Amerikaanse bulldog

Communities

ZeelandNet

Amerikaanse bulldog

Welkom op de community Amerikaanse bulldog!

472.241 bezoekers 208 leden Log in

Hondenziektes


Hondenziektes

                           

Bron: Natural Animal Consulting

 



Entschema      

Pups kunnen vanaf de leeftijd van 6 weken geënt worden tegen hondenziekte, parvo en eventueel corona (1e, voorlopige enting). Omdat het afweersysteem nog niet volledig is ontwikkeld, biedt deze pupenting slechts een voorlopige bescherming tegen deze ziektes. Als de pup 12 weken is geweest, krijgt het de 1e grote cocktail tegen hondenziekte, besmettelijke leverziekte, ziekte van Weil, parvo, kennelhoest en eventueel corona (tweede enting). Deze enting wordt na een maand herhaald om de 1e te versterken (boosteren)-(3e enting). Na deze 3 vaccinaties is de jonge hond er voor een heel jaar vanaf. In het vervolg is dan jaarlijks 1 cocktailprik voldoende. Het is verstandig om het jonge hondje niet aan de ontlasting of onder de staart van andere honden te laten snuffelen voordat het alle 3 de entingen heeft gehad; pas een week na de herhalingscocktail, dus vanaf de leeftijd van 17 weken, is de hond volledig beschermd.
 

Parvovirus Diarree  

Deze uiterst besmettelijke virusziekte heeft aan het eind van de 70tiger jaren een massale en vernietigende uitbraak gehad, terwijl de ziekte voor die tijd eigenlijk niet bekend was. Het virus wordt meestal verspreidt via de uitwerpselen van een besmette hond. Ook buiten het lichaam van de zieke hond is het virus nog lang besmettelijk. Dat maakt het heel moeilijk om besmetting te voorkomen. De meest voorkomende symptomen van de ziekte zijn heftig braken en bloederige diarree. Daarnaast tast het virus het afweersysteem van de hond aan, waardoor de gevoeligheid voor andere ziekteverwekkers veel groter wordt. Soms heeft een hond het virus bij zich zonder ziek te worden.

Preventie van Parvovirus Diarree
; Na de 1e explosieve uitbraak van Parvovirus diarree in 1978 ontdekten wetenschappers een treffende verwantschap tussen het Parvovirus en het virus dat bij katten kattenziekte veroorzaakt. Toen bleek ook, dat een vaccinatie tegen kattenziekte een bescherming gaf tegen Parvovirus Diarree. In de jaren daarna is er hard gewerkt aan de nu beschikbare vaccins op basis van de eigenlijke ziekteverwekkers. Parvovirus Diarree kan een dramatisch verloop hebben bij honden van elke leeftijd en daarom is een jaarlijkse vaccinatie van groot belang.

Kennelhoest   

Kennelhoest (Infectieuze Tracheobronchitis) is een aandoening, die veroorzaakt kan worden door een aantal virussen en bacteriën. De ziekte dankt zijn naam aan het feit, dat vooral die honden de ziekte oplopen, die in de stresssituatie van een kennel zitten, waarbij veel honden vlak bij elkaar zitten en er voortdurend geblaft wordt. Het meest opvallende symptoom van de ziekte is het voortdurend hoesten, luidruchtig de keel schrapen en soms slijm opgeven. Kennelhoest wordt voornamelijk veroorzaakt door een infectie met het Parainfluenzavirus, het Adenovirustype 2, of de bacterie Bordetella bronchoseptica. Het Parainfluenzavirus is zeer besmettelijk en veroorzaakt ontstekingen en kleine bloedinkjes op het slijmvlies van de luchtwegen. het Adenovirus type 2 lijkt in werking sterk op het Parainfluenzavirus en geeft ook ontstekingen in het longweefsel, waardoor vrij gemakkelijk een bacteriële longontsteking zou kunnen ontstaan. Bordetella bronchoseptica is 1 van de bacteriën, die vaak gevonden wordt bij Kennelhoest, of als een secundaire infectie, of als verwekker van de ziekte.

Preventie van Kennelhoest; Bescherming tegen de hierboven genoemde virussen en bacteriën is in ieder geval goed mogelijk door middel van een jaarlijkse vaccinatie. Waarmee echter niet bereikt wordt, dat de betreffende hond absoluut niet meer verkouden kan worden. Helaas zijn er veel meer factoren, die een rol kunnen spelen bij het oplopen van een keelontsteking of verkoudheid.


Hondenziekte (de ziekte van Carre)    

Hondenziekte is een over de gehele wereld voorkomende virusziekte, die zeer besmettelijk is. De ziekte kent vele, uiteenlopende symptomen zoals hoesten en neusuitvloeiing, maar ook blijvend zenuwletsel, waardoor ernstige invaliditeit kan ontstaan. De ziekte kan op alle leeftijden voorkomen. Maar het zijn vooral jonge honden, die acuut ernstig ziek worden en vervolgens aan de ziekte kunnen overlijden.

Preventie van Hondenziekte; in de 70tiger jaren heeft men een opvallende verwantschap ontdekt tussen het virus dat Hondenziekte veroorzaakt en het Mazelenvirus. Het bleek dat wanneer een hond gevaccineerd werd met een mazelenvaccin, het dier antistoffen ging maken die het dier tevens beschermde tegen het hondenziektevirus. Het grote voordeel hiervan is, dat de in de pup aanwezige antistoffen van de moeder niet in staat zijn om het mazelenvaccin op te ruimen. Dat maakt het mogelijk om een pup al op de jonge leeftijd van 6 weken te vaccineren en daarmee tijdelijk goed te beschermen tegen Hondenziekte. Een aantal weken later dient de pup wederom te worden ingeënt met een onschadelijk gemaakt hondenziektevirus om zodoende weerstand te verkrijgen. Bij een volwassen hond verdient het aanbeveling om deze vaccinatie jaarlijks te herhalen.


Leverziekte    

Hepatitis (Hepatitus Contagiosa Canis) is een besmettelijke virusziekte, die vooral verspreid wordt via de urine van geïnfecteerde honden. De symptomen variëren van lichte koorts tot een ernstige lever ontsteking, waarbij het dier hoge koorts heeft, niets eet en uiteindelijk dood gaat. Soms kunnen de symptomen van besmettelijke leverziekte lijken op die van de Hondenziekte. Vooral bij jonge honden kan de ziekte zeer plotseling de dood veroorzaken.

Preventie Leverziekte; Hepatitus Contagiosa Canis wordt veroorzaakt door een Adebovirus type 1. Uit veiligheidsoverwegingen wordt voor het bewerkstelligen van een goede weerstand tegen deze ziekte gebruik gemaakt van Adenovirus type 2. Dit virus geeft naast een goede weerstand tegen luchtweginfecties ook een goede veilige weerstand tegen besmettelijke Leverziekte. Ook hiervoor raden wij U aan, uw dier tegen Leverziekte te vaccineren.


Ziekte van Weil (Leptospirose)      

Leptospirose (o.a. de Ziekte van Weil) is een verzamelnaam van ziektes die veroorzaakt worden door Leptospiren. Dit zijn beweeglijke bacteriën, die in staat zijn om via wondjes van het slijmvlies van de neus en/of de mondholte en zelfs via de huid het lichaam binnen te dringen. Een van die Leptospirosen is de Ziekte van Weil, die zowel bij mensen als bij dieren voorkomt. De belangrijkste infectiebron is water dat besmet is geraakt met urine van dieren die geïnfecteerd zijn. Leptospirosen kunnen soms gedurende maanden of zelfs jaren worden uitgescheiden door dieren, waarbij de infectie sluimerend in de nieren aanwezig is. Vooral de nieren, maar ook de lever lopen hierdoor vaak blijvende schade op. Soms kan een Leptospirose zeer snel verlopen met als symptomen een hond met zeer hoge koorts, gele slijmvliezen en donkergele urine.

Preventie van Leptospirose; Leptospirose is niet alleen gevaarlijk voor uw hond, maar ook voor de omgeving van uw hond. Juist omdat Leptospirose een ziekte is die ook een risico oplevert voor de mens, is een jaarlijkse vaccinatie van alle honden aan te raden. Omdat Leptospirose niet alleen maar de Ziekte van Weil is, waarvan men denkt dat die alleen maar kan worden opgelopen als de hond in of bij het water komt, is het ook voor een hond die nooit zwemt toch zinvol om het dier te beschermen tegen de gevolgen van Leptospirose.


Corona   

Corona is een betrekkelijk nieuwe ziekte die vaak in samenhang met Parvo wordt genoemd en wordt veroorzaakt door een virus dat zich in de ontlasting van besmette honden bevindt. De verschijnselen zijn koorts, niet meer eten, braken en een oranjekleurige diarree, soms met bloed en slijm (heeft het uiterlijk van gemalen rauwe tomaat en een typerende geur). De kans op genezing ligt hoger dan bij Parvo maar toch kunnen vooral pups, afkomstig van de markt of hondenhandelaren, snel aan deze ziekte bezwijken.
 

Rabiës (hondsdolheid)   

Hondsdolheid is een ziekte die voorkomt bij alle warmbloedige dieren en die overgebracht kan worden op de mens (zoonose). Het is een dodelijk virus die zich meestal pas meerdere weken na de besmetting openbaart. De besmetting is over het algemeen het gevolg van een beet of een krab van een geïnfecteerd dier. Via zo'n klein wondje verspreidt het virus zich naar de zenuwen en de hersenen. In een later stadium van de ziekte verspreidt het virus zich door het hele lichaam en naar de speekselklieren. Het speeksel is dan vaak weer de bron van infectie voor het volgende slachtoffer. De kat en de hond zijn door hun gedrag en levenswijze een van de dieren die de besmetting kunnen overbrengen op de mens. Vooral in streken waar hondsdolheid voorkomt is het zinvol de katten en de honden die buiten komen te vaccineren tegen hondsdolheid. Dit is in het belang van het dier zelf, maar ook in het belang van alle mensen die mogelijk door katten en honden zouden kunnen worden besmet.
 

Leishmaniase   

Leishmaniase wordt overgebracht door kleine vliegjes. De verschijnselen zijn niet zo alarmerend (verminderde conditie, lusteloosheid en huidproblemen, soms pas lange tijd na terugkomst) maar daardoor des te verraderlijker. Het is een ernstige ziekte waar nog veel onderzoek naar moet worden gedaan. Zo zijn er momenteel nog geen afdoende medicijnen tegen en is een vaccinatie nog niet mogelijk. Deze aandoening komt voor in de binnenlanden van de aan de Middellandse Zee grenzende gebieden alsook in Portugal. Veel honden daar zijn drager van deze ziekte die in enkele gevallen ook op baby's en jonge kinderen kan overgaan. De enige manier om uw hond tegen deze ziekte te beschermen is vooralsnog hem niet mee te nemen naar deze gebieden. Omgekeerd wordt ook afgeraden om zwerfdieren uit deze gebieden mee te nemen, hoe verleidelijk dat ook moge zijn.
 

Artritis   

Op de plaats waar 2 botten samenkomen, zijn deze bedekt met een laagje schok absorberend kraakbeen. Normaal gesproken is dit kraakbeen zelfherstellend. Het kan echter voorkomen, zeker op wat latere leeftijd, dat dit laagje op bepaalde plekken geheel wegslijt. Het gevolg is dat het onderliggende bot bloot komt te liggen, hetgeen zeer pijnlijk is als er druk op het gewricht wordt uitgeoefend. Op den duur is het gevolg meestal dat er ontstekingen ontstaan aan het bot of aan de omliggende pezen. De meeste Artritisgevoelige plekken bij een hond zijn de heupen, de knieën en de ruggenwervels, maar het probleem kan zich op veel meer plaatsen voordoen. In sommige gevallen (als een blessure) en bij bepaalde rassen (door erfelijke afwijkingen) kan Artritis al op jonge leeftijd ontstaan.
 

Dysplasie    

Elke hondenbezitter heeft wel eens gehoord van Heup-Dysplasie of, afgekort HD. De oorzaak is een erfelijke afwijking, die zorgt voor misvormingen en vergroeiingen van het bot in het gewricht. De bol- en komvorm van het gewricht wordt hierdoor aangetast, evenals een goede vorming van het kraakbeen. Het gewricht zal op den duur niet meer normaal kunnen functioneren en de kans op bijvoorbeeld Artritis is groot. Meestal worden de gevolgen van Dysplasie pas op latere leeftijd zichtbaar, maar in extreme gevallen kunnen de problemen zich ook al bij jongere dieren manifesteren.
 

Epilepsie    

Epilepsie of vallende ziekte is een aandoening van de hersenschors die er toe leidt dat de patiënt tijdelijk de controle over een deel van zijn lichaamsfunctie verliest. Bekend zijn de toevallen waarbij de hond omvalt, hevige spierkrampen krijgt, schuimbekt en urine of ontlasting laat lopen. Er zijn ook mildere vormen van Epilepsie.

Oorzaken; zoals gezegd wordt Epilepsie veroorzaakt door een storing in de functie van de hersencellen. De oorzaak van deze storing kan gelegen zijn in de hersencellen zelf, maar ook allerlei ziekten elders in het lichaam kunnen de problemen veroorzaken. In veruit de meeste gevallen is er echter geen duidelijke lichamelijke afwijking te vinden en is er echter sprake van een kortdurende, tijdelijke ontregeling van de hersenfunctie. We spreken dan van primaire Epilepsie.

Voorkomen; Epilepsie komt regelmatig voor bij honden. Sommige rassen zijn duidelijk gevoeliger dan andere (Poedels, Wels Springer Spaniëls, Duitse Staande zijn voorbeelden), maar het kan bij ieder ras voorkomen. Echte (primaire) Epilepsie komt zelden voor bij honden jonger dan 8 maanden. Meestal openbaart de ziekte zich tussen het 1e en 3e levensjaar. Bij oudere dieren is er vaak een andere oorzaak, hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld hersenbloedingen of gezwellen.

Diagnose; het is voor dierenartsen niet eenvoudig om vast te stellen of een dier Epilepsie heeft. De toevallen duren zo kort dat de patiënt bijna altijd al weer uit de aanval is bijgekomen bij binnenkomst in de kliniek. Het verhaal van de eigenaar is daarom van groot belang. Men wil dan graag weten hoe oud de hond is, hoe vaak de aanvallen optreden, hoelang zo'n aanval duurt, wat te zien is tijdens zo'n aanval en of er nog andere klachten zijn. Een probleem hierbij is dat de aanvallen meestal komen als het dier in rust is, dus vaak 's nachts. Het is daarom goed mogelijk dat een hond al meerdere aanvallen gehad heeft voordat het de baas opvalt. Bij jonge dieren met een duidelijk verhaal van toevallen is het meestal niet nodig om uitgebreid onderzoek te doen. Dit is wel het geval bij oudere dieren, of bij jonge dieren met meer klachten dan toevallen alleen. Aanvullend onderzoek kan bestaan uit bloedonderzoek, röntgenfoto's, hartfilmpje enz.

Behandeling; aangezien de aanvallen maar kort duren en meestal vanzelf verdwijnen is het niet altijd nodig om een Epilepsie patiënt te behandelen. Een vuistregel is dat als het dier niet vaker dan eens per 6 weken een toeval heeft en deze toevallen mild van aard zijn, dan is er geen behandeling nodig. Komen toevallen vaker of kort achter elkaar voor, of heeft de patiënt zware toevallen, dan is het raadzaam het dier te gaan behandelen. Er zijn een aantal soorten medicijnen die gebruikt worden bij Epilepsie. Bijwerkingen zijn slaperigheid en soms leverbeschadigingen.

Erfelijkheid; primaire Epilepsie is een aangeboren en waarschijnlijk een erfelijk gebrek. Het is dus verstandig om niet te fokken met dieren die aan Epilepsie lijden.


Nierproblemen    

Nierproblemen bij de hond op jonge leeftijd zijn vaak het gevolg van aangeboren afwijkingen van de nieren of de urineafvoerwegen. Een andere oorzaak is de opname van giftige stoffen die de werking van de nieren ernstig aantasten. Op latere leeftijd kunnen slecht functionerende nieren ontstaan door regelmatig terugkerende nierontstekingen, nierstenen of ontstekingen elders in het lichaam (bijvoorbeeld de lever). Onder 'normale' omstandigheden zorgt het bloed voor het vervoer van voedingsstoffen en zuurstof naar alle delen van het lichaam. De afbraakproducten die het lichaam nergens voor kan gebruiken, en in hoge concentraties schadelijk zijn, worden via het bloed naar de nieren vervoerd. De nieren filtreren deze afvalstoffen uit het bloed. Bij dit zuiveringsproces worden ook de nog bruikbare stoffen uit het bloed gefilterd. De nieren nemen deze nog 'bruikbare' stoffen in een ander gedeelte van de nier weer op. Dit proces heet 'terugresorptie'. Resorptiestoornis veroorzaakt veel verlies van water, zouten en voedingsstoffen. We zien bij de hond: sufheid, geen eetlust, veel drinken, veel en vaak plassen, huid- en vachtproblemen, gewichtsverlies en stinkende adem (ammoniakgeur). Om de ernst van de nieraandoening te kunnen vaststellen zullen er urine- en bloedonderzoeken van de hond afgenomen moeten worden en daaropvolgend een aangepaste behandeling worden geadviseerd. De niet meer goed werkende gedeelten van de nier kunnen helaas niet meer herstellen, maar door de behandeling en een aangepast nierdieet kunnen U en uw hond wel langer plezier van elkaar hebben.
 

Overgewicht bij honden  

Overgewicht is het meest voorkomende probleem dat door verkeerde voeding wordt veroorzaakt. Een hond is te dik als hij meer dan 20% zwaarder is dan het ideale gewicht. Bij honden met een 'juist' gewicht kan men de ribben goed voelen, maar niet zien. Omdat de verschillen in lichaamsgewicht tussen de hondenrassen nogal uiteenlopen en voor een leek vaak moeilijk te schatten zijn, is het aan te raden uitsluitend af te gaan op het advies van uw dierenarts. Overgewicht komt vooral voor bij oudere honden en bij honden die gesteriliseerd/gecastreerd zijn. Dit komt doordat deze honden minder actief zijn en een lagere stofwisseling hebben. Overgewicht door voedingsfouten komt ook bij puppies voor. Als zij te veel of te lang een energierijke voeding krijgen in combinatie met te weinig beweging, dan veroorzaakt dit een overmatige onderhuidse vetafzetting.

Gevolgen van overgewicht; Als er sprake is van overgewicht zal - net als bij mensen - ook bij de hond de kans op bepaalde ziektes toenemen. Overgewichtdiabetes, hart- en vaatproblemen maar ook problemen met het skelet en bewegingsapparaat kunnen worden veroorzaakt of toenemen door overgewicht. Ook huid- en maagdarmproblemen en een verminderde afweer bij infecties kunnen in verband worden gebracht met overgewicht. Gedurende de groeifase is een regelmatige controle van het gewicht van uw hond erg belangrijk. Overgewicht kan in deze periode leiden tot skeletproblemen en klachten van het bewegingsapparaat. Tot op heden is niet bewezen dat Heup-Dysplasie (HD) kan worden voorkomen door speciale voedingen of diëten. Overgewicht of een verkeerde voeding kan de klacht wel verergeren.
 

Schurftmijten   

Schurftmijten zijn vooral sarcoptes-mijten, die op honden leven maar ook op mensen kunnen overgaan. Deze mijten boren tunnels in de huid van uw dier en leggen daarin hun eitjes. Dit zijn vaak plaatsen als oren, ellebogen en poten. De symptomen van deze schurftmijten zijn heftige jeuk en haarverlies. Voordat dit aangetoond kan worden, dient er een uitvoerig onderzoek van een afkrabsel van de huid worden uitgevoerd. Pas dan kan er door de dierenarts een wasbehandeling met insecticiden worden voorgeschreven. Het is goed te weten dat schurftmijten besmettelijk is en dat ze snel kunnen worden overgekrabd op een gezonde hond. We kennen verschillende soorten Schurftmijten:

Sarcoptes (schurftmijt); dit zijn kleine diertjes nauwelijks waarneembaar met de microscoop. De schurftmijten boren kleine gangetjes, soms een heel netwerk van gangen, in de opperhuid. In de gangetjes leggen de vrouwtjes de eitjes. Bij het graven drukken de mijten de opperhuid iets naar boven. Alle bultjes vloeien tenslotte samen en vormen grote korsten op de huid. De lichamelijke conditie van de hond gaat achteruit. Omdat de hond geen afweer opbouwt moeten de mijten bestreden worden, te meer daar ook de mens besmet kan raken. De behandeling is langdurig en vaak moeilijk omdat de meeste bestrijdingsmiddelen slecht doordringen in de smalle huidgangetjes.

Demodex (haarzakmijt); deze mijt, die de bekende jeugdschurft veroorzaakt, leeft in de haarzakjes en talgklieren. Jeugdschurft kent 2 vormen, namelijk; een droge en een natte vorm. Bij de droge vorm zijn er alleen mijten in het spel, bij de natte jeugdschurft spelen ook bacteriën een rol. De bacteriën zijn vaak Staphylococcen, die zorgen voor een etterige afscheiding. Iedere hond is besmet met Demodex, slechts een enkele hond die bovendien nog jonger dan 2 jaar is kan de ziekteverschijnselen krijgen. De behandeling tegen Demodex is vaak langdurig maar in de regel succesvol te noemen.

Otodectus (oorschurftmijt); deze mijt leeft in de huid van de gehoorgang. Het oorsmeer wordt wat schilferig en droog. De besmetting kan verspreid worden door het schudden met de oren. Oorschurft kan verergerd worden wanneer ook bacteriën gaan meedoen.

Cheyletiella parasitovorax; deze mijt normaal gesproken voor bij cavia's en konijnen maar wil ook wel bij de hond voorkomen. Deze mijt zorgt voor haarschilvering, haaruitval en jeuk.
 

Anti-loopsheidsprik   

Vaak is het ondoenlijk om de teef gewoon loops te laten worden. Veel dieren hebben er zelf veel last van, zijn onrustig en uit hun gewone doen. Hun volkomen natuurlijke ongehoorzaamheid en wegloperigheid tijdens de loopsheid brengt hen vaak in conflict met de eigenaar en kunnen zelfs leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties en ongelukken. Ook is het voor de teef vaak moeilijk als ze een paar weken lang niet met haar speelkameraadjes mag omgaan en dat ze bij het uitlaten aan de lijn gehouden moet worden. Andere teven houden zichzelf niet goed schoon zodat er overal in huis bloedvlekken zitten. Helemaal moeilijk wordt het natuurlijk als er ook een reu in huis aanwezig is. En in meer gevallen is de loopsheid niet welkom. Denk maar eens aan het verblijf in een kennel of in een pension, deelneming aan hondencursussen, clubmatches of tentoonstellingen; meestal wordt een loopse teef daar geweigerd. Ook is het niet zo leuk om de oppas tijdens uw vakantie met een loopse teef op te zadelen.

In al deze gevallen is het mogelijk de anti-loopsheidsprik te laten geven. Uw hond hoeft daarvoor niet eerst een keer loops te zijn geweest. Ze hoeft de 1e loopsheid niet geheel doorlopen te hebben, als maar wel bekend is op welk moment de 1e loopsheid is begonnen. Tegen de loopsheid kunnen 2 hormonen worden gebruikt; Medroxyprogesteronacetaat (MAP) en Proligeston. Het MAP geeft wat meer kans op een baarmoederontsteking en borstkanker, maar het hoeft maar eens in de 6 maanden toegediend te worden. Bovendien hoeft er maar weinig vloeistof te worden ingespoten. Het Proligesteron biedt een extra bescherming tegen baarmoederontsteking en het gaat schijnzwangerschap tegen. Het geeft voorts geen grotere kans op borstkanker. De hoeveelheid in te spuiten vloeistof is meer dan bij de MAP en afhankelijk van het lichaamsgewicht. Na het geven van deze prik kan er (en wel voornamelijk bij kleine rassen) een enkele minuten durende flinke irritatie op de injectieplaats optreden. Bij sommige honden heeft het een effect op de stofwisseling waardoor ze in gewicht kunnen toenemen.

Schema anti-loopsheidsprikken; MAP mag nooit binnen een maand voor de te verwachten loopsheid worden toegediend. 1 prik per 6 maanden is voldoende. Het is verstandig de 1e loopsheid af te wachten en in plaats van de 1e prik een tablettenkuur te geven. De 1e prik volgt dan 3 maanden na de tablettenkuur en vervolgens wordt de injectie elke 6 maanden herhaald. Proligeston kan zonder gevaar elk gewenst moment worden toegediend. Zelfs als de injectie nog op de 1e dag van de loopsheid gegeven wordt is de kans zee groot dat de loopsheid binnen een paar dagen verdwijnt, dus nog voordat de teef gedekt zou kunnen worden. Die kans wordt kleiner naar mate de loopsheid gevorderd is. Dan helpen alleen tabletten nog.

Bij constateren van de 1e loopsheid is het belangrijk dit door de dierenarts te laten controleren. Als het dan zeker is dat de hond loops is en die loopsheid niet langer dan een dag bestaat, kan direct de 1e anti-loopsheidsprik worden gegeven met proligeston. Vaak echter is het niet met zekerheid bekent wanneer het eerste druppeltje bloed kwam. In die gevallen wordt in plaats van een injectie een tablettenkuur gegeven. De loopsheid verdwijnt dan binnen een paar dagen. Het is van belang bij deze kuur dat deze wordt afgemaakt, anders komt de loopsheid direct weer terug. De 1e anti-loopsheidsprik wordt uiterlijk op de 1e dag van de loopsheid gegeven of 3 maanden na de tablettenkuur. De 2e prik volgt 3 maanden daarna. Tussen de 2e en de 3e anti-loopsheidsprik zitten 4 maanden en dan komen we op het schema van elke 5 maanden. In het begin wordt het schema dus opgebouwd. Bij honden die al eens loops zijn geweest kan op elk moment buiten de loopsheid met dit schema worden gestart. Voor zowel MAP als Proligeston geldt dat na het staken van de anti-loopsheidsprikken het behoorlijk lang kan duren voordat de hond weer loops wordt, soms tot anderhalf jaar toe. De anti-loopsheidsprik heeft geen nadelige gevolgen voor eventuele latere nesten.
 

Schijnzwangerschap  

De naam 'schijnzwangerschap' is eigenlijk niet juist. De Latijnse naam hiervoor is Lactatio Abnormalis (abnormale melkproductie). De hond voelt zich niet zwanger maar denkt dat ze al een nest met pups heeft. Ze voelt zich dus op en top een moeder. Lichaam en geest van de teef zijn er helemaal op ingesteld om pups te verzorgen. Eigenlijk is het een onschuldige speling van de natuur. Meestal treedt de 'schijnzwangerschap' ongeveer 9 weken na de loopsheid op. Dat is het moment dat de teef, als ze tijdens de loopsheid gedekt zou zijn geweest, had moeten werpen. Dus, ondanks dat ze niet zwanger is geweest, reageren lichaam en psyche van het dier toch als zodanig.

Wat gebeurt er; de teef krijgt grotere melkklieren waar inderdaad ook vaak melk uit gemasseerd kan worden of een vloeistof met een andere kleur, van bruin tot bloedrood toe. Dat is de lichamelijke kant ervan die overigens niet altijd aanwezig is. Veel belangrijker zijn de psychische verschijnselen:

*Het dier wordt onrustig, ze denkt dat ze pups heeft maar die zijn er niet.

*Nestdrang; de teef heeft graafneigingen, trekt zich veilig terug onder een stoel of onder de tafel, in een hokje van de kamer of ook wel op het bed in de slaapkamer. Ze gaat dus op andere plaatsen liggen dan normaal.

*Slepen met speelgoed, pantoffels, sokken, de gekste dingen. Al die zaken ziet de hond als haar pups. Ook overdreven aandacht voor andere dieren thuis of zelfs kinderen is zo te verklaren. Vaak heeft de teef de neiging dit alles tot het uiterste te verdedigen, oppassen dus !

*Agressiever tegenover andere dieren bijvoorbeeld bij het uitlaten maar ook als er mensen op bezoek komen. Vanuit de teef bezien volkomen verklaarbaar. Als de teef wordt benaderd denkt ze dat ze haar denkbeeldige pups moet verdedigen en dat kan wel eens gevaarlijker zijn voor iemand die niet weet wat er aan de hand is. In sommige gevallen kan dit leiden tot moeilijkheden zoals het aanvallen van andere honden en af en toe van nietsvermoedende kinderen of andere bezoekers. Dus voor de zekerheid altijd oppassen met een schijnzwangere teef.

*Schijnzwangere teven eten meestal minder, in een enkel geval zelfs wat meer. Het lijkt logisch dat ze meer zouden eten omdat ze denken dat ze pups hebben, maar toch is meestal het tegenovergestelde het geval. Mogelijk speelt nervositeit hierbij een rol.

*Uitlaten is voor schijnzwangere honden meer een kwelling dan een plezier. Ze zijn vaak niet naar buiten te branden omdat ze maar steeds in de buurt van hun 'nest' willen blijven. Even snel behoefte doen kan nog wel, maar dan weer zo snel mogelijk naar huis.

*Sommige schijnzwangere teven worden erg aanhankelijk, vragen voortdurend aandacht, willen aangehaald worden of op schoot komen zitten. Vaak tot op het irritante af.

Een schijnzwangere hond hoeft niet alle hierboven genoemde symptomen tegelijk te vertonen. De meeste hebben last van 2 of 3 van deze verschijnselen. De ernst van de psychische uitingen van de schijnzwangerschap kan sterk variëren. Soms is de eigen hond helemaal niet meer herkenbaar; in een korte periode is ze helemaal anders geworden. Het komt regelmatig voor dat de eigenaar, niet wetende dat de teef schijnzwanger is, zich erg ongerust maakt en met bange voorgevoelens een bezoek brengt aan de dierenarts. Het is dan een grote opluchting te horen dat de hond alleen maar schijnzwanger is en lichamelijk niets mankeert. Schijnzwangerschap kan maanden duren maar gaat nooit samen met loopsheid. Het valt niet te voorspellen welke honden het zullen worden en het maakt ook weinig uit of ze al eens een nest gehad hebben. De aandoening komt veelvuldig voor en bij alle hondenrassen.

Wat kunnen we doen; afleiding geven is zeer belangrijk bij de behandeling van schijnzwangerschap, meer nog dan de toediening van medicijnen. Laat uw hond op andere tijden en op andere plaatsen uit dan wanneer en waar ze gewend is uitgelaten te worden, ga eens lekker met haar ravotten. Wat U zeker niet moet doen is het schijnzwanger-gedrag bevestigen door bijvoorbeeld speeltjes te geven, medelijden te krijgen of agressiviteit te bestraffen. Vaak blijkt het nodig om ook nog op andere manieren in te grijpen, reden daarvoor kunnen zijn dat de hond zelf veel problemen lijkt te hebben met de schijnzwangerschap of als gevolg hiervan overlast veroorzaakt. Een andere belangrijke reden is langdurige melkgift omdat gebleken is dat de met melkvocht gevulde holten (cysten) op den lange duur kunnen ontaarden in melkkliertumoren (borstkanker). Met andere woorden; teven die telkens weer en langdurig schijnzwanger worden hebben een grotere kans om kanker aan de melkklieren te krijgen. Medicinaal ingrijpen kan door toediening van lichte hormonen in de vorm van een tablettenkuur. Ook het gebruik van homeopathische middelen blijkt in een aantal gevallen effectief. Bij hardnekkige gevallen verdient het de aanbeveling de teef te steriliseren. Bij deze operatie worden de baarmoeder en eierstokken verwijderd omdat vooral de eierstokken de boosdoeners zijn bij schijnzwangerschap.

Nervositeit   

Huisdieren moeten zich aanpassen aan de levensstijl van de mens. Als zo'n levensstijl geleidelijk en binnen bepaalde grenzen verandert, geeft dit in het algemeen geen bijzondere problemen. De laatste jaren is de doorsnee levensstijl van de mens echter snel en drastisch gewijzigd. Vooral bij de hond zien we gedragsafwijkingen door aanpassingsmoeilijkheden, zoals nervositeit, onrust, schrikachtigheid en angst voor onbekende en harde geluiden. Om een jonge hond voldoende kans te geven zich aan te passen aan zijn nieuwe omgeving is het noodzakelijk om de pup op leeftijd van 7-8 weken in zijn toekomstige omgeving te plaatsen. Deze aanpassing aan zijn omgeving tot de leeftijd van 14 weken is bepalend voor de rest van zijn/haar leven. Een rustige, consequente aanpak bij de opvoeding en vooral regelmaat zijn van belang. Wacht bij problemen niet te lang met het raadplegen van een dierenarts. Een behandeling met een diergeneesmiddel kan er toe bijdragen het gedrag van het huisdier positief te beïnvloeden.


Chronische achterhandslapte   

Chronische achterhandslapte komt veelvuldig voor bij de oudere hond, geleidelijk treden verschijnselen van achterhandslapte zichtbaar op; vertraagde stelreflexen, soms 'overkoot' gaan, 'wegzakken' en dergelijke. Daarbij kunnen klachten optreden zoals pijn in de rug, heupen en knieën, door de achterhand 'zakken' (de omvang van de achterhandspieren neemt af), soms onwillekeurig urineverlies, chronische blaasontsteking door onvoldoende blaaslediging. Oorzaken van de achterhandslapte kunnen o.a. spondylose en ruggenmergdegeneratie zijn. De behandelingsresultaten zijn bij spondylose over het algemeen beter dan bij ruggenmergdegeneratie.


Rug- en nekhernia   

Bij een rug- en nekhernia is er sprake van een vernauwing van de tussenwervelruimte. De kern van de tussenwervelschijf stulpt daardoor uit naar boven. Bij de rughernia kan dat behalve pijn ook verlammingsverschijnselen geven door druk op het ruggenmerg. Medicijnen helpen de plaatselijke vochtophoping en de druk op het ruggenmerg te verminderen, beschadigd zenuwweefsel te genezen. Bij de rughernia is er sprake van een ongeoorloofde druk op het ruggenmerg. Als dit niet snel en doeltreffend behandeld wordt kan een verlamming van de achterhand onherstelbaar blijken te zijn. De rughernia moet daarom uitsluitend onder begeleiding van een dierenarts worden behandeld.


Wormen    

De parasiterende wormen kan men in twee grote orden verdelen, namelijk de ronde wormen en de platte wormen. Bij de platte wormen kan nog een verdere verdeling worden gemaakt in lintwormen en zuigwormen. Tot de beide orden behoren tal van fanülies en soorten.

Tot de orde van de ronde wormen (de Nematoda) behoren de voor de hond belangrijke spoelwormen, de mijn- of haakwormen, de Trichuris en de hartworm.

Tot de onderorde van de lintwormen behoren de verschillende Taenlae, Dipylidium Caninun Eechinococcus en Botriocephalus. Nederlandse benamingen ontbreken helaas.

Tot de onderorde van de zuigwormen behoort de leverhot, van wie men bij de hond ook enkele verwante soorten kan aantreffen.

Spoelwormen (Ascaridia); Bij de hond komen twee geslachten van Ascaridia voor, namelijk Toxascaris lconina en Toxoeara Canis, waarvan de laatste wel de meest beruchte is. Het lichaam van de spoelworm is zeer eenvoudig van bouw. Er is een kort darmkanaal, dat in de lengte door het hele lichaam loopt, een bloedvatstelsel en ademhalingsstelsel ontbreken. Het uitscheidingsstelsel en het zenuwstelsel zijn zeer primitief ontwikkeld. Zintuigen ontbreken. Zeer goed ontwikkeld is het geslachtsorgaan. Het vrouwtje produceert per dag enkele honderdduizenden eieren met een totaal van ruim 80 nifijoen. De kleur van de wormen is melkwit. De totale lengte bedraagt maximaal circa tien centimeter. De spoelwormen leven hoofdzakelijk in de tweede helft van de dunne darm. Een enkele maal verplaatsen ze zich. Gevaarlijk kan het zijn, indien de galbuizen verstopt raken door hun aanwezigheid. Soms komen wormen met de faeces of met braaksel naar buiten. De eieren verlaten met de faeces het lichaam. In het koele en zuurstofrijke uitwendige milieu komen de eieren tot rijping: binnen de eischaal ontstaat de larve. Nadat de hond de eieren heeft opgenomen, komen de larven in de darm tevoorschijn. Nu blijkt het verschil tussen de beide soorten spoelwormen.

De larven van Toxascaris maken holletjes in de darmwand en blijven daar zitten. Zij groeien en vervellen een aantal keren tot ze volwassen zijn geworden en deel kunnen nemen aan het voortplantingsproces. De larven van Toxocara doorboren de darmwand en beginnen een trektocht door het lichaam. Via de poortader komen ze in de lever en vandaar gaan ze via de bloedstroom verder naar de longen. In de longen doorboren de larven opnieuw het weefsel en kruipen dan in de luchtpijp omhoog. De hond slikt de larven in en opnieuw in de darm aangekomen beginnen de laatste vervellingen van de larve tot volwassen worm, die vervolgens weer eieren gaat produceren. Er is geen enkele hond te vinden, die volkomen vrij is van spoelwormen. Toch zijn volwassen spoelwormen bij oudere honden eerder een zeldzaamheid dan een normaal verschijnsel en dit wordt veroorzaakt door het feit, dat honden afweerstoffen kunnen produceren, die de larven afremmen in hun groei naar volwassenheid. De larven blijven tijdens hun trektocht door het lichaam steken en kapselen zich in. Met name bij drachtige teven zal in de loop van de zesde week van de drachtperiode de afweer dalen. Dan komen de larven weer tot verdere ontwikkeling en zetten zij hun trektocht voort. Een enkeling zal dan alsnog via de longen en de luchtpijp in het maagdarmkanaal terecht komen, maar een grote hoeveelheid larven trekt via de placenta naar de foetus. In de foetus kapselen ze zich nog even in, maar direct na de geboorte groeien ze door en als de pup circa drie weken oud is, produceren volwassen spoelwormen de eerste eieren. Op die leeftijd heeft iedere pup een eerste spoelwormkuur nodig.

Belangrijk is het besmettingsgevaar van Toxoeara voor mensen. Vooral baby's en kleuters kunnen gemakkelijk wormeieren opnemen. In het menselijk lichaam komt de larve niet ver tot ontwikkeling. Hij kapselt zich al snel in, vooral in de lever. Bij een - in Australië overleden - kind werden meer dan 300 larven per gram leverweefsel geteld. Ook kunnen larven zich inkapselen in het netvlies, waardoor uiteindelijk blindheid kan ontstaan.

De hond als gastheer ondergaat niet eens zo erg veel nadelen van de aanwezigheid van de spoelwormen. Een wisselende eetlust is wel het voornaamste symptoom, een enkele keer kunnen de galgangen worden geblokkeerd. Bij een erg grote besmetting kan bloedarmoede en lusteloosheid optreden. In sommige handboeken staat aangegeven, dat de wormen een soort zenuwgif produceren, waardoor eventueel aanvallen van epilepsie kunnen optreden. In hoeverre dit juist is, is onbekend.

Spoelwormen eten voedsel op, dat voor de gastheer is bestemd. Tevens kunnen de larven van Toxoeara Canis gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Twee goede redenen om de spoelwormen te bestrijden met specifieke spoelwormbestrijdingsmiddelen of met breed-spectrum preparaten. Uit oogpunt van de hond moet men echter ook weer niet al te drastisch te werk gaan: de hond moet toch enige tijd worden gegund om actief een natuurlijke immuniteit te kunnen opbouwen.

Mijn- of haakwormen; Deze wormen zijn circa één centimeter lang. We kennen twee soorten, namelijk Uncinaria Stenocephala en Ancyiostoma Caninum. De larven worden via het drinkwater opgenomen, maar zij kunnen ook actief door de huid heen dringen. Via het bloed belanden ook deze wormen eerst in de longen, waarna zij via de keelholte in het maagdarmkanaal komen. In de darm zuigen de wormen zich aan de darmwand vast en voeden zich met bloed, dat zij eerst onstolbaar maken. Bij verplaatsing van de wormen blijven de wondjes bloeden. Bloedarmoede en in ernstige gevallen een verbloeding kunnen de gevolgen zijn.

De mijnwormen werden direct na de oorlog ook wel in Nederland gesignaleerd, toen veel mensen met hun honden uit Indonesië terugkeerden naar Nederland. Tegenwoordig is het voorkomen van deze tropische worm in Nederland nog een zeldzaamheid. In feite beperkt het voorkomen zich tot importdieren.

Trichuris vulpis; Dit is een worm van circa vijf centimeter lengte. Hij veroorzaakt bij de hond een diarree. In ernstige gevallen ziet men bloed in de ontlasting en krijgt de hond bloedarmoede. Bij duivenliefhebbers is een ander geslacht bekend, dat onder duiven soms grote slachtingen aanricht. Men spreekt wel van haarwormen vanwege de grote lengte ten opzichte van de zeer geringe omvang.

Hartworm (Dirophilaria); Deze worm vertoeft niet in de darmen, maar in de bloedvaten en heeft een voorkeur voor de rechter hartkamer. Hij komt veel voor in Amerika, maar is hoogst zelden in Nederland aanwezig.

De levenscyclus van lintwormen (Cestoda); Ook de lintworm is primitief ontwikkeld. Achter de kop toont de lintworm veel segmenten. Ieder segment wordt een lid of geleding genoemd. Er zijn enkele zeer eenvoudige orgaansystemen in te onderscheiden, maar ook bij de lintworm zijn de geslachtsorganen goed ontwikkeld. In de voorste jonge leden ontwikkelen zich de mannelijke voortplantingsorganen. Meer naar achteren ontwikkelen zich de vrouwelijke voortplantingsorganen. De lintworm is dus tweeslachtig en omdat de worm geslingerd in het darmkanaal ligt waarbij de jonge leden vrijwel tegen de oudere leden aanliggen, kan de worm zichzelf bevruchten. De eiproduktie is ettelijke tientallen miljoenen groot. De oudste leden van de lintworm zijn bijna geheel gevuld met rijpe eieren. De leden laten los en worden met de ontlasting uitgedreven. Ze zijn vaak duidelijk in de ontlasting waarneembaar en direct na de defaecatie bewegen de leden zich nog wat. Op mensen maakt dit de indruk te maken te hebben met 'maden'. Na korte tijd zijn de leden bewegingloos, drogen onder invloed van lucht uit en barsten dan kapot. De lintwormeieren slingeren daarbij ver in het rond. De eieren moeten nu worden opgenomen door een 'tussengastheer'. Afhankelijk van de lintwormsoort kunnen dat bijvoorbeeld vlooien, runderen, schapen, hazen of konijnen zijn. Iedere lintwormsoort, die in zijn volwassen stadium bij de hond voorkomt, vereist zijn eigen specifieke tussengastheer.

Uit het ei ontwikkelt zich bij de tussengastheer (voor Dipylidium Caninum de vlo) een blaasworm. Bemerk hoe in het rijpe stadium er reeds een uitgestulpte kop aanwezig is. In de maag van de tussengastheer komt uit het ei een larfje te voorschijn, dat zich met behulp van scherpe haakjes door de darmwand boort en zich verplaatst naar de spieren, de lever, de longen of andere organen. Daar ter plekke aangekomen kapselt het larfje zich in en groeit uit tot een zogenaamde blaasworm. Dit is een blaas, waarbinnen de larve zich verder tot jonge lintworm ontwikkelt. Wanneer de hond de blaasworm op de een of andere wijze binnenkrijgt (opeten van vlooien, eten van slachtafval van andere tussengastheren), komt de lintworm uit zijn blaas te voorschijn. Eigenlijk bestaat de zeer jonge lintworm alleen uit een kop, maar zeer spoedig verschijnen de eerste geledingen tot de uiteindelijke lengte wordt bereikt. Met de kop boort de lintworm zich vast in de darmwand van de gastheer, in dit geval de hond. Achter de kop groeien steeds nieuwe leden aan. Tegen lintwormen bouwt de hond nagenoeg geen afweerstoffen op, zodat gegrepen moet worden naar het hulpmiddel van de medicatie. Vroegere medicamenten verlamden de worm, waarna hij door de peristaltische bewegingen van de darm naar buiten gewerkt moest worden. Controle of de kop in de ontlasting zat, was altijd nodig. Was dit niet het geval, dan kon de lintworm opnieuw uitgroeien en had de therapie gefaald. De tegenwoordige middelen - speciaalmiddelen of breed spectrum.

Taenia Hydatigena (Taenia Marginata); Deze worm kan tot circa vijf meter lang worden. Hij komt in ons land niet vaak meer voor. Zo nu en dan worden bij de tussengastheren (varkens, runderen en kleine herkauwers) nog wel eens blaaswormen waargenomen. De blaasworrnen hangen met een dun halsje (let op de wetenschappelijke naam Cystieercus Tenuicotlis - 'coltrui'!) aan de ingewanden. Terwijl de hond als gastheer weinig last van een enkele volwassen lintworm ondervindt, kunnen de tussengastheren bij een massale besmetting behoorlijk veel hinder ondervinden van de blaaswormen.

Multiceps Multiceps (Taenia Multiceps); Deze worm wordt een halve tot een hele meter lang. Van deze worm heeft de hond als gastheer weinig last, maar de tussengastheren, voornamelijk schapen, geiten en runderen - slechts een enkele keer de mens - ondervinden grote nadelen. Na circa acht maanden bereikt de blaasworm zijn grootste omvang met een doorsnede van vijf centimeter. Daar de blaasworm zich in het hersenweefsel vestigt, vallen tal van zenuwfuncties uit, hetgeen de dood van de tussengastheer ten gevolge heeft.

                                     

Omhoog