheidene bijzondere vondsten, zoals voetsporen van sauriërs, een prachtige collectie schelpen, koralen, haaientanden, enz. uit het Mioceen, Walvissen lieten hun wervels achter. Uit de zandwinning bij Winterswijk kwamen botten van mammoet, wolharige neushoorn, rendier oeros, enz. Naast een mooie collectie noordelijke, zuidelijke en oostelijke zwerfstenen is er een uitgebreide studiecollectie die op aanvraag, per e-mail aan de beheerder van de geologische afdeling  kan worden geraadpleegd.Bezoek aan de Winterswijkse Steengroeve U kunt de Winterswijkse Steengroeve bezoeken op de 'open dagen'. De open dagen worden georganiseerd door de Afdeling Winterswijk van de Nederlandse Geologische Vereniging. Open dagen zijn de eerste zaterdagen van de maanden april t.m. november van 9.00 - 16.30 uur. De data voor 2008 zijn:5 april / 3 mei / 7 juni / 5 juli / 2 augustus / 6 september / 4 oktober / 1 november.De entree is gratis, een vrijwillige bijdrage is zeer welkom.Enkele voorwaarden:

 Bezoekers tussen 8 en 16 jaar uitsluitend onder begeleiding van een volwassene, niet meer dan drie kinderen per volwassene, kinderen jonger dan 8 jaar worden niet toegelaten.

Aanmelden: u stuurt, ten minste een week voor de gewenste bezoekdatum, een brief met het verzoek om een aanvraagformulier naar: VVV-ANWB Postbus 362, 7100 AJ WINTERSWIJK (met op de envelop de vermelding "Steengroeve").

U sluit er een aan uzelf geadresseerde, gefrankeerde antwoord-envelop (€ 0,44) bij in. Het aanvraagformulier bevat alle verdere informatie. Gegevens en aanvraagformulier zijn ook bij het museum te verkrijgen.

Wat kunt u er vinden?

Per jaar wordt ca. 100.000 ton kalksteen ontgonnen, waardoor de situatie in de groeve steeds verandert.
Aan mineralen vindt u vrij gemakkelijk pyriet, galeniet, calciet en coelestien, minder algemeen zijn markasiet, zinkblende en strontianiet. Fossielen: vrij algemeen zijn schelpafdrukken, sporen van kreeftachtigen, visschubben en pootafdrukken van sauriërs, zeldzamer zijn ceratieten (ammonietachtigen), vissen en skeletdelen van sauriërs. Verder zijn er interessante geologische verschijnselen waar te nemen, zoals breuken met verticale verschuiving, diaklazen, sleuring, krimpscheuren en golfribbels.
De geheel vernieuwde geologische afdeling van Museum Freriks geeft u een goed beeld van wat er in de Steengroeve voor moois te vinden is, een bezoek vooraf aan het museum is een goede voorbereiding voor een bezoek aan de groeve.

Geologische excursies Steengroeve Winterswijk

In 2008 organiseert de Afdeling Winterswijk e.o. van de Ned. Geol. Ver. vier excursies naar de Steengroeve. De excursies worden gehouden op de zaterdagen 19 juli, 26 juli 9 augustus, 16 augustus en 23 augustus. In de excursie is begrepen: toegang tot het museum, een consumptie, het boekje 'De Winterswijkse Steengroeve', een diavoordracht, begeleiding in de steengroeve. De kosten bedragen € 10,- per persoon (volwassenen en kinderen), de minimum leeftijd voor deelnemers is 8 jaar. Vooraanmelding is noodzakelijk: schriftelijk bij

VVV-ANWB Postbus 362, 7100 AJ Winterswijk.

Programma:
12.30 - 13.00 u. Ontvangst, betaling excursiekosten, gelegenheid de geologische afdeling van het museum te bekijken.
13.00 - 13.45 u. Diavoordracht, waardoor de deelnemers inzicht in de materie krijgen.
13.45 - 14.00 u. Gezamenlijke rit naar de steengroeve, ca. 6 km, met eigen vervoer, voor niet-autobezitters is er altijd voldoende gelegenheid om met anderen mee te rijden.
14.00 - 16.00 u. Bezoek aan de steengroeve, veiligheidshelm is verplicht, leenhelmen zijn beschikbaar, maar eigen helm zit prettiger.

   

Fossielen zoeken 2

De overblijfsels van planten en dieren die de mergel hebben gevormd, fossielen genaamd, vertellen veel over de ouderdom van de lagen. Fossielen zijn volgens van Dale: in de aarde versteend en als zodanig aangetroffen resten van planten en dieren. Er zijn fossielen gevonden van dieren die 65 miljoen jaar geleden uitgestorven zijn. De mergellagen zijn dus nóg ouder. In Groeve ’t Rooth komen veel fossielen voor, van grote tot microscopisch kleine. Grote fossielen zijn overigens zeer zeldzaam, kleinere fossielen daarentegen gemakkelijker te vinden, maar ze liggen nergens voor het oprapen. Fossielen verzamelen moet geleerd worden: men moet er oog voor krijgen en dat gebeurt niet in een dag. Wanneer men een fossiel gevonden heeft, moet dit “geborgen” worden en in veel gevallen ook nog geprepareerd en geconserveerd. Het bergen gebeurt op de vindplaats. Het prepareren en conserveren kan men het beste thuis doen.

Kijk eerst of er geen losse fossielen liggen. Draai de wat grotere blokken kalksteen om te zien of er geen fossielen aan de onderkant zitten. Probeer grote kalkblokken op de laagvlakken te splijten. Heb je een fossiel gevonden dat in een groot stuk kalk zit, probeer dan niet om het er meteen uit te halen met de hamer, maar zaag er een blokje uit dat zo groot is dat het fossiel niet beschadigd kan worden. Vraag eventueel hulp aan de aanwezige gidsen. Ga niet al meteen met het uitprepareren beginnen. Pak het blokje mergel in een stuk krantenpapier om beschadigingen te voorkomen. Het prepareren kan het beste thuis in alle rust en voorzichtigheid gedaan worden.

Tussen de mergellagen zitten lagen met vuursteen, een zeer harde steensoort die al meer dan 250.000 jaar geleden werd gebruikt voor het maken van stenen werktuigen. Voor de allereerste bewoners van Zuid-Limburg wekte niet zozeer de mergel de interesse, maar vooral wat zich ertussen bevond. Op verschillende plaatsen liggen grote hoeveelheden vuursteenknollen in de kalksteen. De ‘zure’ siliciumverbindingen (kiezelzuur) van de vuursteen hebben zich langzaam maar zeker in de kalklaag gescheiden van de kalksteen. Dit kiezelmateriaal verzamelde zich vooral in en rond graafgangen van zeedieren of het sloeg neer rond kleine deeltjes in de bodem. Vandaar dat vuursteen vaak in knol- en pijpvormige stukken in de kalksteenwanden te vinden is. Al zo’n 6000 jaar geleden groeven mensen ondergrondse vuursteenmijnen. Ze zijn bekend van bij Rijckholt (2000 schachten) en bij Valkenburg (onbekend aantal schachten). Het materiaal werd gebruikt voor het vervaardigen van pijlpunten, messen, bijlen en andere gereedschappen.

Het grind, dat op de mergel ligt, werd ruim een miljoen jaar geleden afgezet. Toen stroomde de rivier de Maas waar nu de groeve ligt. Zij voerde grind mee dat voor een groot deel bestaat uit stenen uit de Vogezen en de Franse en Belgische Ardennen. In de laatste twee ijstijden is het grind bedekt met een laag löss.


Fossielen zoeken 4

In de groeve zijn verschillende vormen en verschillende stadia van herinrichting te herkennen. Tot het einde van de jaren ’60 van de vorige eeuw werd het gebied in de oorspronkelijke, agrarische staat teruggebracht. Later werd de groeve heringericht als natuurgebied. Tijdens de wandeling door de groeve kan je zien hoe een voormalig stuk landbouwgrond is veranderd in een droogdal met hellingbossen, waar zich spontaan een zeldzame flora en fauna heeft ontwikkeld. Het gebied is zo uniek dat het Ministerie van Landbouw en Visserij het gebied in 1986 tot Beschermd natuurgebied heeft verklaard.

Desondanks groeit bij natuurorganisaties steeds meer het idee om bij herinrichting het gebied niet meer te beplanten. De erosie, aardverschuivingen en waterwerking die dan optreden maken de groeve tot een dynamisch gebied, dat steeds opnieuw kansen schept voor planten en dieren. Ook de geologie blijft zonder dekgronden veel beter zichtbaar. Nieuwe droogdalen ontstaan door erosie. Afschuivend leem, zand en grind vormen grote puinwaaiers aan de voet van steile wanden. Soms sijpelt er nog maanden lang regenwater uit deze zandpakketten, waardoor overal poelen ontstaan. Uit de wanden kan zelfs grondwater treden waardoor er sprake is van echte bronnen.

Het gedeelte van Groeve ’t Rooth dat is verklaard tot Beschermd Natuurgebied, wordt mede beheerd door Stichting Limburgs Landschap. Konikpaarden en een kudde geiten zorgen voor de natuurlijke begrazing van het gebied. Op die manier worden bijvoorbeeld de paddenpoelen vrij gehouden van begroeiing, zodat onder andere de vroedmeesterpad en de geelbuikvuurpad voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.

Beide paddensoorten zijn echte pioniers die van open en slechts beperkt begroeide landschappen houden. De geelbuikvuurpad, een klein padje, is de zeldzaamste van de twee soorten. Bij gevaar laat hij de fel geel gekleurde buik zien om te zeggen ‘ga weg, ik smaak niet!’. Hij komt in Nederland vrijwel alleen nog in Groeve ’t Rooth voor. De ‘geelbuik’ zet zijn eitjes af in de meest ondiepe en onooglijke poeltjes. Deze warmen vlug op waardoor de eitjes snel uitkomen en de larven zich optimaal ontwikkelen. Een nadeel is dat dergelijke watertjes regelmatig uitdrogen. Het is dan ook geen uitzondering dat legsels van de geelbuikvuurpad geheel mislukken. Zolang er af en toe nog een goed jaar tussen zit, hoeft dat echter geen probleem te zijn.

De vroedmeesterpad is iets minder zeldzaam, maar komt ook alleen in Zuid-Limburg voor. Karakteristiek voor deze pad is zijn broedzorg. Voordat de eitjes in het water worden afgezet loopt het mannetje van de vroedmeesterpad er een aantal weken mee rond. Op mooie zomerdagen kan het ‘Klökske’ (een van de vele Limburgse namen die het diertje rijk is) de groeve met een ‘klingelend’ geluid vullen. Het is echter moeilijk ze te vinden omdat ze vooral tussen grote stenen en in allerlei kuiltjes in het zand zitten.


Fossielen pinquins gevonden.


WASHINGTON - Pinguïns ogen vermoedelijk als een van de meest schattige vogelsoorten, maar de waggelende koningen van de Arctische kusten hebben heel wat vervaarlijker voorouders gehad. Wetenschappers hebben in Peru de fossiele resten gevonden van een enorme tropische pinguïnsoort. 

Het dier was niet alleen zo zwaar als een mens en met 1,5 meter hoger dan de keizerspinguïn (1,2 meter), maar had ook een achttien centimeter lange snavel. Die bek, twee keer zo lang als de rest van de kaak, gebruikte het mogelijk als een soort speer om prooi mee te doorboren.

"Het is een monster", aldus paleontoloog Julia Clarke in het Britse dagblad . Zij beschrijft het dier in de dinsdag verschenen uitgave van het Amerikaanse wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. De resten van de pinguïn zijn "uitzonderlijk goed" bewaard gebleven aldus de Amerikaanse.

Tropische wateren

De vogel leefde niet op ijs, maar zou circa 36 miljoen jaar geleden hebben rondgezwommen in tropische wateren, denken de wetenschappers. Dat was een van de warmste periodes sinds de dood van dinosaurussen circa 65 miljoen jaar geleden.


Schelpen

Nederlandse naam

Muiltje.


Wetenschappelijke naam

Crepidula fornicata (Linnaeus, 1758).


Behoort tot de 

Slakken (Gastropoda).


Belangrijkste kenmerken

Een vrij stevige schelp met twee zeer kleine windingen aan één kant. De top is omgekruld en de mondopening wordt voor het grootste deel afgedekt door een witte plaat. De vorm kan plat tot zeer hoog zijn.

 

  

 


Grootte

Tot 5 cm breed en 2 cm hoog.


Kleur

De buitenkant is geelbruin met paarse vlekjes.


Voorkomen in Nederland

Vrij algemeen, vooral in Zeeland.


Voorkomen in de tijd

Muiltjes komen pas vanaf het eind van de negentiende eeuw in de Noordzee voor, toen oesterkwekers uit Groot-Brittannië oesters uit Noord-Amerika uitzetten om er mee te kweken. Op de oesters zaten muiltjes vast. Het muiltje heeft zich geleidelijk over de Noordzee verbreid. In Nederland is de soort voor het eerst in 1929 waargenomen.


Leefomgeving

Muiltjes leven vastgehecht aan een stevige ondergrond zoals stenen en schelpen, in zeewater tot ongeveer 10 meter diepte.

Muiltje, vastgehecht aan een met zeerasp en pokken begroeide tepelhoren.

 


Naamgeving

De binnenkant van de schelp lijkt op een muiltje waarbij alleen het voorste deel van de voet bedekt is. Het muiltje wordt soms ook wel 'slipper' genoemd.

 

Weetjes

Muiltjes beginnen hun leven als mannetje en veranderen dan langzaam van geslacht. Ze zitten vaak met meerdere exemplaren op elkaar, soms met zijn tienen of meer.

 

Klik op het plusje voor een grotere foto
Muiltjes vastgehecht op een fossiel paardenbot dat in 2004 is opgevist uit de Oosterschelde.

 

De bovenste (kleinere) schelpen zijn mannelijk, de onderste (grotere) zijn vrouwelijk en daartussen zitten overgangsvormen. Jonge mannetjes kruipen op het huis van het vrouwtje, dat vervolgens wordt bevrucht. Daarna verandert het mannetje in een vrouwtje. De mannelijke testis ontwikkelt zich als tweeslachtige geslachtsklier en vormt vervolgens een vrouwelijk ovarium.

 


Schelpen

buitenkantbinnenkant

 

Nederlandse naam

Noordhoren.


Wetenschappelijke naam

Neptunea antiqua (Linnaeus, 1758).


Behoort tot de
 

Slakken (Gastropoda).


Belangrijkste kenmerken
 
Slakkenhuis groot en dik en opgebouwd uit 7 tot 8 bolle windingen, van elkaar gescheiden door een diepe naad. De mondopening is groot en loopt uit in een recht siphokanaal. Het oppervlak van de schelp heeft alleen vage horizontale ribben.


Grootte

Tot 20 cm hoog en 12 cm breed. De noordhoren is de grootste slakkensoort die men in het Nederlandse deel van de Noordzee kan aantreffen.


Kleur

Geelwit of lichtbruin; als ze aanspoelen zijn ze vaak verkleurd.


Voorkomen in Nederland

De noordhoren komt sporadisch voor langs de gehele Nederlandse kust. Op de Waddeneilanden is de soort algemener.


Voorkomen in de tijd

Vroeger algemeen. Aantallen zijn afgenomen, waarschijnlijk als gevolg van milieuvervuiling.


Leefomgeving 

Diep water, tussen de 15 en 1200 meter.


Naamgeving


De naam refereert aan het herkomstgebied: het noorden van Europa.


Vergelijkbare soorten

De noordhoren lijkt enigszins op de wulk: hun huizen hebben een vergelijkbare vorm maar de wulk is kleiner en de schelp vertoont minder reliëf. Op de Waddeneilanden spoelt af en toe een verwante soort aan, de slanke noordhoren. Deze soort is van de noordhoren te onderscheiden door zijn slanker gebouwde schelp.


Weetjes

De Noordhoren is niet geschikt voor consumptie, in tegenstelling tot de wulk. De noordhoren is een roofslak en jaagt evenals de wulk op schelpdieren en wormen.




Leden Bezoekers
1 38101

Startpagina
Nieuws
Gastenboek
LedenlijstAlleen toegankelijk voor leden
Fotoalbum
Bestanden delen
Poll
Agenda
Forum
Chatbox
Barnsteen (Amber)
Barnsteen is gefossiliseerde hars.
Beroemde paleontologen
ColdcaseTegelen
De Dipterocarpus boomsoorten in Zuid OostAzië.
De Witte woestijn
Fossiel mosasaurus gevonden
fossielen
Fossielen van de Kaloot (bij Borssele) en Cadzand
Fossielenjacht.
Fossielenvindplaats Messel
Fossielenvindplaats Messel
Frankrijk Escalles Cap-Blanc-Nez.
Gewone mossel
Grootste zeekat ooit in NL. wateren gevonden.
Het fossilisatie proces.
Hoe lang bestaan er al termieten.
Holtedieren.
Japanse oester.
Kiezen.
lijst van uitgestorven dieren in Nederland.
Mieren in Amber
Mosasaurus kwam om tijdens zondvloed of ijstijd.
Nieuwe krabben aan onze kust.
Oosterschelde als vindplek fossielen op retour.
Opgraven van fossiele botten een moeilijke klus
Petrified Wood.
Schelpen zoeken en vinden.
Sepia
Tegelen, een beroemde vindplaats van fossielen
Tijdvakken
Van welke boom is ons versteend hout afkomstig?
Wanneer leefden de dinosauriërs?
ZEELAND.